LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Het commentaar op Albrecht Rodenbach

12 jan 2026

‘Vliegt de blauwvoet? Storm op zee!’

door Hans Franse




Albrecht Rodenbrach
(Foto: Encyclopedie van de Vlaamse beweging)

Toen in 1830 België zich afscheidde van van het Noordelijk deel van het Koninkrijk der Nederlanden, moest er een nieuwe taal gezocht worden. Het werd zeker geen Noord-Nederlands. Dat was de taal van de protestanten en de overwegend dialect sprekende Vlamingen hadden dit stijve formele calvinistisch aandoende idioom nooit gewaardeerd. Volgens Albrecht Rodenbach hadden ‘de Hollandse pedanten onze tale vermooscht’. Het Frans sloeg onbarmhartig toe. Is het te gewaagd te zeggen dat de ‘revolutie van 1830’ in wezen een revolutie was van de middenstand, van de fabrikanten, de bankiers? Het Vlaams werd een groep dialecten en was nauwelijks een cultuurtaal. Op scholen, zeker op de middelbare en hogere instituten was Frans de voertaal.

Het is vanuit een specifiek dialect, namelijk het West-Vlaams dat de eigen literaire taal werd ontwikkeld. De stad Roeselare speelde er een ongelooflijk belangrijke rol in doordat er een Klein-Seminarie (meer en breder dan louter de eerste opleidingsschool voor het r.k. priesterschap) was gevestigd onder de zakelijke en intellectuele leiding van de paters Augustijnen, dat jongens uit de streek opving en ook voor diegenen die het niet konden betalen de mogelijkheid bood te studeren. Er werd dan van de ‘studenten’ een tegenprestatie verwacht. Zo werd de jonge Guido Gezelle, wiens vader tuinman was in Brugge, portier. Gezeten in een soort open portiersloge bij de buitendeur met een schuifraampje ontving hij bezoekers en haalde ‘s ochtends de kranten.

(Klik op de afbeelding om deze te vergroten)

De taalgevoelige jongen kon daar studeren, maar al pratend met de bezoekers van heinde en verre, noteerde hij de woorden die hij niet kende en mooi vond en legde zo de basis voor zijn ‘woordentas’, zijn verzameling West-Vlaamse woorden. Hij schreef die woorden op fiches en voegde ze bij zijn verzameling van liedjes, legenden, uitdrukkingen en mooie woorden uit oude boeken. Toen hij zijn verzameling aan het Woordenboek der Nederlandse taal schonk waren het 150.000 fiches. Ze bevruchtten ook zijn poëzie (meer lezen over de achtergrond van Gezelle en zijn werk kan hier en hier). Gezelle vond de oudste woorden de zuiverste. Hij doceerde als priester later op datzelfde seminarie in de poësisklas, roeiend tegen de stroom van het Frans en inspireerde zijn leerlingen waaronder Hugo Verriest en las met zijn leerlingen Hendrik Conscience. Ook de dynamische priester Verriest met de wilde haren werd er docent en trof een groep van bijzonder begaafde leerlingen reeds geïnspireerd en bezig met denken over een brede volksopvoeding, een brede taalontwikkeling. Een van hen was de oudste zoon van een wijnhandelaar uit Roeselare, een jongen met een groot charisma.

Hij werd de levende legende van de Vlaamse Jeugd: Albrecht Petrus Josefus Mansuetus Ferdinandus Rodenbach, genoemd ‘Berten’ of Albrecht, die leefde van 1856 tot 1880, hij werd 23 jaar. Hij had meer betekenis voor de brede studentenbeweging, voor de zich ontwikkelende en emanciperende jeugd dan de Noord-Nederlandse Jacques Perk (1859 – 1881), die ik overigens als dichter, puur woordkunstenaar, hoger inschat. Maar Jacques Perk had niet dat charisma dat een brede massa kon bezielen en daardoor een symbool wordt. Overigens heeft die te vroege, veel te vroege dood, bijgedragen aan de profetische waarde van de dichters. Albrecht Rodenbach schreef veel: toneelstukken, poëzie, proza, hij stichtte studentenbonden en liep voorop. Als hij een toespraak hield improviseerde hij zodanig, dat hij zelf in vuur en vlam raakte, zo ook de menigte. Hij was een romanticus, hield van zijn land, van zijn achtergrond. Hij was ook erg gesteld op Wagners mythische wereld, op de Germaanse mythologie.

