LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

David Huyghe – Olifantenvleugels

9 mrt 2026

Taalsterke bundel met veel gedachten

door Tom Veys




Olifantenvleugels is een opmerkelijke titel voor een bundel. In de openingspassage en ook achteraan in de bundel verwijst David Huyghe naar de olifant-en-ruitermetafoor van Jonathan Haidt. De olifant staat dan voor de emotionele kant die instinctief en vaak leidend is. De ruiter vertegenwoordigt het rationele denken dat probeert te sturen, te analyseren. Hoewel de ruiter plannen maakt, bepaalt de olifant meestal de koers. Zo is het ook in deze bundel. De gevoelens bepalen de koers, de dichter-ruiter dirigeert, begeleidt en omschrijft.

David Huyghe is een woordkunstenaar die een master Vergelijkende Moderne Letterkunde aan de universiteit van Gent behaalde en eveneens een master Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen. De omschrijving ‘woordkunstenaar’ is hier sterk van toepassing. De dichter speelt immers met gedachten en stijlen in Olifantenvleugels.

In het eerste gedicht of de eerste tekst wordt het volgende vermeld:  ‘Ieder mens zit zonder het te weten op een olifant die hem van zijn geboorte naar zijn dood voert.’ Er wordt wel eens beweerd ‘dat de olifant vleugels heeft, maar daar is bijlange geen unanimiteit over. (…) In het beste geval wil je dezelfde richting uit.’

Hierbij enkele rode draden die van Olifantenvleugels, een 119 bladzijden tellende bundel, een gelaagd werk maken. Tegelijkertijd merken we een soort lichtheid op. Opvallend zijn de filosofische gedachten die ingang vinden in een vlotte taal. Daarbij wordt het absurde of misschien het schijnbaar absurde niet gemeden.

Olifantenvleugels is een ideeënbundel, een gedachtereeks. Een breed pallet van stijlen wordt hierbij getoond, in het bijzonder zijn er de korte lyrische verhalen waarin het personage Otto Blauw een hoofdrol speelt, er zijn ook ultrakorte dichtregels onderaan verschillende pagina’s. In de bundel wordt dus gespeeld met de lay-out. Spontaan dacht ik dat enkele dichtregels of prozagedichten heel goed op een bühne zouden werken. Er zit een zeker theaterelement in de poëzie of je zou bovendien kunnen spreken over een fantastisch verhaal, in die zin dat de verbeelding goed wordt aangesproken. Bepaalde gedichten vragen, denk ik, voor een performance.

De bundel is opgebouwd volgens een aantal afdelingen die een thema aangeven, daarna wordt dit thema op een brede manier opengetrokken. De dichter leidt je in zijn gedachtewereld. Zaken worden levend, zoals ‘Het bed spuwt me weer uit. // Als een broodkruimel lig ik op de rok van de slaapkamer.’ Of bijvoorbeeld: ‘In het hese, zwembadblauwe licht van mijn nachtlampje / in een staat van verwaaiing, van een vermeend soort // menszijn, mompel ik / stil, droomdrachtig: // sterrenlichaam, / kokosnoot, // pina colada, / pimpelmeesje, / popmuziek, // duizeling, allerliefste / licht in / mij, (…)’.

De ik-figuur wandelt als het ware door de wereld en ontmoet poëzie: ‘Ik vraag aan het park om mij open te vouwen.’ De dichter beschouwt en gebruikt een kleurrijke taal. Gevoelens gaan hand in hand met beelden: ‘Hoog aan de hemel vliegt een stel olifanten naar Mars.’ De gedachtesprongen zijn soms hinkstapsprongen, de taal blijft je echter uitnodigen: ‘Wij zijn een grote, roze oceaan. We golven. / Soms zijn we de tandwieltjes / van een regenwolk.’ Of in de afdeling ‘Zachte krokodilachtige’: ‘Spring // Spring door de ruimte / als een kangoeroe op zoek naar betekenis. // Zenuwachtig, hoopvol, / met een droom in je buidel.’ Deze regels lezen als een ervaring. We springen dus met ‘Een paar olifantenvleugels’ in deze bundel.

Poëtische oneliners of beeldende zinnen zijn er veel, zoals ‘De olifanten droegen dromen in hun ogen’ of grappige invalshoeken als  ‘De olifanten dronken alleen koffie, zwart, zonder suiker.’ Soms schuilt ook een kleine dreiging in de bundel: ‘Gedeeltelijk / verward. // Gedeeltelijk helder. // Zo loop ik / ’s avonds laat / nog over straat.’

Zoals eerder vermeld, is Otto Blauw in bepaalde prozagedichten een gids, een medereiziger. Hij is ‘een boer die kan toveren’. ‘Hij heeft een heilige koe die de hele tijd slaapt en hij eet bijna alleen maar champignons. Tussen het maangraan plant hij ballonletters om woorden en zinnen mee te oogsten die hij later naar de aarde kan sturen.’ Is Otto Blauw hier een alter ego? Een soort van Ziggy Stardust? De ruimte speelt een grote rol in Olifantenvleugels.

