LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Bloemlezing – Er hangt iets van lente in de klas…

12 dec 2025

Schatkist voor iedereen die ooit onderwijs heeft genoten

door Jac Janssen




Ergens in deze schier eindeloze bloemlezing staat een vers van een dichter die ooit in Tirade heeft gepubliceerd maar van wie alleen zijn initialen en achternaam bekend zijn. Dat kun je tragisch vinden, maar het zegt iets over het spitwerk dat de samenstellers Theo Magito en Henk Sissing in deze bijzondere uitgave hebben gestoken, waardoor dit gedicht toch deze selectie heeft gehaald. Dat kan alleen maar, denk ik, als je ook een enorme liefde koestert, of beter twee liefdes: voor het onderwijs én voor de poëzie. Magito was onder andere inspecteur voor het basisonderwijs en schoolpsycholoog; Sissing vervulde allerlei bestuursfuncties in verschillende onderwijslagen en noemt zich ‘onderwijsliefhebber’. Ze deden dit niet alleen maar kregen hulp van vele anderen. En al die liefde en toewijding die in dit boek samenkomen, zijn aan het resultaat af te lezen.

Even dacht ik nog, toen ik de kloeke bundel uit de doos haalde: wat is hier de bedoeling van? Onderwijsgedichten: wat zijn dat en wie leest zoiets? En dan zoveel! ‘Er hangt iets van lente in de lucht’, die titel kennen we toch ergens van? Juist, van Han Hoekstra, zo lees ik in de ‘Verantwoording in korte paragrafen’. Terugbladerend zie ik de opdracht van de samenstellers: ‘aan eenieder die werkt of gaat werken in of voor het onderwijs’. Ik hoor dus niet tot de directe doelgroep. Maar wees gerust, al snel genoeg blijkt: deze keuze uit 800 jaar onderwijsgedichten is niet alleen bedoeld voor onderwijzers en docenten. Dus al koos ik ooit bewust ervoor om niet in het onderwijs te werken, voor mij valt hier toch veel te genieten.

De inleiding en verantwoording zijn alvast prettig geschreven en verhelderend. Zoals deze notitie: ‘De gedichten tot 1500 zijn hertaald door mediëvisten en tot 1800 zijn de hertalingen van de gedichten gecorrigeerd door (oud-) leraren Nederlands.’ Onder het kopje ‘Wat maakt een gedicht goed?’ wordt het gelijknamige boek van Meander aangehaald (samengesteld door onze coördinator en redacteur Alja Spaan): ‘Wat de een een vreselijk gedicht vindt, spreekt de ander juist aan.’ Kijk, daar kun je mee verder als lezer.

Zo wordt al snel duidelijk dat de samenstellers dit boekwerk tot in de puntjes hebben verzorgd en tot het uiterste zijn gegaan in hun naspeuringen en bronnen. De indeling is chronologisch, elke afdeling wordt beknopt en zonder jargon ingeleid. Van iedere dichter is, voor zover bekend, een mini-cv opgenomen. Die van Jacob Cats (1577 – 1660) begint bijvoorbeeld zo: ‘Jacob Cats was een Nederlandse dichter, jurist en politicus. Hij is ook bekend als Vader Cats, vanwege zijn veelal didactische gedichten (zoals de frase Kinderen zijn hinderen, zei vader Cats).’ Die zin hebben mijn kinderen misschien net iets vaker gehoord dan dat ze het grappig vonden, vrees ik.

Toen ik eenmaal gedichten begon te lezen was het laatste restje reserve direct verdwenen. Het eerste gedicht is een fragment uit Floris ende Blancefloer, in de 13de eeuw opgetekend door Bruggenaar Diederic van Assenede. Wat troffen mij deze liefelijke verzen tijdens het vak Middelnederlandse letterkunde toen ik Nederlands studeerde! En weer raakt mij hun charme, dwars door acht eeuwen geschiedenis heen. Als Floris hoort dat hij naar school wordt gestuurd, reageert hij zo:

“Soete heere,” seit hi, “en mach niet wesen.
In sal moghen scriven no lezen
no der leringhen niet verstaen,
ghi en doet Blancefloere met mi gaen.”’

