LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Saskia De Vriese – Vulpasta

19 jan 2026

Gevoel in een paar rake woorden

door Taco van Peijpe




Saskia De Vriese (Aalst, 1978) kwam met de bundel Vulpasta op de shortlist van De Zeef Poëzieprijs 2025 voor debutanten. De bundel verrast ons met originele, gevoelige gedichten in drie afdelingen: ‘PRIKKERS’, ‘GATEN’en ‘VULPASTA’. Daarin komen achtereenvolgens aan bod: een onbevredigende relatie, afscheid van de partner en van de ouders en uitzicht op herstel.

In eenvoudige taal, zonder een woord te veel, geeft de dichter indringende sfeertekeningen. Zo wordt de eenzaamheid van een kind geschetst: ‘en altijd ligt er een bal / roerloos in haar buurt / geen vader / die hem terug schopt’ (‘ALTIJD EEN KIND’, laatste strofe). Een stoel, die naar ik vermoed van de overleden moeder was, wordt opgeknapt met vulpasta en nieuw vernis: ‘binnenkort wordt je lege stoel / toch iets mooier / leeg’. (‘STOEL’, laatste strofe). Wanneer de partner thuiskomt met boodschappen en een halfslachtige poging tot gezelligheid doet, schiet hij duidelijk tekort: ‘je laat me schrikken met de wegwerpprikkers in hun praktische houder / de tapasplank, de makkelijke borrelhapjes voor vanavond / bij een glas zure wijn uit de fles van gisteren’ De afkeer die dit opwekt wordt verwoord in een treffend beeld: ‘alles wat jij me elke vrijdag brengt, kan ik mezelf ook kopen / ik vroeg je om herinnering / iets wat niet ranzig wordt / uitverkocht zeg je’ (‘BLACK FRIDAY’, slotstrofe).

Bij elkaar vertellen de gedichten over belevenissen van een hoofdpersoon die zich ontwikkelt als was het een romanpersonage. Het eerste gedicht ‘WAAROM IK HIER BEN’ bevat een inleiding, die aldus begint: ‘om je te kunnen zeggen waarom ik hier ben / moet ik kunnen vertellen waar ik vandaan kom / hoe ik ginder iemand mijn afwezigheid verschuldigd raakte’. De bijzondere combinatie van op zich gewone woorden aan het eind van dit citaat geven het vers een extra lading. De ik wijst zichzelf aan als schuldig aan het gemis dat haar vertrek voor de ander betekent. ‘Ginder’ maakt de afstand tot die ander groot en definitief.

Enkele gedichten in de tweede afdeling betreffen de afwezige vader en moeder. Ambivalente gevoelens jegens de overleden moeder worden prachtig verwoord in het volgende gedicht.

ZIJ WOONT HIER NIET

ze liep lang voor me, naast me
en ging dan weg
zoek haar dus niet in mij

ik hield van wat ze zei
al spraken we een andere taal
zoek haar dus niet tussen mijn woorden of mijn zwijgen
zij zal niet antwoorden

verwacht haar evenmin
aan de tafel in mijn keuken
tussen de lakens van mijn bed
onder de bergen schuim in bad

ik hield van haar
ving haar net daarom niet
ik ademde haar in
maar daarna ook weer lang en langzaam uit

ze hangt hier maar wat stralend rond
wel minstens vijfmaal ingekaderd aan de muren van mijn hal
niet aan de wanden van mijn hoofd of van mijn buik

zoek haar dus niet in mij
zij woont hier niet

Het gedicht is doortrokken van de spanning tussen afstand en verbinding. De langdurige relatie van moeder en kind/dochter is beëindigd door toedoen van de moeder, zij ‘ging dan weg’. Dat is meer dan louter verdwijnen door overlijden. De tweede strofe begint met een toenadering: ‘ik hield van wat ze zei’, maar de twee verschilden te zeer om elkaar te begrijpen. De moeder is nu verdwenen uit het persoonlijk leven van de dochter, zo vertelt de derde strofe. Dan volgt een indringende bekentenis: ‘ik hield van haar’. Maar de afstand bleef bestaan, de dochter ‘ving’ haar niet. Die tweede zin blijft mij intrigeren. Ze kan zo worden uitgelegd dat de dochter haar moeder niet vatte, niet begreep. Dat zou goed kunnen, want ze spreken immers ‘een andere taal’. Maar kan dat onbegrip uit de liefde voortkomen (‘net daarom’)? Misschien wel, maar mooier vind ik de gedachte dat de één de ander niet gevangen houdt, dus niet dwingt, maar aanvaardt zoals zij is, namelijk anders. Slecht in portretten aan de muren is de moeder nog aanwezig, niet in het innerlijk van de dochter. Tenminste, zo wil dochter dat het gezien wordt. Een zienswijze die kennelijk moeite kost en daarom steeds herhaald moet worden als een mantra: ‘zij woont hier niet’.

