LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

De eerste honderd (10-slot)

30 dec 2025

door Wim van Til

 

1975 was het jaar van de viertjes en de vijfjes, en van de verzamelde gedichten. Op de planken van mijn boekenkast verblijdde ik de bundels met mijn vierde Gust Gils (drie partituren) en de vierde Gerrit Kouwenaar (autopsie/anoniem). Van Rutger Kopland kocht ik Een lege plek om te blijven. Dat was de vijfde! Ook Lucebert trad toe tot de “club van vijf”; zijn verzamelde gedichten in die stevige cassette met dat prachtige deel varianten was extra bijzonder: het bracht mijn totaal aan bundels verzamelde gedichten op zestien. De twee delen Hans Lodeizen (Het innerlijk behang en Nagelaten gedichten) tel ik maar niet mee. Het was ook het jaar van de series; de cijfergedichten en de Seismogramreeks heb ik al eerder genoemd. In 1975 ging ik meer op zoek naar fondsen, zoals bundels uitgegeven door Paris-Manteau en UM Holland. Gelukkig voor mij werden bundels uit die fondsen als moeilijk verkoopbaar in de uitverkoopbakken gestopt. Daar werden ze door mij weer uit bevrijd. Bijvoorbeeld op 24 januari van dat jaar toen ik maar liefst 8 bundels voor een prikkie aan mijn poëziekast kon toevoegen. Daar zat ook mijn vijftigste bundel tussen: Froukje Hoekstra, Langs de verte reizen. Iets meer dan 2 weken later voegde ik daar nog eens 4 dichters/titels aan toe. Die waren niet in de uitverkoop gekocht, maar van mijn verjaardagsgeld: Jan Emmens, Lucebert (de cassette die ik eerder noemde), Willem Jan Otten (Het keurslijf) en Ellen Warmond (Uitzicht op inzicht).

Die laatste bracht mij op een heerlijke manier in verwarring, dit was andere poëzie dan ik tot nu toe las. Soberder, sceptischer, rechtstreekser. Zoals het eerste gedicht:

“Hoe maakt u het?

Tijd stelt niets voor
een mens nog minder
het hardste ijs kan smelten
zoals een granieten bergwand
ook langzaam verbrokkelt verbetert
het inzicht in onze toestand:

duurzaam is alleen
de verwarring.”

Zij was niet de enige die mij dat jaar bijzonder aansprak. Ook uit de bundel van Jan Emmens, Gedichten, heb ik een gedicht heel vaak geciteerd. Dat doe ik nu nog eens (de cursivering is van mij):

“Vogel

De bomen kregen een betekenis
die zij nog zacht gebarend wilden weren,
maar ’t noodlot was niet meer te keren:
een vogel streek klapwiekend in de wildernis
van takken neer en nu hij roerloos zit
(het licht wordt zo benauwend wit),
denk ik aan dood, verrotte geur van blaren,
hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats …
Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren,
en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?

Ik moest bij die laatste zinnen destijds sterk denken aan die andere zinnen, van Slauerhoff: “Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, nooit vond ik ergens anders onderdak“. Ik leerde pas later, dat hij (Jan Emmens) aan depressies en angsten leed; in 1971 maakte hij een eind aan zijn leven. Op 12 december, 3 dagen later kocht ik mijn eerste bundel, Voorbij de laatste stad. Maar goed, toen ik de geciteerde gedichten las, was het pas februari. Er moest nog veel gebeuren. In maart en april kocht ik ruim in, respectievelijk 12 en 4 bundels. Ongetwijfeld had ik in die periode weer uitzendwerk gevonden. Mei was dat jaar mager, slechts 1 bundel voegde ik toe aan de strekkende meter poëzie, maar die was wel van een bijzonder gehalte. Het was mijn kennismaking met (de poëzie van) Cees Nooteboom. In Gemaakte gedichten bundelde hij zijn eerste vier bundels in omgekeerde chronologische volgorde voorafgegaan door nieuw werk. Die “vondst” vond ik opmerkelijk en eigenlijk ook wel juist. Je leert iemand kennen in het heden en beetje bij beetje volgt de weg die hij ging voor je hem kende.