Deze jongen gaat alleen naar school als zijn vriendin ook mag schoolgaan.

Alle Middelnederlandse teksten hebben als gezegd een hertaling op de naastliggende pagina, dat maakt ze toegankelijk voor de huidige lezer. Ik zou de doelgroep voor deze verzameling graag willen uitbreiden tot ‘eenieder die zelf onderwijs heeft genoten.’ Ook als je geen Nederlands hebt gestudeerd. Wat een schatkamer!

Natuurlijk vinden we veel stichtelijke en zeden-bevorderende verzen vol overijverige schoolkinderen die gloeien van de leerzucht. Of juist belhamels die liever buiten spelen en kattenkwaad uitvreten. En meesters (meestal mannen in de vroegere eeuwen) met strenge blikken die de arme kinderen de stuipen op het lijf joegen en met ‘plakken’ om linkshandigheid uit je vingers te meppen. Er komen kinderen aan het woord die niets liever dan naar school wilden. En anderen, ook volwassenen, die vinden dat je pas echt iets leert van het leven zelf en niet uit de boeken.

Ook bij mij heerst het vooroordeel dat de 19e eeuw braaf en burgerlijk was, maar kijk eens hoe fris, actueel en krachtig de korte verzen van Nicolaas Beets (1814- 1903, ook bekend als Hildebrand) nu nog klinken:

WAT WILT GIJ VAN UW KIND?

Wat wilt gij van uw kind? Een Mensch, geschikt voor ’t Leven?
—–    Een goed gereedschap voor een werkkring, voor een ambt?
—–    Wat deze noodig is, moet haastig ingestampt;
Wat gene, als een zalf, geduldig ingewreven.

Het gedicht van Josua Hendrik Duisdeiker LZ (1814 – 1881) is getiteld ‘De blijde tijding’. Een kind dat moet nablijven reageert anders dan je misschien verwacht:

‘Gisteren zei de Meester mij:
‘’k Moest nog even blijven!”
En waarom? .. dat raadt ge niet!
Ik krijg les in het schrijven!”

Dolgelukkig dat hij mag nablijven om te leren schrijven. Altijd fijn wanneer een vooroordeel wordt doorgeprikt.

Zo verloor ik me al snel in het lezen van het ene na het andere gedicht. Daarin is het zeker niet allemaal jubel en leergierigheid. Neem dit geestig puntdicht iets verderop van de (mij onbekende) dominee-dichters uit dezelfde eeuw, Eliza Laurillard (1830 – 1903):

EEN SLACHTOFFER VAN TAALMIN

Een ‘hoofd der school’ stortte in het water
—–      En wilde een noodkreet slaken ook,
Maar was in twijfel, wàt te roepen,
—-      –Terwijl hij al meer onderdook.
Zou ‘t ‘Help!’ zijn? Of was ’t meer taalkundig,
—–      Te roepen: ‘Hulp!’? – Een moeilijk iets.
En midd’erwijl verdronk de meester;
Want door dien twijfel riep hij niets.

Wat voor dit fatale geval van taaltwijfel niet geldt, toch wordt het in de negentiende eeuw naar mijn smaak geregeld wat braafjes, met al die hommages aan meesters en zoete of juist verveelde herinneringen aan de eigen schooltijd. ‘Welkomstgroet aan den schoolopziener’, ‘Afscheidsgroet bij het verlaten der school’. Het is dan soms alsof je als liefhebber van moderne dans belandt in een ellenlange uitvoering van het Zwanenmeer door een degelijk ensemble uit een Oostblokland waar al decennialang bezuinigd wordt op nieuwe kostuums. (Niets ten nadele overigens van Tsjaikovsky noch van onze Oost-Europese broedervolken.)

