LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Maarten Buser – Opgeslagen locaties

29 aug, 2025

‘Helaas kunnen de getoonde werken / niet constant in bedrijf zijn’

door Peter Vermaat



Het gaat Maarten Buser voor de wind en hij timmert ook aardig aan de weg. Na zijn debuut Club Brancuzzi (poëzie, 2016), Geertje van de Kamp in Japan (kunstmonografie, 2020) en nu Opgeslagen locaties (poëzie, 2025) is hem onlangs door het Nederlands Letterenfonds een beurs toegekend voor het schrijven van een derde poëziebundel.

Als personen bevinden we ons waarschijnlijk diametraal tegenover elkaar in het spectrum: hij houdt van hiphop, van Amerikaanse kunst en vindt zijn favoriete songtekst bij Kendrick Lamar, ik houd van symphonic speed metal en Anton Bruckner, van de schilder Franz Marc en ben nog lang niet uitgekeken op Tales from topographic Oceans van Yes. De kans dat deze bundel zich als vanzelf nestelt in mijn ‘domein van verwant beleven’ mag als minimaal worden ingeschat. Maar, eerlijk is eerlijk, ik ben benieuwd. Uit interviews blijkt dat Buser zijn bezigheden serieus neemt en de bespreker beschouwt als een zendeling of ambassadeur (dat de bespreker af en toe ook de beul moet zijn, laat hij achterwege en of ik hem daarom een sympathiek mens moet vinden of juist achterdocht moet koesteren heb ik nog niet besloten) en wat hij schrijft in zijn stuk in Liter (2017) over het werk van Bas Jan Ader en de rol van ‘de toeschouwer als plaatsvervangende participant’ vind ik intrigerend.

Behalve dichter is Maarten Buser namelijk ook kunstcriticus en wie – aan de hand van de verantwoording achterin de bundel – op zoek gaat naar de kenmerken en achtergronden van de stoet ‘influencers’ aan wie Buser ‘beelden en andere sporen’ in zijn gedichten toeschrijft, ontdekt daarin een aantal constanten: surrealisme, beeldend kunstenaars (meestal video-artiesten, vaker wel politiek geëngageerd dan niet), kunstcritici, dichters (minder vaak geen Amerikaan dan wel) en hip-hop en rap. Wie op basis van die lijst echter verwacht te worden ondergedompeld in een reeks expressies van Sturm und Drang, vergist zich. Buser observeert, reflecteert en noteert, meestal wat bevreemd en vervreemdend. Anderen blijven op afstand, menselijk contact is ingewikkeld, het decor is overwegend stedelijk, de stijl een wat stamelend parlando.

Mogelijk gaat het hierbij niet eens om ‘stijl’ in de gebruikelijke zin van het woord. Evenals bij een aantal kunstenaars die Buser noemt, zouden zijn ‘dingen van taal’ wellicht moeten worden bezien, letterlijk bekeken, als ‘dingen’. Dit gaat dan zelfs voorbij abstractie, waaronder altijd nog een herkenbare vorm uit de werkelijkheid aanwezig blijft (vergelijk de ontwikkeling die Mondriaan doormaakte). Maar helemaal sluitend krijg ik dit niet. Te vaak dringen daarvoor in deze bundel stemmen, beelden en namen van anderen door, waarop Buser in zijn teksten lijkt te reageren. Dit wordt problematisch wanneer je de dingen vanuit het perspectief van oorspronkelijkheid benadert (wat ik graag doe) en me dan afvraag of, àls ik hier als lezer de ontmoetingen van Buser met weer anderen ontmoet, ik specifiek die aandacht zou moeten geven en niet de (nergens vastgelegde) ontmoetingen van anderen met mogelijk dezelfde stemmen, beelden en namen? Met andere woorden: hoe noodzakelijk is het om deze bundel een status aparte te verlenen binnen de overvloed van stemmen om ons heen? Ik kom hierop terug.