In de bundel wordt af en toe een originele twist gegeven aan ideeën. De dichter verklaart achteraan in de bundel de oorsprong van enkele ideeën. Zoals de gedachte dat een vis niet weet dat hij in water zwemt, een aloude en wijdverspreide metafoor die hij via YouTubevideo’s van Anthony Paul Moo-Young, beter bekend als Mooji, leerde kennen of het beeld van een vork die iedereen kan prikken behalve zichzelf, een variant op de bekende advaitawijheid dat een mes zichzelf niet kan snijden. ‘Zoals een vork iedereen kan prikken, behalve zichzelf, zo kan jij alles en iedereen waarnemen, behalve jezelf.’ De dichter speelt op een aantrekkelijke manier met genres. Wel is het belangrijk om goed de leeslijn te kunnen volgen, er zijn soms beeldende experimenten: ‘Alsof je een kat wenkt / om geaaid te worden, / zo vis je mij / uit mijn wolk.’

Mijns inziens is ‘Springbal melancholie’, misschien de zwaarste afdeling, een heel poëtische afdeling. Hier staat de moederfiguur centraal. Vragen en herinneringen krijgen een hoofdrol. Drie citaten gaan aan de afdeling vooraf: ‘Mutter, ich bin dumm’ van Friedrich Nietzsche, ‘My mother is a fish’ van William Faulkner en ‘Aujourd’hui, maman est morte.’ van Albert Camus. In de afdeling staat de bijzondere en samenvattende dichtregel ‘Moeders, water en verdriet lijken soms op elkaar.’

Als lezer ontdek je tussen de omschrijvingen meestal verschillende dichtregels die je poëtisch doen nadenken, zoals: ‘Zou de maan ooit uit de hemel kunnen vallen, mama?’ of ‘Kan je zo lang in de spiegel kijken dat je plots uit jezelf valt?’ Soms worden er hele scènes beschreven, zoals in ‘Onderdompeling’. In deze afdeling neemt de dichter je speels mee op een poëtische reis: ‘Een zin kan een bedding zijn.’

Het volgende korte gedicht omschrijft wellicht goed de stijl van de bundel. Let op het associatieve karakter en de klankrijke taal.

In het zonlicht zwemmen gedachten.
In mijn onderbuik grazen dieren.

Ik ben een snorkelende circusjongen.
Ongeveer zo groot als een tulp.

Elke dag voel ik weerstand in mijzelf.
Als ik de weerstand overwonnen heb,

kan ik door jouw vlammenhoepel duiken.

Tederheid krijgt als voedingsbodem eveneens een plaats in deze bundel. Er wordt een vraag gesteld: ‘Zijn we al klaar voor iets als tederheid?’ Daarop volgt op de volgende bladzijde: ‘Vanuit zachtheid kan je leren hoe je moet vliegen. Zonder bang te zijn om te vallen. Zachtheid is een geheime parachute. Een golvende prairie. De onverhoedse landing in het grasland van je hart. (…)’. Als motto, vooraan in de bundel, staat overigens: ‘Die Zeit is reif für ein bisschen Zärtlichkeit.’ uit een lied van Nena, ‘Irgendwie, irgendwo, irgendwann’.

Zoals eerder vermeld, speelt de droomwereld een grote rol. David Huyghe volgt hierbij vaak een stream of consciousness, met andere woorden een continue stroom van gedachten.

Mijn ambacht is dromen.

Ik schaaf aan wolken
tot ze glimmen.

Als ik schrijf
dan is de dood

een feest van licht en kleur.

Fenomenaal zijn de ‘To do’s’: ‘Bloedappelsienen stelpen. / De wind dichten. / Sneeuwballen gooien naar de dood.’ Of bij monde van Otto Blauw die het spelen in de hand werkt: ‘Spelen is een vorm van verdwijnen. Je hebt er lef voor nodig. Durf iets op het spel te zetten.’

Na een tweede lezing valt het op dat de dichter speelt met aan- en afwezigheid. Olifantenvleugels is een omvangrijk debuut dat raadsels openlaat. De dichter is een woordkunstenaar die met aantrekkelijke taal een poëtische wereld opent. De taal begeleidt je bij verschillende gedachtesprongen die klein, groot, ver of gevarieerd zijn. Taal, misschien de belangrijkste leidraad in deze bundel, is een bindmiddel. Er is duidelijk ‘Denktijd. / Voeltijd.’ Huyghe schrijft empathisch over een wereld die misschien een spiegel kan zijn.

Tot slot ben ik het volledig eens met de referentie van Myriem El-Kaddouri op de zijflap van de bundel: ‘Olifantenvleugels voert je mee naar een wereld die rakelings naast de onze bestaat, herkenbaar en magisch tegelijk. Huyghes taal glanst, sprankelt en ademt en laat je met een verwonderde glimlach achter.’

____

David Huyghe (2026). Olifantenvleugels. Uitgeverij Pelckmans, blz. 120, € 20,00. ISBN 9789463838931

     Andere berichten

Evi Aarens – Fausta

Evi Aarens – Fausta

De wording van een dichterschap door Johan Reijmerink - - De sonnettenkransbundel Disoriëntaties van Evi Aarens zorgde in 2021 voor ophef....

Dean Bowen – masc:r

Dean Bowen – masc:r

De route naar het gezicht van de man door Ali Şerik - - Het eerste gedicht van masc:r begint met de regel: ‘ik ben zeven jaar & zonder...