Er zat wel veel dood in die gedichten, vooral de oudere, uit 1956 en 1959; dat sprak mij toentertijd erg aan, vermoed ik. Mijn studie Nederlands aan de universiteit wilde niet lukken, veel nieuwe vrienden had ik in Utrecht niet gemaakt, ik was vaak alleen met mijzelf op mijn zolderkamer. Gelukkig waren er gedichten en vaak bevatten die een helderheid die inzicht bracht. Dus kwam er na een avond, na een nacht vol poëzie weer gewoon een nieuwe dag.

“De kapitein van de vlinders

3.
Dit is de achttiende dag.
Zwaaiend aan zijn vleugels, in de gewelven,
in de verterende stilte
slaat hij de vernietiging gade.

Hij bootst de bewegingen
van een schepping na.
Zo zwaaien er duizenden.

Hij zegt: als ik maar één keer iemand kon doden,
iemand maken.

Werkelijkheid is de grootste besmetting.”

Er was natuurlijk ook veel te genieten in Utrecht, dus de maand juni bracht mij opnieuw veel bundels, elf dit keer. En het ging nog even door ondanks vakantiewerk in het afgelegen Baarland, intern in de uienfabriek: juli vier, augustus twee. Terug in Utrecht waar ik aan de lerarenopleiding begon in september en dat vierde met vier stevige bundels op dezelfde dag gekocht: (Verzamelde) gedichten van Ed Hoornik, Michel van der Plas en J. Slauerhoff. En de Nagelaten gedichten van Hans Lodeizen. Ik naderde de honderd, maar kan me niet herinneren dat ik daar toen bij stilstond. Zoals ik toen ook niet nadacht over de verhouding man/vrouw.
In oktober kocht ik mijn (pas) achtste bundel geschreven door een vrouw: Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min. En nog eentje: Gabriël Smit, Gedichten.
Ik moest geld sparen voor een bundel die ik ab-so-luut hebben wilde.
Nu weet ik dat het mijn honderdste was, toen was het mijn mooiste aankoop-op-één-na: Jan Elburg, Gedichten 1950-1975. Met dat weergaloze gedicht

“Willen

Ik neem mijn buik op en wandel,
ik heb mijn ogen open,
ik heb mijn borst als kennisgeving aangeslagen,
ik zou die pijnboomhouten paal in mij
vertikaal willen treffen met licht:
een lang lemmet licht om de dagen te turven.
Ik zou een rood totem willen snijden
waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert,
een beeld voor alledag, waaraan de vingers leven.
Ik heb te nemen.

Ik zou een mens willen maken uit wrok
en afgeslagen splinters: een winterman
met een gezicht van louter ellebogen.
En bomen zouden stampen bij zijn langsgaan
en had hij één minuut te leven,
rood zou hij zijn en rood van kindertranen
en rood.

Ik pak mijzelf als altijd weer tezamen,
ik zie het water aan,
ik neem mijn hongerige maag en wandel,
ik zie een eetsalon voor twintig standen:
wanden zijn er genoeg; hij vloekt
van een doorvoeld gemis aan ramen.

Luister toch wat ik zeggen wou:
in Florida schildert men negers zwart,
in Florida schilt men negers
en Spanje stinkt van het bloed.
Ik wou van mijn lijf een Korea maken,
ik wou mijzelf zijn beneden mijn middenrif,
ik wou een vlag zien kiemen uit een zaadje.
Ik zal het kiemen zien.”

 

1.31 meter poëzie, de eerste honderd bundels op een rij

 

     Andere berichten

Mens en gevoelens (1)

door Ko van Geemert   In 1988 begonnen Paul Haenen (dominee Gremdaat, Margreet Dolman) en zijn vriend, man, partner, compagnon Dammie...

Lezen in de oorspronkelijke taal.

door Hans Franse   In de februarimaand van 1882 kwam in Dublin James Joyce ter wereld. Ik heb over deze schrijver niets gehoord op de...