Evenals Buser’s debuutbundel Club Brancuzzi is ook Opgeslagen locaties duidelijk gecomponeerd. Naast de techniek die ons leven omvat of omkneld houdt (specifiek de digitale wereld, getuige titels als ‘Fwd:’, ‘Re:’, ‘Kijkgeschiedenis’ en ‘Eindeloos scrollen’ en uiteraard de titel van de bundel ‘Opgeslagen locaties’, maar ook de film die de waarheid en werkelijkheid voor altijd zou moeten vastleggen) is Buser’s thematiek vooral die van het (on)mogelijk herinneren, de (falende) herneembaarheid van het ooit en de fundamentele eenzaamheid die het individu daardoor ten deel valt:

Schaal

De bergtop past in het busraam
Wat ik weet is kijken, denken, raden
De gids en ik zijn vloeiend in andere talen, ze glimlacht

me door elkaar. Ik heb een panoramafoto
gemaakt waar ze per ongeluk op staat, gezicht
richting een derde, maar hoelang zijn

wenkbrauw, oor, halve neus en oog genoeg
om me alles weer te herinneren, voor vandaag nog
Buiten zijn velden, rotsen, tankstations

Ik zal onthouden hoe helder de dag leek,
al hingen mijn armen in het uitzicht
Ze gaf me een plattegrond en de vangrail smelt

[p. 53]

Dit gedicht is overigens de enige plek in de bundel waarin elementen uit de natuur (bergtop, velden, rotsen) een rol spelen, maar door ze in waarneembaar gezelschap van busraam, tankstations, plattegrond en vangrail te plaatsen, maakt de dichter ze meteen onschadelijk. Ze blijven beperkt tot facetten van zijn blik om zich heen, waarbij ‘onthouden’ en ‘herinneren’ eveneens prominent in beeld worden gebracht. Kenmerkend is de glimlach van de vrouwelijke gids, die de ik in verwarring brengt (‘ze glimlacht / me door elkaar’). Juist op het moment dat het contact vanwege hun verschillende talen (‘vloeiend in andere talen’) onmogelijk lijkt, wordt dat doorbroken door de universele lichaamstaal van de glimlach, die de ogenschijnlijke veiligheid van de afzonderlijke posities aan het wankelen brengt (‘de vangrail smelt’). Toch leiden de zinnen (wel begonnen met een hoofdletter, maar nergens afgesloten door een punt) niet tot een eenheid: het blijven flarden, waardoor de lezer steeds wordt geconfronteerd met de fragmentatie van het geheel, alsof dat geheel geen werkelijk te beleven samenhang is, maar uitsluitend kan worden ervaren in een gemengde collage van zien en herinneren.

De dichter laat zich ook documentair vastleggen tijdens zijn werk:

Montage

De menigte is een beeldenpark,
ogen, armen, barsten, graffiti

Laat me toch de dag uit en in
elkaar schroeven, zoals ik dat wil

Welke andere machine accepteert
bij elkaar geraapte tandwielen?

De menigte wordt een statische vacht
Passeren knettert. Ik volg

opstijgende vonken. Bevries
Grove wolken laten hun voegen zien

[p. 12]

Door de menigte te beschrijven als ‘een statische vacht’ (wie kent niet dat natuurkundeproefje van de middelbare school) en met ‘Passeren knettert’ de daarop volgende ontlading aan te geven, wordt een spanning tussen ‘ik’ en ‘de anderen’ gesuggereerd. De ‘opstijgende vonken’ passen echter eerder bij een kampvuur en ‘Bevries’ is een consequentie van het zich begeven op grote hoogte in de atmosfeer. Ook dit is weer eerder een collage dan een reis en door ‘voegen’ in de ‘grove wolken’ kijk je opnieuw eerder naar een geconstrueerd geheel dan naar een meteorologisch verschijnsel. Is dit een – wat opzichtige – manier om de weg naar een per abuis te ervaren metafysica te versperren? De titel ‘Montage’ doet dat inderdaad vermoeden. ‘Laat me toch de dag uit en in / elkaar schroeven, zoals ik dat wil’. Inderdaad, ‘zoals’, maar het ‘waarom’ of desnoods het ‘hoe’ blijft achterwege. Zo beschouwd kan het een bezigheid voor iedereen zijn en misschien is dat dan ook wel de bedoeling.

Het beschrijven van de ‘dag’ als een machine met tandwielen doet niet alleen denken aan de kinetische installaties van Tinguely (waaraan Buser verderop in de bundel nog een gedicht wijdt), maar past ook bij de stroming van de Italiaanse futuristen, met name Luigi Russolo met zijn intonarumori (lawaaimachines). Waar Apollinaire de taal moedwillig overhoop gooide om zich te kunnen bevrijden van met name het traditionele begripsapparaat, wierpen Russolo en zijn bentgenoten een nieuwe esthetiek in de strijd, vooral gebaseerd op snelheid, techniek en industrie, die ze als fundamenten van de nieuwe, vrije en vooral beperkingsloze mens wilden inzetten. Het ‘slopen’ van de werkelijkheid als dagelijkse ervaring, het omvormen van de brokstukken en het daarmee construeren van een nieuwe realiteit zou je kunnen zien als paradigma voor het bereiken van het ‘geheel andere’.
Maar dat doet Buser niet. Hij plakt woorden op een wit vlak, sommige plakt hij af, andere verschuift hij en vervolgens gaat hij terzijde van het geheel staan. Op deze manier krijgt Opgeslagen locaties het karakter van een tentoonstelling, nee een klein museum, waarvan de conservator helaas onbereikbaar is voor commentaar.