Maar gelukkig was ook in die burgerlijke tijd, toen het woord ‘burgerlijk’ nog een veel frissere klank had dan de laatste pakweg honderd jaar, niet iedereen even braaf of politiek correct. ‘Zulke domkoppen!’ is een veelzeggende titel van een vers van onderwijsvernieuwer Jan Ligthart. En waarom zou je ook de chronologie volgen? Dus grasduin ik vrolijk kriskras verder. En stuit voortdurend op allerlei mooie en verrassende verzen, vaak van mensen van wie ik nooit eerder had gehoord. Daar zitten echt mooie kennismakingen bij. En hoe dichter bij de moderne tijd, des te gevarieerder en boeiender het voor mij wordt. Er zitten heus ook flauwe versjes uit recente tijden bij die in mijn ogen als enige verdienste hebben dat ze over een onderwijssituatie gaan. Maar dat weegt totaal niet op door de overvloed aan gewoon mooie verzen, ontroerende gedichten en cabareteske grappigheid.
Zo werd ik het ene moment opgevrolijkt door het scherpzinnige gerijmel van Drs. P., om daarna onverhoeds in dit volgende gedicht terecht te komen:

DIE JONGEN VAN MIJN KLAS

Die jongen van mijn klas, arm als een raaf
met in de winter blauwbevroren handen,
ik ken zijn naam niet meer – het is een schande –
voor hem schrijf ik te laat dit epitaaf.

We meden hem. ‘k Heb nooit echt met hem gespeeld.
Hij woonde in Volsem… in de beemden. Dagen
bleef hij soms weg, want thuis werd hij geslagen.
Het heeft op Sinterklaas geen haar gescheeld,

of hij verhing zich in een elzenhaag.
Hij stierf van tering. Ook de meester schreide.
De hele klas deed hem toen uitgeleide.
Ik mocht hem graag. O ‘k heb zo’n spijt vandaag.

Wat een dreun: hartverscheurend. Ik had niet eerder gehoord van de Vlaamse dichter Jan van den Weghe (1920 – 1988). Dat ik nu dit vers ken is maar een van de vele verdiensten van deze bundeling.

Het is ondoenlijk om een complete indruk te geven en dat is ook niet nodig. Dit boek is vooral een mêr a boire voor de liefhebber van ouderwetse poëzie, die toch ook nog in mij blijkt te schuilen, én evengoed van de moderne. Want naarmate we dichter bij het nu komen wordt de keuze ook breder, de twintigste en begin 21e eeuw krijgen 500 van de 800 pagina’s toebedeeld. Ook de diversiteit groeit mettertijd. Nederlanders, Vlamingen, Surinamers, dichters van Curaçao, Arubanen, pedagogen, leraren, gewezen leerlingen, zusters, nonnen, dominees en pastoors en theologen, journalisten, cabaretiers (wie kent Wim Kan nog?), historici, sociologen, psychiaters, vertalers, vele pagina’s Willem Wilmink maar ook Karel Eykman (Klokhuis, Sesamstraat); ze komen allemaal voorbij. Zo verras ik mezelf door gedichten mooi te vinden van dichters van wier werk ik dacht niet te houden, en andersom verzen van dichters die ik ooit bijna aanbad (Lucebert!) nu aanstellerige wartaal te vinden. Om dan weer vermaakt, geroerd, of getroost te worden door weer een ander vers. Ik citeer er een van Johanna Kruit (geboren 1940):

NA SCHOOLTIJD

Ik doe mijn ogen op een kiertje dicht.
De wolken zeilen hoog voorbij. Ik lig
languit. Gras kriebelt mijn gezicht.

Ik denk aan dingen die ik nog niet weet.
Hoe bloemen bloeien, hoe een vogel leeft
en waarom water van de zee beweegt.

Er komt een vlinder even zitten op een bloem.
Ik plaag hem met het puntje van mijn schoen
en sta weer op: ik moet nog huiswerk doen.

Buiten het pure genot van het lezen biedt deze enorme verzameling thematisch gekozen verzen ook allerlei praktische mogelijkheden, zoals onderzoeken hoe de dingen zijn veranderd in de loop van de eeuwen. Zo’n historische verzameling nodigt uit tot vergelijken. Je kunt je leerlingen allerlei opdrachten geven om verschillen en overeenkomsten tussen nu en toen te vinden. De vertederende leergierigheid van de kinderen uit vroeger tijden heeft misschien plaatsgemaakt voor opstandigheid, verveling en onverschilligheid, zou je zeggen; maar is dat wel zo? Welke veranderingen zijn er te zien in de gezagsverhouding leraar – leerling? Op welke vakken lag de meeste nadruk? Hoe ging men om met gender en klasse, kreeg iedereen gelijke kansen? En is dat nu eigenlijk zo? Elke sectie Nederlands zou een exemplaar moeten bezitten, evenals elke basisschool. Het is een rijk en veelzijdig instrument om kinderen en jongeren op een speelse manier in aanraking te brengen met poëzie in de volkstaal door de eeuwen heen.

