LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Handen op de rug

4 jan 2026

door Jan Loogman

 

 

Tussen mijn familie wandel ik door Amsterdam Zuid, op weg naar het Beatrixpark. Men praat, wijst op huizen, bouwstijl, haalt herinneringen op, blikt vooruit naar het nieuwe jaar. Er is, kortom, drukte om mij heen. Daarbinnen houd ik mijn handen op mijn rug, indachtig het gedicht van Bernard Wesseling, dat ik laatst hoorde: Sinds ik, in navolging van oudere mannen, met mijn handen / op mijn rug loop, grijp ik minder aan / en word ik minder aangegrepen. Ik ben hier de oudere man en het is een aangename houding, zo met de handen op de rug. Mij maken ze de pis niet lauw.



Maar dan ineens lopen we door de Deurloostraat en mijn handen komen tevoorschijn. Ik wijs waar ik meer dan vijftig jaar geleden een kamer bewoonde. De oudere mevrouw van wie ik huurde, vond ik later terug bij J.M.W. Scheltema: Hosz pitá / Aggou jehosz pitá / Dik kesgom melmettun toet / Hosz pitá / Tibesz tehosz pitá / Di debedde vóron sdoet… Hoe gezellig de hospita er ook uitzag, haar achternaam zorgde voor onaangename associaties bij wie ruim vijfentwintig jaar eerder de bezettingstijd had meegemaakt. ‘Die is fout geweest,’ zei mijn vader toen hij het naambordje naast de deur las. Ik wilde er niet van weten. Kamers waren toen ook al schaars. ‘Er zijn ongetwijfeld meer mensen die Puls heten,’ was mijn reactie.

We verlaten de Deurloostraat, mijn handen liggen weer waar ze horen. Het is nog maar een klein eindje naar het Beatrixpark. Het gebouw van mijn middelbare school stond er pal aan en vanaf de vierde klas mochten wij van de gezaghebbende paters tijdens de pauzes het schoolplein verlaten. Met mijn vriend Wim liep ik graag langs de glooiende grasvlakte in het park. Nu loop ik hier weer, ik blijf staan, zie de open ruimte op de plek waar het schoolgebouw stond. Achter mijn rug bewegen even mijn handen, maar ze blijven liggen, gevouwen in elkaar. Er gewoon maar wat bij staan gaat me eigenlijk goed af, schrijft Wesseling. Mijn zus port me aan, wijst op de ronde schoolkapel. Dat baken is blijven staan en wordt als erfgoed bewaard. Daar moesten wij eens in de week vóór schooltijd de schoolmis bijwonen, opgevoerd door de vreugdeloze pater Rebers met zijn uitpuilende ogen. Kwam je tenslotte de kapel uit en ging je op weg naar het lokaal voor je eerste lesuur, dan kon het gebeuren dat de ogenschijnlijk opgewekter pater Louwers je op de schouder tikte: ‘Je haar wordt te lang. Van de week naar de kapper.’ Op deze school kreeg ik les in Grieks, Latijn. Frans, Duits, Engels en Nederlands, maar slechts een enkele leraar toonde liefde voor de taal die hij doceerde. Shall I compare thee to a summer’s day, droeg mijnheer Rolf voor en pater Lockefeer las Deirdre en de zonen van Usnach van A. Roland Holst. Met hun enthousiasme voor de taal waren zij uitzonderingen. Wolfs, de leraar Duits, gaf veel meer de toon aan: Schwere Wörter stampen en elke maand een proefvertaling. Als je die onvoldoende maakte, bevestigde dit zijn kijk op zijn leerlingen. Kwam je tot een voldoende of zelfs – uit plezier over de tekst – tot een goede vertaling, dan informeerde hij wantrouwend waar je de tekst eerder had gezien.

Mijn handen liggen allang niet meer op mijn rug, ik bal een vuist en zwaai naar de kapel en het verdwenen schoolgebouw. ‘Als ik me ontplooid heb,’ roep ik mijn mede-wandelaars toe, ‘is dat niet dankzij deze school. Goed dat hij weg is.’ Nogmaals wil ik met mijn vuist zwaaien, maar de anderen manen me verder te kijken en tegen de achtergrond van de kantoren van de Zuidas merk ik nu de toren op, waar het lyceum tegenwoordig in zit. Ik haal mijn schouders op, mij maken ze de pis niet lauw, toch? Ik leg mijn handen achter mijn rug over elkaar en we hervatten onze wandeling. Ja, besluit Wesseling, men begint het te leren: die pakt niets aan en niets hem.

 

Afbeeldingen
1. Pixabay
2. Wikipedia
3. Straatfoto Amsterdam

 

     Andere berichten

Het commentaar van Tom Veys

Het commentaar van Tom Veys

'In het geheel genomen tevreden' door Tom Veys - - In het geheel genomen, ben ik tevreden met de recensie van Dan strekt de zee in me door...

Nieuwjaarswens

  Dit jaar ontvielen ons de dichters Sjaak Vrugt, Corrie Nieman, Esther Jansma, Hervé J. Casier, Frank Diamand, Els de Groen, Jef...

De eerste honderd (10-slot)

De eerste honderd (10-slot)

door Wim van Til   1975 was het jaar van de viertjes en de vijfjes, en van de verzamelde gedichten. Op de planken van mijn boekenkast...