Onlangs mocht ik het Seminarie (nog steeds school voor voortgezet onderwijs met 900 leerlingen, waaronder ook internen) in Roeselare bezoeken en zag een brief van hem:’

(Klik op de afbeelding om deze te vergroten)

Een fragment:

‘(…) Bezie dit land, hoe schoon het is. Maar gij zijt hier geboren en opgegroeid en zijt het te gewoon om het naar waarden in te schatten (…) Och, het is toch zo schoon met zijnen gouden koornvelden, golvende in de wind en zijn kronkelende beken, zilveren banden door de groenigheid en zijne torens die al alle kanten in de verte uit de bosselkens schieten (…)’.

Van mijn vader die in het Interbellum in Vlaanderen werkte, leerde ik drie liederen op teksten van Rodenbach. ‘Het lied der Vlaamse zonen’ met die mysterieuze kreet op het eind: ‘Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!’. Die kreet had iets fascinerends, iets stormachtigs, iets opzwepend, ik vond het geweldig. Ook leerde hij me ‘Klokke Roeland’, de grote klok die luidde in Gent: ’Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand / En luide storm in het Vlaanderenland!’ Weer die ‘storm’ en tenslotte het Kerelslied: ‘(…) en als de kerels te garen zijn’. ‘Kerels’ verwijst naar Vlaamse boeren, naar de sfeer rondom de Guldensporenslag. Dat werden de rolmodellen.

In het leven van Rodenbach lijkt de ‘Grote Stooringhe ‘een kantelmoment. Hugo Verriest was toen zijn ‘klastitularis’. Tijdens het feest van de ‘superior’ (pater Delbar) -directeursfeest is een oude traditie- werd tijdens het prijsschieten ‘De Vlaamse Leeuw’ gezongen, die ze niet zullen ‘(…) temmen zolang een Vlaming leeft’. Waarna de uitdagende zin volgde: ‘zolang de leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft’. Grote ontstemming bij superior. Tijdens de openluchtmaaltijd verzoekt Delbar leraar Deprez een Frans lied aanheffen. Dat wordt het lied van de ‘Çuirassiers’ met als refrein: ’Nous sommes cui, nous sommes cui, nous sommes cuirassiers’. De studenten zingen uit volle borst en superior Delmar is blij tot hij hoort wat ze zingen. ‘Nous sommes cuits, nous sommes cuits assez (…)’, zoiets als ‘we hebben er genoeg van’. Het feest wordt stopgezet. Als de leerlingen wat doelloos over de cour slenteren klinkt er ineens het geluid van een bugel, die ergens in het gebouw, het lied van de Blauwvoet aanheft. De leerlingen zingen het refrein van het lied van de Vlaamse zonen massaal mee. Het leidt tot boetepreken, ontslagen, een leerling wordt verwijderd en het wordt verboden Henrik Conscience te lezen, de toneelgilden worden opgeheven, zelfs het blad van Gezelle ‘Rond den heerd’ wordt verboden. Er is een sfeer van intimidatie, maar het signaal is gegeven.

Rodenbach gaat studeren in Leuven, wordt leider van de Kerelsbeweging en bedrijft de ‘Blauwvoeterie’ zich verzettend tegen het Frans in het onderwijs. Hij richt de Algemene Studentenbond op, ontmoet Guido Gezelle en ontwikkelt een later verbroken vriendschap met de jonge dichter Pol de Mont. Het zijn zijn charismatische jaren. Zeker als hij landdagen in Gent organiseert en een studentenafdeling van het Davidsfonds (een op Vlaamse emancipatie gerichte organisatie) opricht. Hij wordt de voorman van een op de eigenheid van het Vlaamse volk als niet Romaans volk gerichte brede beweging van voornamelijk jonge mensen.