Maarten Buser bepaalt als dichter zijn plaats in het slotgedicht:

Mond

Ik ben het zat om te leven als
een opgeprikte vlinder

Soms stuiven er anderen in me op,
zie ik mezelf in vreemde

autoruiten. Het is oké
Ik kan een parachute zijn,

een gerucht, misschien
een compositietekening

Ik ben een begin
Dat is in orde

[p. 57]

Hoe levend is een opgeprikte vlinder? Wie is de dichter als scheppend kunstenaar wanneer hij zijn bundel uit wandelt met ‘Ik ben een begin / Dat is in orde’? Nooit komen we Buser enigszins nabij, hoogstens in plotselinge en kortdurende reflecties in een winkelruit of autospiegel. Dat kan een keuze zijn van de auteur, maar als lezer mag ik daar iets van vinden. Hoe autonoom is een kunstwerk wanneer het lijkt te bestaan uit reeksen woorden die de dichter afschudt van zijn huid? Is er überhaupt sprake van een kunstwerk wanneer onbepaald blijft waar de reflectie van Buser op een werk of kunstenaar uit de hierboven genoemde reeks overgaat in wat hij zelf gerangschikt, ervaren of bedoeld heeft? En wat te zeggen van de voornamelijk cognitief bepaalde ‘ingangen’ die nodig zijn voor dit werk?

Wellicht leidt het tot niets wanneer ik onderscheid wil aanbrengen tussen ‘toevallige’ woordverzamelingen en composities, aangezien geen enkel gedicht het resultaat is van het woord voor woord plaats geven aan taal, maar vrijwel altijd het product is van het ‘iets laten staan’ na vele keren schrappen en aanvullen. Toch wil ik dat. Ook de vraag naar persoonlijke originaliteit is op de keper beschouwd weinig vruchtbaar: op een opzettelijk bedacht neologisme na is ieder woord een dichter op de een of andere manier geschonken of aangereikt. Desalniettemin stel ik de eis van persoonlijke oorspronkelijkheid. De dichter moet mij als lezer ertoe dwingen om op weg te gaan over de door hem gemarkeerde route in de wereld, de werkelijkheid, desnoods het transcendente. Hij moet zichzelf die ene stem tussen de vele maken, maar dat komt uitsluitend tot stand wanneer hij zelf de benodigde schijnwerpers richt.

Het uiteindelijke – blijvende – bezwaar dat ik tegen deze soort poëzie heb is dat de taal zich nergens vasthaakt in je brein of dat je ernaar terugkeert om te proberen de grond voor betovering op het spoor te komen. Dit type teksten blijkt onder de streep te weinig uitgesproken en te algemeen om blijvende herkenbaarheid te winnen, je kunt er simpelweg teveel kanten mee op en daarmee kom je er uiteindelijk nergens mee.

Na beschouwing en analyse houden ze niet meer dan curiositeitswaarde, net zoals de lawaaimachines van Russolo of de kinetische installaties van Tinguely (‘Helaas kunnen de getoonde werken / niet constant in bedrijf zijn’ (Tinguely, p. 35)) en maakt slijtage en materiaalmoeheid ze uiteindelijk onbruikbaar. Maar misschien zit ik er – volkomen begrensd door voorliefde, dieet en ontbreken van dreamcatchers – wel helemaal naast en kan ik me beter richten naar wat Walt Whitman in Leaves of Grass al schreef: ‘I am a man who, sauntering along without fully stopping, turns a casual look upon you and then averts his face, / Leaving it to you to prove and define it, / Expecting the main things from you.’ (Poets to come, rr. 7-9).

Wat in elk geval overeind blijft is de fraaie, gebalanceerde vormgeving van de bundel – chapeau Vleugels! – en het goddank ontbreken van geëxalteerde reclameteksten op de achterflap.
____

Maarten Buser (2025). Opgeslagen locaties. Uitgeverij Vleugels 63 blz. € 23,95. ISBN 9789493350328

     Andere berichten