Wat geen naam hebben mag
door Peter Vermaat
–

–
Toegegeven, Tjitske Jansen schrijft in haar voorwoord iets over de reden waarom ze de poëzie van Wisława Szymborska zo waardeert, maar helaas blijft dat beperkt tot wat anekdotes en de verzuchting ‘Hoe krijgt ze het voor elkaar me zo, tot tranen toe, te raken, en me even later alweer te laten grinniken. Of schateren.’(p. 11). De reden dat Jansen’s selectie zich beperkt tot Szymborska’s in het Nederlands vertaalde bundels is evident, de reden waarom ze juist voor déze gedichten koos wordt niet toegelicht. Ik kan daarom moeilijk beoordelen of deze keuze Szymborska recht doet en evenmin of er gedichten onterecht buiten deze selectie gebleven zijn. Via de website van DBNL zijn verschillende vertalingen van Szymborska door Gerard Rasch te vinden, maar geen van alle komen ze terug in deze bundel.
Szymborska lijkt de dichter van de omtrekken te zijn. Waar andere dichters zich ondanks hun evidente ontoereikendheid blijven storten op het proberen te zeggen van het onzegbare, beloopt zij de paden van het zichtbare, het voorbije en nog komende en laat daarbij het onzichtbare en onzegbare zo merkbaar onberoerd en onbetreden, dat het als een opzettelijk wit gehouden gedeelte van de kaart wel blijken moet:
–
Ik neem het de lente niet kwalijk
dat ze weer is aangebroken.
Ik reken het haar niet aan
dat ze als elk jaar trouw
haar plichten vervult.
–
Ik begrijp dat mijn verdriet
het groen niet tegenhoudt.
Als een sprietje buigt,
dan alleen in de wind.
–
Het doet me geen pijn
dat de elzen aan het water
weer iets hebben om mee te ruisen.
–
Ik neem voor kennisgeving aan
dat het – alsof je nog leefde –
bij de oevers van een zeker meer
nog even mooi is als het was.
–
Ik koester geen wrok
tegen het uitzicht om zijn uitzicht
op de inham die in zonneschittering baadt.
–
Ik kan me zelfs voorstellen
dat op dit ogenblik
een ander stel dan wij
op de omgevallen berkenstam zit.
–
Ik respecteer hun recht
om te fluisteren, te lachen
en gelukkig te zwijgen.
–
Ik ga er zelfs van uit
dat de liefde hen verbindt
en hij haar omhelst
met een levende arm.
–
Iets jong vogelachtigs
ritselt in het riet.
Ik wens hun oprecht toe
dat ze het horen.
–
Ik eis geen verandering
van de oevergolven,
die nu eens rap, dan weer lui
nooit mij gehoorzamen.
–
Ik verlang niets
van het diepe water bij het bos
dat nu eens smaragdgroen,
dan weer saffierblauw,
dan weer zwart is.
–
Met één ding ga ik niet akkoord.
Met mijn terugkeer daar.
Van het voorrecht van de aanwezigheid
doe ik afstand.
–
Ik heb je net genoeg overleefd,
en niet meer,
om er van verre aan te denken.
–
[p. 34]
In het met nadruk afstand doen van afgunst, wrok of verdriet ligt tegelijkertijd het omgekeerde van die ontkenning. Het is de lijfelijke afwezigheid, die kan worden gerealiseerd door slechts de verre gedachte, die de ‘ik’ overeind houdt om niet ten onder te gaan aan het nu zo pijnlijk ontbrekende. Hoewel het landschap ogenschijnlijk wordt voorgesteld als een neutraal decor, een plek waar ook plaats is voor anderen met wellicht evenveel ervaring van liefde, wordt het tegelijkertijd het bewijs van het niet-zijn, enigszins vergelijkbaar met het ‘schuldig landschap’ dat je bij Armando veelvuldig tegenkomt. In dit gedicht, dat het niet-betekenisvolle van het landschap schijnbaar zo benadrukt, ligt even sterk het juist wél relevante. Door de herinneringen aan het samenzijn – ooit – met de geliefde is het landschap, ondanks alle wetten van seizoen en lichtval waaraan het onderworpen is, nooit meer datzelfde onbetekenende landschap van nergens en overal.
