LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klassieker 297 : Anna Blaman – Winter

17 jan 2026

door Hettie Marzak

Meander Klassieker 297

Hettie Marzak staat stil bij ‘Winter’, een sonnet dat Anna Blaman (1905 – 1960) publiceerde in 1940. Niet alleen de vensters zijn bevroren, maar ook de ‘ik’ zelf is verstard en koud als ijs. Voor het raam legt zij – eenzaam en alleen – het ‘bodemloos bestaan’ waarover ze nadenkt langs de meetlat van haar verwachtingen. Buiten worden de voetstappen, van een geliefde waar ze naar verlangde, maar nooit had, langzaam ondergesneeuwd totdat er niets meer van te zien is.


Winter


Ik ben gestorven zonder het te weten
want anders had ik me toch wel verzet
en als een starre wacht voor ’t raam gezet
zit ik dit bodemloos bestaan te meten

Ik heb maar een verlangen – te vergeten
maar op mijn ademtocht de nerf gewet
groeit er aan ijsvarens een rauw bouquet
en buiten ligt een toegevroren Lethe

en ik blijf wachten – en meet het leven uit –
het is woestijn, herkomst – en doelverloren
de stem des roependen zonder geluid

Was er ooit een die mij had kunnen horen?
een eenzame voor een bebloemde ruit
en buiten blanke toegesneeuwde sporen –



Anna Blaman (1905-1960)

uit: Over zichzelf en anderen. Poëzie, artikelen en lezingen, 1963
uitgever: Meulenhoff, Amsterdam

Analyse

Anna Blaman (pseudoniem van Johanna Petronella Vrugt) is veel bekender als romanschrijfster dan als dichteres. Vrouw en vriend en vooral Eenzaam avontuur zijn werken die meteen aan haar naam gekoppeld worden. Toch schreef zij gedichten, die zij in 1953 aanbood bij uitgeverij A.A.M. Stols, maar deze weigerde een bundel uit te geven – misschien mede door de onverbloemde homo-erotische inhoud van sommige gedichten – en raadde haar aan eerst maar eens in tijdschriften te publiceren. Van haar hand zijn ongeveer twintig gedichten verschenen, die pas in 1963, drie jaar na haar dood, gebundeld werden in Anna Blaman over zichzelf en anderen, samen met essays, lezingen en toespraken en korte schetsen. Het gedicht ‘Winter’ had ze eerder gepubliceerd in Criterium, Poëzienummer, november 1940, nr. 11. Anna Blaman was toen 35.

In het gedicht ‘Winter’ komen bijna alle elementen naar voren die het schrijverschap van Blaman kenmerkten: de zinloosheid van het bestaan in een kille en onpersoonlijke wereld, de zelfgekozen eenzaamheid, het verlangen naar liefde, verlatenheid. Maar ook het met waardigheid accepteren van het feit dat een mens eenzaam is en dat de ander steeds een ander blijft. Anders dan in veel van de andere gedichten speelt haar lesbische geaardheid in dit gedicht nauwelijks een rol. Het vertelt veel meer over haarzelf dan over de ander, de al dan niet verloren geliefde, die in al haar werk een grote rol speelt.

Als we naar de buitenkant van het gedicht kijken, zien we dat het een vormvast sonnet is, 14 verzen verdeeld over tweemaal een kwatrijn (octaaf) en twee terzinen (sextet), met een regelmatig rijmschema abba – abba – cdc – dcd. De volta of wending ligt niet zoals gebruikelijk tussen het octaaf en het sextet, maar tussen de eerste en tweede strofe van het sextet. Dat zie je ook vormelijk. De eerste drie strofen beginnen op dezelfde wijze met ‘(en) ik’; de derde strofe begint niet met een hoofdletter om aan te duiden dat er niet iets nieuws komt. Dat gebeurt wel in de beginregel van de laatste strofe, en belangrijker, daar verandert de focus naar ‘een ander’: ‘Was er ooit een die mij had kunnen horen?’

Nergens sluit ze af met een punt en een komma komt slechts één keer voor om een opsomming duidelijk te maken. De overige leestekens zijn een enkel vraagteken en opvallend veel gedachtestreepjes: in de eerste regel van de tweede strofe als toelichting, in de eerste regel van de derde strofe om de tussenzin toe te voegen en in de allerlaatste regel als een aandachtsstreepje voor alles wat niet verteld wordt, maar dat de dichter met dit leesteken datgene wat bedoeld wordt als het ware door de lezer laat invullen.

