door Hans Franse
Er waren ooit stadsmuzikanten en stadsomroepers. De stadsmuzikant in Den Haag is de stadsbeiaardier die hoog van de toren tinkelt. Stadsomroepers trokken door de stad met een ratel of gong en deelden het dagelijks nieuws van de stad mee. ‘s Nachts waakten zij en riepen de tijd om. Ze zijn nu folklore en een curiositeit. In ‘mijn’ Scheveningen loopt op hoogtijdagen een ‘klinker’ rond die zijn nieuws uitkraamt. We hebben nu stadsdichters, misschien een soort poëtische stadsomroepers?
Er is geen eenduidige definitie van een stadsdichter. Sommige schrijven op bepaalde stedelijke hoogtijdagen een gedicht. Er zijn stadsdichters die zich op de lokale radio laten horen. Ik ken ook stadsdichters die zich bezighouden met het bevorderen van de poëzie als een soort ‘animateur poétique’ die bijeenkomsten organiseert, zelf schrijft, anderen laat schrijven en het poëtische klimaat verbetert. Ooit kreeg ik werk in handen van een dorpsdichter. Ik vraag me tot op heden af of ze benoemd was of dat ze zichzelf benoemde: de bundel die ik van haar las ging over een verloren liefde: het dorpsdichterschap als therapie.
In mijn Den Haag heb ik de stadsdichter Harrie Zevenbergen redelijk goed gekend, die in de jaren negentig en begin 2000 een levendige bijdrage leverde aan het poëtische klimaat in de Residentie samen met o.a. de karakteristieke Adriaan Bontebal, (donker haar, lange krakersjas en lichtelijk hinkend; hij was een been verloren bij een motorongeluk) en andere leden van een soort krakers-/ dichters-collectief. Jammer dat je Adriaan (hij heette eigenlijk Aad van Rijn) steeds minder zag: hij had podiumangst.
Ook Diann van Faassen, partner van Harrie, maakte deel uit van deze groep. Harrie was een reus van een vent om te zien, maar helaas overleed hij aan de ziekte van Alzheimer. Diann zet zijn werk voort en zet zich tevens in voor de stichting Alzheimer.
Den Haag heeft nu twee jonge stadsdichters, voortgekomen uit een wedstrijd op middelbare scholen, begeleid door het Huis van de poëzie. Acht finalisten van die wedstrijd lazen hun gedichten voor op gedichtendag. Splinter Chabot presenteerde, de jury bestond uit spokenworddichters onder leiding van de ‘dichter der Nederlanden’ (waarom niet meer ‘des vaderlands’, vond men dat te ironisch?) Bab Gons. De jury koos twee winnaars: Anu Soerjoesing(16 jaar), leerling van het Gymnasium Haganum en Govert van der Velde(13 jaar) :gezamenlijk stadsdichters voor 2025. Dit zei de jury:
‘We zijn onder de indruk van de prachtige poëzie en optredens van de finalisten. Hun stad Den Haag werd op allerlei manieren beschreven en ervaren. Alles kwam voorbij: charmant, grappig, kwetsbaar en innemend. We kozen voor twee winnaars, omdat ze elkaar mooi aanvullen.’
–
Fragment uit het gedicht van Anu:
…..De wind raast over mijn lichaam
danst in mijn longen
een bekende tol van zuurstof
Niemand mag mijn vrijheid afpakken
zelfs niet ik
Het licht inspecteert
nieuwsgierig en stil
maar ik weet dat het groene licht
stiekem, naar mij lacht
Ooit ga ik vliegen….
–
Het fragment van Govert:
…wat is den haag?
of beter wie is den haag?
Den Haag is een stoere jongen
die, nike tech draagt op zijn fatbike
zit en alle balenciaga gucci en
prada koopt om erbij te horen
Den Haag is een nerveus
meisje dat uit het
buitenland is verhuisd naar den haag
voor een beter leven maar
moet wennen aan de cultuur…
–
Constantijn Huygens was ongelooflijk verknocht aan zijn (en mijn) stad. Reizend langs Europese hoven en diplomatieke instellingen verlangde hij naar zijn stad. Na vier jaar diplomatiek werk in Frankrijk komt hij terug ‘…Snel ging ik voort naar mijn liefde die al wat mijn ogen waar ook ter wereld hebben gezien, in schoonheid overtreft, Den Haag…’. Voorhout is een loflied op zijn stad, waarin hij Venetië, Rome, Parijs, Londen, Antwerpen en Amsterdam (veen vol stenen/zak vol goud) vergelijkt met het Haagse Voorhout: ‘...Noch en vind ick niet in allen /dat mijn Lindelaen genaeck…’ Misschien is hij wel de eerste stadsdichter van ‘s-Gravenhage:
Constantijn schreef gedichten over de 150 straten en gebouwen in Den Haag (HAGA VOCALIS), waarin hij ook de scabreuze rosse buurten niet vermeed. Hij deed dat in zeer klassiek en deftig Latijn. De straten spreken de lezer toe. Op een buitengewoon creatieve wijze: Huygens kon zijn levendige geest trainen en zijn liefde voor de stad daarmee aantonen. Doordat de straten in de eerste persoon spreken worden het ‘de stemmen van Den Haag’. Briljante vertaler Ilja Leonard Pfeiffer zegt hierover dat deze verzameling versjes ‘een bescheiden wederdienst zijn voor het feit dat de dichter hier heeft leren spreken.’