Tot slot nog een vers waarvan ik de voordracht al vele malen heb gehoord. Dit omdat mijn vrouw, tot voor kort werkzaam op een mbo, er maar geen genoeg van kan krijgen. Nu lees ik het ook eens in druk:

DE KLAS

Ze zeggen dat je goed moet differentiëren
Zodat elk kind op zijn niveau kan leren
Met die gedachte kijk je treurig door het vensterglas
Je hebt meer leerlingen met rugzakje
Dan rugzak in de klas:

Leerling 1 moet ieder uur naar de wc
Leerling 2 ook, maar dat heet ADHD
Leerling 5 kan nog niet tellen
Leerling 4 kan nog niet spelen … spellen!
Leerling 5 heeft last van kopieergedrag
Leerling 6 heeft last van kopieergedrag
Leerling 7 is een hoogbegaafde nerd
Leerling 9 praat voortdurend voor z’n beurt
Leerling 8 kan soms het tempo nog niet aan
Leerling 10 kan je nadiekepassetaan
Leerling 10 kan je na driekepasvertaan
Leerling toen kan je na drie keer pas verstaan!
Leerling 11 is veganistisch opgevoed
Maar bijt een ander kind graag tot het bloedt
Leerling 12 heeft imposante bloemkooloren
Leerling 13 lijkt met ongeluk geboren
Leerling 14 is autistisch
Leerling 15 terroristisch
Leerling 16 … is normaal?
Zelfs geen curieuze kwaal
Niet te mager, niet te zwaar
Ouders zijn nog bij elkaar
Heeft z’n huiswerk altijd af
Nooit gedoe en nooit eens straf
Dus je maakt je steeds meer zorgen om dat kind…
Of hij in de klas aansluiting wel vindt
Het is fijn dat leerling 17, ‘de schele’
Soms ‘Ik zie wat jij niet ziet’ met hem wil spelen
Leerling 18 heb je nog niet eens gezien
Je vraagt je zelfs af of hij wel bestaat
Zeker omdat leerling 19
Soms met een denkbeeldig vriendje praat
Leerling 20 knuffelt graag maar ruikt niet fris
En Priscilla vindt dat zij geen nummer is

Je zucht, je wil best onderzoeken
Hoe je desnoods zonder boeken
Toch wat leren kunt aan dat gespuis
Maar je maakt je altijd zorgen
Om een leerling of om morgen
Dus je neemt je werk weer mee naar huis

En je hoort ze telkens zeggen ‘Laat het los
Want op deze wijze ben je zelf de klos’
En dan hebben ze in theorie gelijk
Maar het werkt gewoon niet zo in de praktijk
Je bent
Docent

Wat er met leerling 3 aan de hand is, mag een raadsel heten waartoe enkel de dichter Theo Danes de sleutel bezit; het is hoe dan ook geen omissie van de samenstellers.

Mijn conclusie. Voor iedereen die naar is schoolgegaan valt in deze prachtig uitgegeven bundel (gebonden met niet één, maar twee leeslinten!) zoveel te genieten, dat hij wat mij betreft nog vaak zal worden opgepakt. Ook als je niet uit schoolfrikkenhout gesneden bent. ‘Behoud het nationaal onderwijsmuseum!’, staat in het LinkedIn-profiel van medesamensteller Henk Sissing waar een ander zijn beroep of functie vermeldt. Deze bundel herbergt binnen zijn kaften al een waar museum. Hulde!
____

Bloemlezing (2025). Er hangt iets van lente in de klas… Nederlandstalige onderwijsgedichten vanaf de dertiende eeuw tot nu. Redactie Theo Magito & Henk Sissing. Uitgeverij Noordboek, 877 blz. € 39,90. ISBN 9789464713305

     Andere berichten

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Een relatie die niet kon blijven bestaan door Yolandi de Beer - - Ellen Deckwitz (1982) is een van de meest toonaangevende stemmen in de...