LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Twee leraren

7 apr, 2024
door Jan Loogman

 

Op de middelbare school had ik in de eerste jaren moeite met Duits. De proefwerken bestonden uit lange rijtjes woorden die we van de juiste vertaling moesten voorzien, en uit zinnen waarin we woorden met de juiste naamval moesten invoegen. Met flink stampen moest daar een dikke voldoende voor te halen zijn, maar dat lukte me niet. Vanaf de vierde klas werden de woordjes-proefwerken afgewisseld met proefvertalingen en die teksten bevielen me soms buitengewoon. Mijn plezier in de tekst werkte door in de kwaliteit van mijn vertaling en ik haalde vaak een hoog cijfer. Mijnheer Wolfs, de leraar Duits, verwonderde zich kennelijk over mijn goede werk, want telkens als hij een goed of uitstekend beoordeelde vertaling aan me teruggaf, zei hij daar iets bij. ‘Je had de vertaling zeker al gemaakt, hè?’ Een domme opmerking. Weliswaar haalde hij al zijn proefvertalingen uit verzamelingen van eerdere eindexamenopgaven, zodat het denkbaar was dat ik de tekst in bezit had, maar ik had wel meer te doen had dan zufällig ausgewählte Texte te vertalen. Dat had Wolfs toch kunnen bedenken. Niettemin bleef hij tot en met de zesde klas zijn denigrerende opmerking herhalen, telkens als hij mij een vertaling met een hoog cijfer moest teruggeven.

Wat een kansen liet deze leraar liggen! Hoe had hij ons kunnen stimuleren door de opdracht te geven van Christian Morgenstern Das Butterbrotpapier te vertalen: ‘Ein Butterbrotpapier Im Wald, – / da es beschneit wird, fühlt sich kalt…’ Een jaar of vijftien na mijn middelbare schooltijd noemden Marko Fondse en Griet Henkes hun vertaling Het boterhampapier en daarin waren dit de eerste twee regels: ‘Een boterhampapier in ‘t woud, – / krijgt het, daar het besneeuwd raakt, koud…’ Hoe zouden wij de regels vertaald hebben? Het is gissen; mijnheer Wolfs legde ons niets voor dan stencils met nog meer Schwere Wörter dan al in het gelijknamige boek stonden.

Onze leraar Engels daarentegen, de ogenschijnlijk stijve mijnheer Rolf, liet ons in de vijfde klas de autobiografie van de Amerikaanse toneelschrijver Moss Hart lezen. Ook trakteerde hij ons op sonnet 18 van William Shakespeare: Shall I compare thee to a summer’s day en onze hele klas, weliswaar niet meer dan acht jongens, liep op zaterdagmiddag naar De Slegte in de Kalverstraat waar we ieder voor fl. 4,95 het Verzameld Werk van de Engelsman kochten.

Aan het einde van het zesde jaar deden we eindexamen. Dat bestond uit twee delen: in april een centraal schriftelijk deel en in juni een mondeling schoolexamen. Duits was onderdeel van het centraal schriftelijk examen. Op een ochtend in april zat ik aan een tafeltje in het gymlokaal. Over de sportvloer was een grijze lap canvas gelegd, op het tafeltje lag een blocnote, een van de docenten deelde de opgave uit. Ik las de Duitse tekst door en pakte daarna mijn pen. De titel bestond uit twee woorden, maar toen ik de hele tekst gelezen had, leek een vertaling met een zin van zes, zeven woorden mij passend. Een waagstuk, maar wat juist is, is juist, bedacht ik. Ik schreef de zin op en vertaalde daarna de hele tekst. Enkele maanden later, na het mondeling examen, kregen we de uitslagen. Voor Duits had ik een tien. Toen we later die dag op een rij stonden om de felicitaties van de leraren in ontvangst te nemen, keek ik uit naar de handdruk van mijnheer Wolfs. Nu kon hij niet zeggen dat ik de tekst al gekend had, maar wat zou hij wel zeggen? ‘Mooi gedaan, Jan,’ zei mijnheer Rolf bij zijn handdruk. Voor Engels had ik een acht gehaald. Na Rolf volgde Wolfs. Ik keek hem in het gezicht en zag dat hij zijn bril droeg met de spiegelende glazen. Zijn ogen zag ik niet, en hoe scherp ik ook luisterde, zijn stem hoorde ik niet. Wel voelde ik zijn zweterige hand.

Jarenlang is Shakespeares Verzameld Werk, die dikke pil, niet meer dan een flinke steun in mijn boekenkast geweest, maar dat ik later de sonnetten in de vertaling van Peter Verstegen heb gekocht en er af en toe in lees, schrijf ik aan mijnheer Rolf toe: ‘Mooi was je toen ik jou voor ’t eerst aanschouwde, / Mooi ben je nog altijd, jij wordt nooit oud.’
Nog altijd lees ik graag Engelse en Amerikaanse literatuur en het doet me plezier dit aan mijnheer Rolf toe te schrijven. Anders dan het Engels is het Duits voor mij ondanks het glanzende cijfer op mijn eindexamenlijst goeddeels een dode taal geworden. Gelukkig wint de schoonheid van de woorden het soms van de herinnering aan de lelijke heer Wolfs. Zelfs die kan Rilke niet verpesten: ‘Wie soll ich meine Seele halten, dass sie nicht an deine rührt?’

 

afbeeldingen:
Butterbrotpapier © Digitaal museum Sachsen
Stilte © De LImburger
Shakespeare © Etsy

 

     Andere berichten

Kunst en afgunst

Kunst en afgunst

door Rogier de Jong     Afgunst Afgunst, adder, is geduldig, haar beet verraderlijk. De overvloed aan stenen, gras en...

Waar een busreis toe leiden kan

door Marc Bruynseraede   In de jaren zeventig kwam ik in contact met Ton Luiting, dichter-journalist bij De Gooi- en Eemlander en...

Heeft u pech, dan heeft u geluk

door Jan Loogman   De redactie van het ANWB-magazine De Kampioen heeft onlangs de lezers gevraagd gedichten in te sturen over hun...