De binnenkant van het gedicht wordt al door de titel ‘Winter’ aangeduid: niet alleen de vensters zijn bevroren, maar ook de ‘ik’ zelf is verstard en koud als ijs. De eerste twee versregels zijn niet zonder humor, al is die dan ook wrang en sarcastisch en gaat die ten koste van haarzelf. Het ‘ik’ voelt zich dood, zonder gevoel. Ze heeft zelf geen wil meer, ze is ‘als een starre wacht’, als een onbeweeglijke etalagepop ‘voor ’t raam gezet’. Je vraagt je af door wie en waarop ze wacht, want een eigen beslissing is het blijkbaar niet geweest.

Het ‘bodemloos bestaan’ waarover ze nadenkt en dat ze legt langs de meetlat van haar verwachtingen, doet denken aan een bodemloze put. Misschien die van het ganzenbordspel, waarin je moet wachten tot er een andere speler op je vakje belandt om vrij te kunnen zijn. Misschien de put van Vrouw Holle, die toegang geeft tot de onderwereld en het betreden van je onderbewustzijn.

Maar dood is ze niet, blijkt in de 2de strofe, want ze kent nog ‘een verlangen’. Waarom heeft het lidwoord ‘een’ op de letters e geen accent aigu gekregen om de klemtoon op het woord te benadrukken? Misschien omdat het voor de ‘ik’ zo duidelijk was dat er slechts dit gevoel was overgebleven en verder niets. Het hoefde niet benadrukt te worden om onderscheid te maken. Dat verlangen betreft het vergeten. Maar vergeten wordt haar niet toegestaan, want de Lethe is bevroren. De Lethe is een van de vijf rivieren in de onderwereld van de Griekse mythologie, waaruit de doden kunnen drinken als zij hun aardse leven willen vergeten (bron: Wikipedia). Maar omdat in haar winter de Lethe bevroren is, kan de ‘ik’ het water niet drinken en is zij gedwongen zich alles te herinneren.

Ze vertelt hoe haar adem ijsbloemen op het raam veroorzaakt, die zich vormen tot een ‘rauw bouquet’, zo scherp dat je je eraan snijden kunt, omdat hun ‘nerf gewet’ is als een mes. Uit deze metaforen die naar de nare herinneringen verwijzen die zij wil vergeten, blijkt dat zij wel degelijk emoties kan voelen, vooral pijn.

Het octaaf loopt – zoals gezegd – door in het sextet: de ‘ik’ blijft wachten, waarin de echo doorklinkt van de ‘starre wacht’ in de eerste strofe. Waar wacht ze op? Ze ‘meet het leven uit’; ze mat al eerder ‘het bodemloos bestaan’. Volgens haar bevindingen is het leven leeg als een woestijn en zonder doel. Het woord ‘herkomst’ kan erop duiden dat het voor haar van het begin af al zo geweest is. Anna Blaman had geen vrolijke, onbekommerde jeugd.

Als we ‘woestijn’ koppelen aan ‘de stem des roependen’ verwijst dat naar de uitdrukking: ‘als een roepende in de woestijn’, die betekent dat iemand zich niet gehoord voelt. Zoals Blaman ook letterlijk zegt in de daaropvolgende versregel die haar eenzaamheid van jongs af aan uitdrukt: ‘Was er ooit een die mij had kunnen horen?’ Binnen zit ze eenzaam voor het raam en buiten worden de voetstappen, van een geliefde waar ze naar verlangde, maar nooit had, langzaam ondergesneeuwd totdat er niets meer van te zien is.

Blamans gedicht ‘Winter’ riep meteen een ander gedicht in mij op, van Vasalis, zonder titel:

De winter en mijn lief zijn heen.
Er zit een merel op het dak,
zijn keel beweegt, zijn snavel beeft
alsof hij in zichzelve sprak.

Hij luistert: uit de verre boom
klinkt als het ketsen van twee steenen
een vonkenregen van verlangen,
zoo luid, zoo helder en zoo bang.

De merel stort zich met een kreet
vol wildheid in de voorjaarsvlagen.
Ik kan het bijna niet verdragen:
– de winter en mijn lief zijn heen.

Vasalis (1909-1998)
Uit: Vergezichten en gezichten, 1954

Ook hier gaat het over een geliefde die er niet (meer) is, maar Vasalis reageert daar heel anders op dan Blaman. Vasalis zou liever gezien hebben dat de winter langer duurde. Ze verdraagt het niet dat alles in de lente opnieuw begint. Daarmee wordt duidelijk wat zijzelf moet missen en dan is voor haar het voorjaar ook bedorven. De hartstochtelijke gevoelsuitbarsting van Vasalis staat haaks op de gelatenheid van Blaman, maar het verdriet schrijnt even hard.

P.S. Op het graf van Anna Blaman is een steen geplaatst waarin de sarcastische eerste twee versregels van dit gedicht zijn gebeeldhouwd.

Hettie Marzak
met dank aan Joost Dancet voor zijn waardevolle feedback en suggesties

 

 

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

     Andere berichten