LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Pieter Boskma – De stiltevariant

22 dec 2025

Varianten van rouw, troost en liefde

door Taco van Peijpe




De thema’s dood en rouw, die veel van het latere werk van Pieter Boskma (1956) beheersen, keren veelvuldig terug in deze zeventiende bundel van zijn hand. Dat maakt deze poëzie echter niet tot sombere lectuur. Troost, aanvaarding en liefde spelen een rol en ook andere onderwerpen komen aan de orde.

De bundel is ingedeeld in zes genummerde afdelingen van ongeveer gelijke omvang. Opvallend zijn de grote verschillen in stijl die sommige gedichten laten zien. Naast vrije verzen in spreekstijl komen traditionele vormen voor als kwatrijnen in vast metrum met vol eindrijm, een koppel minimalistische gedichten in haiku-stijl, een gedicht in de vorm van een ballade en een sonnet dat zou passen in een bundel van Perk of van Gorter, die in deze bundel meermalen geciteerd wordt. Dat sonnet, getiteld ‘HET GEMIS’ begint als volgt: ‘Het gemis van het levend gezicht van de schoonheid, / van schoonheid het blozend beweeglijk gezicht, / van de mond die nog ademt en muziek verspreidt, / van de ademmuziek het zich spreidend gemis.’

Vaak heeft de dichter afgezien van duidelijke patronen in klank- en ritme, zodat de gedichten veel op proza lijken. Wel zijn de teksten ingedeeld in regels van bijna gelijke lengte en soms ook in strofen. Poëzie ontstaat daarbij dankzij bijzondere beelden, wonderlijke inhoud en dichterlijke taal. Deze oprechte poging om zonder uiterlijk vertoon gevoelens op de lezer over te brengen verdient waardering, maar vergroot ook het risico dat de lezer het gedicht niet verstaat nu een ondersteunende muzikale begeleiding ontbreekt. Ik moet bekennen dat ik bij het lezen van de nogal prozaïsch aandoende teksten vaak het gevoelselement miste dat de dichter er vermoedelijk in heeft willen leggen.

Het taalgebruik zweemt soms naar dat van oudere schrijvers als Couperus, bijvoorbeeld: ‘een specht (…) groengeelrozig wolvend door de onschuldbossen van mijn taal’, ‘de door lammergieren omzoomde poel des doods’ en: ‘vloeibare smaragden die langs robijnwangen gaan’.
Boskma laat zich niets gelegen liggen aan mode of drang tot vernieuwing (al maakte hij ooit deel uit van de Maximalen), het gaat hem om de weg naar de lezer:

DE WEG (NAAR DE LEZER)

Om te zeggen dat het hard gezegde
beter klinkt maar minder zegt
zou doeners tekortdoen
die op de barricades klommen.

‘Het is een aardige jongen, maar hij
moest niet zo schreeuwen,’ zei Gerrit
over Simon, en ik zei: ‘Dat is waar,
mits er niks te schreeuwen valt.’

Er wordt ook wel gefluisterd dat
er veel te veel gefluisterd wordt,
die valse onverstaanbaarheid
staat blijkbaar altijd nog vooraan.

Ik zing er maar wat tussenin
waar mijn lied de weg is
die gelukkig domweg
voert tot U, tot U.

Onberoerd door het omringende rumoer en gefluister zingt de dichter in de laatste strofe zijn eigen lied, met een knipoog naar het ‘domweg gelukkig’ van Bloem.

Even toegankelijk en onopgesmukt is het volgende gedicht.

ONTDAAN VAN HET GEDANE

En als het werk gedaan is, dacht ik,
wat als het werk gedaan is
en het stil wordt –

Er stond een emmer in de tuin
half gevuld met regen.
Ik zag het werkeloos aan.

Ontdaan van het gedane
wist ik niet meer goed
wat ik met die emmer aan moest.

Ik liep naar buiten en gooide hem leeg.
Hoewel ik die dag verder niets had volbracht
volgde korte, diepe zalige bevrediging.

Drie strofen tekenen mismoedigheid na een inspanning zonder bevredigend resultaat. De slotstrofe breng een verrassende oplossing: zonder omhaal en tot zijn grote opluchting ontdoet de werker zich van de drukkende ballast. Het woordspel met ‘ontdaan’ (in dubbele betekenis) en ‘het gedane’ voorziet het gedicht van een luchtige toon.