Haga vocalis is ironisch, geestig, liefdevol, vernuftig, creatief en vooral virtuoos. Alleen het Latijn is moeilijk. Gelukkig is de even virtuoze classicus Ilja Leonard Pfeiffer erin geslaagd, als Hagenaar (eigenlijk Rijswijker, zegt hij zelf) de gedichtjes te vertalen, daarbij vaak de dubbele bodems weergevend. ‘Elk epigram wordt een lofdicht’, zegt Ilja. Hij licht een paar gedichten toe.
Van het Spui naar de Herengracht loopt een straat die de Poten heet (met als zijstraat de Apendans, waarover geen gedicht). Deze straat was deftig, liep langs het Binnenhof, langs Huygens’ huis op wat nu het Plein heet. Het was een naam die associaties oproept met koeien, varkens en boerderijen en die niets deftigs had. Maar er rijden koetsen door en er flaneren dure paarden:
–
VIA PLANTARIA POOTEN
Qui de non hominum pedibus mihi, quisquis avorum es,
Fortuita nomen sorte pedest dabas,
Excuses hodie culpam, si videris autor
Tot mea quadrupedum frangere saxa pedes.
POTEN
Geen boersere naam was gegeven
aan een straat zo charmant en verheven.
Maar met klinkers van waarde,
Bepoteld door paarden,
Heb ik toch met mijn naam leren leven.
–
De polyglot Huygens (ik ken poëzie van hem in Latijn, Grieks, Frans, Duits, Engels, Italiaans, Spaans en Nederlands*) zou zich kostelijk amuseren als hij zag dat er een perfecte limerick van zijn gedicht is gemaakt. Het zegt ook iets van de virtuositeit van Ilja Leonard Pfeiffer.
Ik woonde ooit aan de Varkensmarkt, een drukke plek toen, het busstation voor reizen naar het Westland, nu een rustig pleintje.
–
FORUM PORCARIUM
Tam non eximii taedet me nominis, ut me
Taedeat unius vix satis esse meum.
Si videas quae nostra cadunt in tempore sordes
Omne forum porcos educat, omne sues.
VARKENSMARKT
Ik droeg mijn naam met trots al is hij niet verheven
Een eer is het dat ik alleen zo heten mag.
Want welke markt is welbeschouwd vandaag de dag
Van varkens, knorrig volk en zwijnen niet vergeven?
–
Dat Pfeiffer een Hagenaar is blijkt ook wel uit zijn vertaling van het Campus Meridionalis, het Zuyder-parc. Dat moet een ander park geweest zijn dan nu, want het huidige Zuiderpark ligt ver buiten de oude stad, het is er druk en levendig. Vroeger was er het hoofdveld van ADO, dat er nu oefent. Huygens wist niets van voetballen: Pfeiffer nam de vrijheid eraan te refereren, zoals hij aan zoveel dingen van onze tijd refereert zonder dat hij de versjes van Huygens tekort doet.
–
CAMPUS MERIDIONALIS , ZUYDERPARCK.
Militat alter amans et habet sua castra Cupido
Hic ubi Adonis erat non tetigisse scopum.
Sunt lacrrimae rerum, palma est sed parta duellis
Quanta venustatis laus in amore mortis est.
ZUIDERPARK
Ik ben het stadion van ADO, jongeling
Die nieuwe passie in verhoute harten kerft
Dit is de mooie plek waar hoop nog altijd sterft
Maar sterft in schoonheid. Winnen is niet echt mijn ding.
Ilja Leonard Pfeiffer zou eens een jaar de Haagse stadsdichter moeten worden en op zijn manier de straten beschrijven.
–
–
gebruik gemaakt van:
Voorhout, Costelijck Mal en Ogentroost klassiek letterkundig Pantheon, herzien door dr. J. Karsemeijer – Zutphen
Stemmen van Den Haag- Constantijn Huygens, Frans Blom/Ilja L. Pfeiffer
*A selection of poems of Sir Constantijn Huygens, P. Davidson/A. van der Weel
afbeeldingen:
Den Haag, Wikipedia
Harrie Zevenbergen, Wikipedia
Adriaan Bontebal, IndeKnipscheer
Constantijn Huygens, Wikipedia
Ilja Leonard Pfeiffer, KB Nationale Bibliotheek
–