Szymborska beperkt zich tot de onopgesmukte taal van de waarneming (hoe ze gebruik maakt van klank is vanwege de vertaling niet te reconstrueren) en de enige luxe die ze zich permitteert zijn het saffierblauw (rust, sereniteit, wijsheid en oprechtheid) en het smaragdgroen (groei, vernieuwing, vruchtbaarheid, hoop en harmonie) tegenover het zwart (evident – de dood) in “het diepe water bij het bos”, waar een terugkeer op geen enkele manier zonder gevolgen kan blijven.
Een ander stijlmiddel dat Szymborska veelvuldig gebruikt is het bijstellen van het perspectief, alsof je een foto tegelijkertijd scherp en onscherp te zien krijgt:
–
Tja, neem nu de krijtdiertjes.
Ze leefden hier, omdat ze er waren, en ze waren er, omdat ze leefden.
Zover ze konden, aangezien ze konden en zoveel ze konden.
In het meervoud, omdat er meer waren,
zij het elk apart,
in de eigen, want het was hun eigen
kalkschaal.
In lagen, want het waren lagen,
heeft de tijd ze later samengevat,
zonder in details te treden,
want in details schuilt medelijden.
En zo heb ik De oppervlakkige lezer zou het gedicht hier voor me
twee uitzichten in één:
een triest kerkhof
van eeuwig rusten
of
ravissante, uit de zee,
de lazuren zee oprijzende witte rotsen,
rotsen, die hier zijn, omdat ze er zijn.
–
[p. 65]
De oppervlakkige lezer zou het gedicht kunnen interpreteren als een negentiende-eeuwse les in moraal: in het sterven van het vorige openbaart zich de waarde en pracht van het volgende. Szymborska haakt die denkrichting al in het gedicht op meerdere plaatsen meteen pootje: ‘omdat het kan’ wordt op meerdere manieren wel zes keer vermeld. Het verschijnsel kan uitsluitend uit zijn constatering verklaard worden, namelijk dat het er – zonder verklaring – eenvoudigweg is. Je zou er een poëtische belijdenis in kunnen zien: het gedicht als ‘Ding an sich’ dat uitsluitend via de waarneming te beleven is omdat het wezenlijke ervan principieel niet gekend kan worden.
Misschien is het ook niet alleen het geval dat het doorgaanse, onopvallende, gewoonlijke niet alleen niet anders hoeft te zijn – nee moet zijn – dan het is, maar ligt de essentie van Szymborska’s taalgebruik en kunstopvatting juist in het opzettelijk en bewust onthouden van een naam aan het naamloze, van betekenis aan het betekenisloze en zo je wilt poëtische waarde aan het in zichzelf waardeloze (of waardevrije, vanwege de negatieve connotatie van dat eerste woord). Juist door iets een naam te geven wordt het in zijn verdere mogelijke betekenis beperkt, evenals de eerste oplossing van een probleem niet noodzakelijk de beste of uiteindelijk de meest juiste is.
Ik moet zeggen dat Szymborska dit denkbeeld door het juist niet uit te spreken, maar bijna tastbaar te maken in haar taal, veel aantrekkelijker maakt dan de boeddhist uit het voorwoord van Tjitske Jansen doet met de bloem en de benoeming daarvan.
Daar tegenover blijft echter de dichter staan die al het algemene persoonlijk maakt, uitsluitend het persoonlijke betekenis toekent en de wereld doorkruist in taal om zich haar toe te eigenen. De keuze aan de lezer is om de uiteindelijke ontmoeting aan te gaan: met wat geen naam mag hebben of wat een naam geeft aan jezelf.
____
Wisława Szymborska (2025). Een titel hoeft niet. Voorwoord en selectie Tjitske Jansen. De Geus, 72 blz. € 18,99. ISBN 9789044549447