De meeste gedichten zijn wat moeilijker te vatten, maar meestal ontdekte ik met enige inspanning wel een doordachte constructie. Als voorbeeld neem ik het twee bladzijden beslaande titelgedicht ‘DE STILTEVARIANT’, dat twee verschijningsvormen van stilte tegenover elkaar zet, de ene sereen, de andere naargeestig. De serene stilte heerst totdat een vogel schreeuwt en de naargeestige intreedt, waarna een uil roept en de serene stilte terugkeert. Deze chronologie wordt pas gaandeweg duidelijk. De eerste strofe luidt als volgt: ‘De schreeuw van een vogel in doodsnood / verbrijzelde de stilte. Hij schreeuwde / nog eens en nog eens, hij vocht / voor zijn leven. Toen werd het stil // ‘ De tweede strofe beschrijft uitvoerig de serene stilte die aan de schreeuw voorafging. Het was: ‘(…) een stilte als een kathedraal / waar niemand was dan jij, alleen jouw adem zweefde er langs machtige pilaren, (…)’. Vervolgens vertelt het gedicht dat in deze kathedraal de gebeden, het bladgoud, de heiligenbeelden en bloed van de ‘Verlosser’ er allemaal ‘alleen voor jou’ waren. Het was ‘de liefelijkste aller serene stiltes’. De derde strofe verhaalt hoe de serene stilte na de eerdergenoemde ‘doodsnoodkreten van die vogel’ omslaat in ‘de naargeestigste aller doodse stiltes’, die nog eens wordt afgezet tegen de vorige variant, dit keer in een natuurvergelijking: ‘(…) een lenteavond in de heuvels / bij Siena, wanneer de landwijn vloeit, de lucht / turquoise kleurt en verspreide witte lichtjes / het kobalt bespikkelen van bergen in de verte.’ In de vierde strofe wordt de stilte opnieuw verscheurd door de roep van een uil ‘die blijkbaar zijn prooi had verslonden / (vast die doodsnoodvogel van zo-even)’ waarna de stilte haar ‘aanvankelijke glorie’ herkrijgt. Wie het hoorde ‘(…) glimlachte om hoe snel de aard van het bestaande omsloeg / in zijn tegendeel, gewoon door vogels / in de nacht – en als altijd: de jacht. ‘ (slotregels).

Doordat het gedicht in weerwil van de chronologie begint met de vogel in doodsnood ontstaat een sterk contrast tussen somber begin en positief slot. De stilte wordt gehoord en in varianten ervaren. Idyllische herinneringen worden afgewisseld door doodsangst, die overwonnen wordt dankzij de roep van de uil. De eerste strofe vind ik sterk, maar ik heb wel enkele kritische opmerkingen. De 30 regels beslaande beschrijving van de serene stilte in bloemrijke taal met uiteenlopende beelden doet overdadig aan. Niets geeft aan waarom twee vogelgeluiden zo heftige stemmingswisselingen teweegbrengen. De zojuist geciteerde rijmende slotregel (‘nacht’, ‘jacht’) trekt de aandacht, maar ik blijf zitten met de vraag waarom die aandacht gericht wordt op de jacht, terwijl juist serene stilte is beoogd.

Het volgende gedicht vind ik evenwichtiger en veel beter invoelbaar.

BERGEN

In dit oude dorp, bebost en afgelegen,
zit een enkeling in zelfgekozen ballingschap
te luisteren naar de bomen, in de hoop de stem
te horen die al zo lang zwijgt, en dat zij
als in een voortijd zonder geschiedenis
uit het mompelbos tevoorschijn treedt,
omdat het zo moet zijn dat eenzaam willen
wet is en niemand in het geheim
lang aan een venster hoeft te staan
bij het licht van rouwende sterren,
wachtend op het onweer met zijn ontladingen
die wel helder maar te kort haar gezicht
dat opkijkt door haar steen laat breken.
De bomen, ook alleen, behalve ondergronds,
ontsluieren haar weelderiger en langduriger,
al zo lang tastend in het donker, het vocht,
de rottenis, dat zij wanneer zij oud zijn
gemakkelijk wat neerviel weer tot leven wekken,
net als hun bladeren, en ons optillen en tonen
zelfs als nog maar een enkeling dat eerst wil
en dan ziet.

De rouwende nabestaande in dit gedicht komt niet zelf aan het woord maar wordt van een afstand bezien in zijn zelfgekozen afzondering. Hij zou in een emotionele uitbarsting het gezicht van de verloren geliefde door de grafsteen kunnen zien schemeren, maar dat wil hij niet, hij wekt haar in gedachten weer tot leven. Dit wordt ons duidelijk gemaakt in een mooie compacte natuurvergelijking: ook de bomen zijn oud en eenzaam, maar toch verbonden met wat zich onder de grond bevindt. Uit gevallen blad komt nieuw leven voort. Drie woorden aan het slot vertellen waar het om ging. De eenzaam achtergeblevene vindt in herinnering de troost die hij heeft willen zoeken. Het thema en de gekozen beelden in dit gedicht passen in een (wat mij betreft mooie) romantische traditie. Leopold schreef: ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan / ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’ / een smalle laan / van natte blaren, het vallen komt // (…)’. Ook hij beziet de treurende van een afstand: ‘Er woont er een voorovergebogen / (…)’. Maar troost ontbreekt: ‘(…) / en die zijn vrede en rust niet vindt.’

De gedichten in deze bundel vertonen een doordachte constructie en enkele hebben mij ook wel geraakt, maar verrast werd ik helaas slechts zelden.
____

Pieter Boskma (2025). De stiltevariant. Uitgeverij Prometheus, 72 blz. € 25,00. ISBN 9789044660432

     Andere berichten

Fernando Pessoa – Faust

Fernando Pessoa – Faust

Een metafysische Faust door Hettie Marzak - - De figuur van Doctor Faust weet nog altijd mensen te fascineren. Het verhaal is welbekend:...

Evi Aarens – Fausta

Evi Aarens – Fausta

De wording van een dichterschap door Johan Reijmerink - - De sonnettenkransbundel Disoriëntaties van Evi Aarens zorgde in 2021 voor ophef....