Dan slaat het noodlot toe. Tijdens een vaartochtje in Noord-Frankrijk valt hij in het water en wordt ziek. Het blijkt tuberculose te worden. Hugo Verriest brengt de jonge studentenleider naar huis, hij rilt van de ellende .Hij overlijdt jong, te jong, op 23 juni 1880. Juist daardoor wordt hij een symbool. Zijn bidprentje bevat bijna profetische woorden van St. Augustinus: ‘(…) Hij is onder ons verschenen gelijk in den oogst* de zomer rijst vol lusten, langs hare hemelbane stroomen giet van warm licht en blijde vruchtbaarheid en spoedig wegzinkt onder de kimme (…)’.

Het is niet zo verwonderlijk dat er al snel een standbeeld van hem kwam in Roeselaere: een romantisch beeld van een jongeling die een meeuw (een blauwvoet) in zijn hand houdt die op het punt staat uit te vliegen.

(Klik op de afbeelding om deze te vergroten)

Hij is het symbool hier van:

‘(…) een opkomend en in vele opzichten nog een primitief volk. Eeuwenlange overheersing had ons van ons eigen wezen doen ontaarden. Wij waren verminkt vernederd en de barbaarschheid nabij. De schijnbare beschaving die nog bestond was een leugen (…) De hooger-begaafden, (…) de schilders, de toondichters, de schrijvers, de geleerden, allen voelden meer of min dat het volk naar hen opzag en dat zij werkten voor een schooner menschelijkheid in Vlaanderen’.**.

Het standbeeld werd onthuld in 1909. Het werd ook een soort demonstratie waarop men hoopte dat de oude Hugo Verriest nog wat zou zeggen. Maar hij zou ziek zijn, aan jicht lijden, men scandeerde zijn naam. ‘Plots liep er een rilling door de zaal en een verwachting beklemde alle harten, het grijze hoofd van den pastor stak boven de eerste rijen der aanwezigen uit. Bezorgde handen schraagden zijn zieke leden en hielpen hem op het podium. Hij stond hoog en recht in zijn zwarte soutane.Toen hij begon werd het stil: ‘Berten Rodenbach, mijn kind (…)’.**

Het beeld werd in 1918 uit Roeselaere weggehaald en in de door de Duitsers vernederlandste universiteit geplaatst. Waarom verwordt oprechte liefde voor een land vaak tot een bijna fascistische politiek statement? Het beeld werd door patriotten onteerd na 1918 en daarna gereinigd teruggebracht naar Roeselaere. De nazipriester Cyriel Verschaeve, superVlaming, (in 1945 geleidde het Duitse leger hem naar Oostenrijk, anders had hij zeker de doodstraf gekregen) vergeleek de strijdbaarheid van Rodenbach in 1941 in een nazitoespraak met een militair engagement voor Nazi-Duitsland.

Wij hebben op 30 november met kleine groep internationale dichters hem herdacht in de brouwerij Rodenbach, gesticht door zijn oom waar verrukkelijk fris bier de tongen los maakt. Ieder van ons las zijn commentaar op een gedicht van Rodenbach: ‘De laatste storm’. Ik zag die storm als een metafoor voor de emancipatie en reflecteerde op zijn en onze emancipatiestrijd, zoals mijn generatie die in de late jaren zestig en zeventig beleefde: onze ‘Blauwvoet’ was Jonathan Livingstone Seagull, ons kerelslied werd gezongen op Woodstock en ons ideaal lag achter de blauwe bergen, in ‘Het land van Maas en Waal’ dat we via Boudewijn de Groot zingend poogden te bereiken.


(Klik op de afbeelding om deze te vergroten)

Bronnen:
Walch, J.L – Nieuw handboek der Nederlandsche Letterkundige Geschiedenis
Knuvelder. Dr G –  Beknopt handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde
** Muls, Josef – Melancholia
Duinkerken A van – Beeldenspel
Wikipedia en andere informatie op Internet
*Oogst – verwijst volgens mij naar de maand augustus.

Voor de meer geïnteresseerden verwijs ik naar het monumentale Alles is taal geworden
uit de serie: De geschiedenis van de Nederlandse literatuur (tien delen).

     Andere berichten

Het commentaar op Hendrik Tollens

Het commentaar op Hendrik Tollens

Een Volksdichter des Vaderlands door Hans Franse - - (Klik op de afbeelding om deze te vergroten) Waar Maas en Waal tezaamen spoelt En...