Grootvader kijkt terug
door Peter Vermaat
–
Ik las de Nederlandse poëzie,
niet alles maar het puikje: Achterberg
en Lucebert, Herzberg, Schaffer, Wijnberg,
daarnaast Eliots Vier, Yeats en Rimbaud,
de Duineser Elegien, Walt.
–
En in mijn slaap stampten ze door elkaar,
kakkende olifanten van taal.
Ik moest gelukkig van hun woorden worden.
–
Het lukt me niet meer om naar ze te luisteren.
Te veel tv, te zeer even het leven.
Waar blijft je brug, Martinus, Bloem, je straat?
–
[p. 57]
Voor Rob Schouten, die mogelijk veel meer bekendheid geniet als poëziebespreker in de krant dan zelf als dichter, is er uiteraard ook poëzie om zelf te willen lezen: we herkennen Gerrit Achterberg, Lucebert, Judith Herzberg, Alfred Schaffer en Nachoem Wijnberg, maar ook de buitenlandse grootheden Thomas Stearns Eliot (“Vier” verwijst naar diens bundel ‘Vier kwartetten’, bestaand uit de gedichten Burnt Norton, East Coker, The Dry Salvages en Little Gidding), William Butler Yeats, Arthur Rimbaud, Rainer Maria Rilke (want van hem zijn de Duineser Elegien) en Walt Whitman. De constatering in dit ‘Albumblad’ (waarin je ook een verwijzing naar J.H. Leopold zou kunnen zien) is echter dat het hem allemaal niet meer smaakt, dat zijn dromen er ‘olifantenkak’ van maken en dat dat allemaal op het conto moet worden geschreven van de tv en ‘het leven’ (waarbij je ‘te zeer’ zowel kunt lezen als ‘te intensief’ als ‘te pijnlijk’ en misschien wel allebei). In de laatste regel duiken dan twee voordien ongenoemde dichters op: Martinus Nijhof met ‘zijn’ brug bij Zaltbommel en J.C. Bloem met ‘zijn’ Dapperstraat. Bloem was daar ‘domweg gelukkig’ en Nijhoff dacht er aan ‘de moeder de vrouw’. Is dit het sentiment waar Schouten op duiden wil? Geen woorden, maar worden?
De titel van Schouten’s meest recente bundel is Sanctus, waarbij ik in eerste instantie moet denken aan het sanctus in de Latijnse mis: Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dominus Deus Sabaoth / Pleni sunt cæli et terra gloria tua / Hosanna in excelsis / Benedictus, qui venit in nomine Domini / Hosanna in excelsis, waarbij de God van de hemelse machten wordt aangeroepen, als voorbereiding op het gereedmaken van brood en wijn tijdens het erop volgende benedictus. Het lijkt me geen dagelijkse kost voor Schouten – domineeszoon immers – om die mis te herkauwen, maar wellicht wil hij een duiding doen van poëzie als ‘heilige taal’, die – als het allemaal lukt – de beleving van de lezer voorbereidt op het ervaren van het onkenbare ongekende.
Qua taalgebruik blijft Schouten overigens consequent zeer dicht bij het aardoppervlak. De illusie wordt nooit gevoed, integendeel:
–
Nu zijn pinguïn en olifant
niet langer even groot
en stinkt de aap.
–
Jammer, het was rustgevend,
de leeuw in zijn rood jasje op de fiets
maar ja, de waarheid moet gezegd,
die van de kooien en de tranen.
–
Nog even en onheilsprofeten
en angsten zullen uit hun hok ontsnappen
en dan de trutten en meteropnemers.
–
Gisteren was alles nog levensecht
maar voortaan moet het in gedachten
en niemand heet ooit Dikkertje.
–
[p. 35]
Veel meer dan het gevoel dat de verhaaltjes die we onze kinderen zelf op de mouw willen spelden, uiteindelijk moeten worden doorgeprikt en het hoge woord van de kwade waarheid eruit moet, neemt de lezer uit dit gedicht niet mee. De kenschetsing met ‘trutten en meteropnemers’ is aardig – want zo herkenbaar, hoewel, je zult er zelf maar zo eentje zijn – de angsten die ‘uit hun hok ontsnappen’ liggen daarentegen in de dierentuin net iets te veel voor de hand. En zoals dit schetsje staan er meer in de bundel.
Wat je hier niet zult vinden? Raadseltaal, al of niet hoogdravend of ongemeen lyrisch, sonnetten en andere genrestukken, Dante of Machiavelli (futuristen evenmin trouwens, wel een snufje Annie M.G. en een eervolle vermelding voor Nietzsche en Mahler), himmelhoch jauchzend of zum Tode betrübt, de dood, de droom (dag- of nacht-), onderaardse tektonische bewegingen of – goddank, het moet gezegd – de door een veelheid aan chemische stimulantia uiterst persoonlijk ervaren avonturen van Gen Z.
Maar misschien is dat ook wel de essentie van wat Schouten te zeggen heeft:
–
Ik geloof in de waarheid
die ons zo overtreft
dat je er niks aan hebt
thuis en om de hoek.
–
Noem het God of Isme,
mij best, ik kan ertegen,
hoe ontoereikender
hoe beter.
–
Het komt doordat ik acht was
en in mijn slaapkamer de stralenbundel
van een auto langs zag komen.
–
Meer kan ik er niet over zeggen,
minder ook niet, geloof me maar.
Het is een mysterie.
–
[p. 54]
Grootvader zit bij de haard, de dag kachelt voorbij naar de avond en inmiddels is het vuur gekrompen tot een nog nauwelijks waarneembaar gloeien. Verwarmen doet het nauwelijks nog en alles wat we zien, ligt inmiddels achter ons.
En hij zag dat het goed was.
____
Rob Schouten (2025). Sanctus. Uitgeverij Arbeiderspers, 61 blz. € 19,99. ISBN 97890295 53728