De vorm van dit gedicht (en van de andere) is vrij, maar toch strak te noemen. Elke regel bevat een afgeronde eenheid informatie en ook de strofen-indeling doet recht aan overgangen in de inhoud. Er zijn weinig opvallende klank-effecten, maar de verzen lopen in een meestal vloeiend ritme. Klankrijm en assonantie zijn op bescheiden wijze ingezet.

In de derde afdeling komt een nieuwe relatie in beeld. De hoofdpersoon heeft iets dramatisch beleefd en komt weer enigszins tot zichzelf dankzij de liefdevolle aandacht van de ander.

DIE DAG

de dag nadat ik net niet stierf
liet ik een foto van me maken
jij stond achter de lens
met je vingers om het toestel
zoals je mijn polsen vast hield
toen alles nog kantelde

je zei: blijf gewoon zitten, ik wil je zien
en ik bleef omdat jij het vroeg
zonder te eisen

mijn haar hing in strengen
mijn ogen dropen nog van waar ik was geweest

jij zag iets anders
wat ik nog kon worden
de flits kwam als een kus op een litteken

terwijl je naar het beeld op het scherm keek
glimlachte je en zei: je lijkt op jezelf
en ik geloofde het bijna

De toegesproken persoon in dit gedicht vormt een scherp contrast met de ex uit de eerste afdeling. Hij/zij wil de ‘ik’ werkelijk zien, vraagt zonder te eisen (tweede strofe), geeft blijk haar te aanvaarden zodat het zelfvertrouwen ‘bijna’ wordt hersteld. Knap vind ik hoe de dichter dramatiek, vertwijfeling en troost op ingetogen wijze en met gevoel voor nuance verwoordt. De fotosessie laat mooi zien dat de één passief ondergaat hoe de ander zich vol aandacht een beeld vormt.Een gedicht als dit, waarin zeer particuliere ervaringen worden verteld, vraagt veel van het inlevingsvermogen van de lezer. Mij kostte het enige inspanning, maar die werd ruimschoots beloond.

De laatste gedichten in de bundel laten het tragische verleden rusten, de scheuren in de ziel zijn nu geheeld. Het volgende liefdesgedicht laat zien dat vertrouwde romantische beelden als de maan, bloemen, jaargetijden en ‘jouw schouder’ effectief kunnen zijn als ze op een bijzondere manier worden gebruikt.

DE HELE NACHT

ik kus je straks wel
we hebben nog de hele nacht
je adem ligt al zacht tussen het dekbed en de maan
mijn handen ruiken nog naar aarde
de dag zit onder mijn nagels

laat me eerst de bloemen gieten, het zevenblad weghalen
alsof ik de tijd zelf wied
zodat wat nu nog bloeit morgen vrucht zal dragen

we hebben nog de zomer, de herfst, de eerste vorst
jij en ik, de tuin die zich naar ons vouwt
mijn vezels kennen de route al terug
naar jouw schouder in het donker

Het begin stelt meteen gerust, liefde heeft geen haast. De derde zin (‘je adem (…)’) vertelt met enkele woorden méér dan in drie volzinnen proza gezegd zou kunnen worden. Het ‘dekbed’ schetst een slaapkamer, de maan doet de rest. De ‘ik’ verzorgt haar innerlijke tuin, bereidt zich voor op een mooie toekomst samen. De liefdesverklaring aan het slot is herkenbaar en toch volkomen oorspronkelijk.

Deze dichter heeft een origineel en overtuigend debuut geschreven.
____

Saskia De Vriese (2025). Vulpasta. Uitgeverij De Zeef, 56 blz. € 19,50. ISBN 9789464757880

     Andere berichten

Dean Bowen – masc:r

Dean Bowen – masc:r

De route naar het gezicht van de man door Ali Şerik - - Het eerste gedicht van masc:r begint met de regel: ‘ik ben zeven jaar & zonder...