door Romain John van de Maele
Het gebeurt wel eens dat men onverwacht intrigerende versregels onder ogen krijgt. Rond 1990 las ik in het voorwoord dat de Nederlandse filosoof Theo de Boer (1932-2021) voor het essay Van het zijn naar het zijnde van Emmanuel Levinas (1906-1995) heeft geschreven de volgende regels van Martinus Nijhoff (1894-1953): ‘En als ik dans, danst mijn schaduw met mij – / Schaduw, mijn schaduw, mijn enige makker’ (Baarn, 1988, p. 10). Volgens De Boer confronteert poëzie ons met de uniciteit van ons bestaan – een poëtisch citaat had ik dus eigenlijk kunnen verwachten. De Boer heeft overigens ook gedichten van Nijhoff en anderstalige dichters besproken in literaire tijdschriften. Maar veel belangrijker was de geheel nieuwe fenomenologische gedaante die eenzaamheid in het citaat aannam. Ik had onmiddellijk het gevoel dat eenzaamheid als basisgegeven van de menselijke existentie in het Nederlands nooit eerder beter was verwoord. De Boer wees erop dat het in het citaat ‘om een relatie van het ik tot een zich als zijn onontkoombare schaduw’ gaat. Pas later ontdekte ik dat de filosoof het citaat uit het gedicht De eenzame had losgewrikt. Het gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1916 in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift (jaargang 26, p. 199) en later opgenomen in Lees maar, er staat niet wat er staat (Den Haag, 1959, p. 38). Eenzaamheid beheerst het sonnet van de eerste tot de laatste versregel. De Boer interpreteerde de danser en zijn schaduw als een verschijnsel van ‘solitude à deux’, een uitdrukking van de Franse toneelschrijver Jean Baptiste Racine (1639-1699).
Er wordt bij veel gelegenheden gedanst, vaak in een dionysische sfeer. Maar ook de dodendans – in het Frans danse macabre, naar een gedicht van Henri Cazalis (1840-1909) – de krijgsdans, de paringsdans in de dierenwereld en andere rituele groeps- of solodansen zijn bekend. De danser van Nijhoff danst een solodans, en verbeeldt geen ‘solitude à deux’. Zijn schaduw heeft geen identiteit en zijn vorm is afhankelijk van de positie van de danser ten opzichte van een lichtbron: soms is de schaduw veel groter dan de danser, soms klein tot verwaarloosbaar klein. Wanneer de dichter niet danst, heeft hij geen dansschaduw – misschien wel de schaduw van een even eenzame schrijver aan een tafel vol manuscripten, of de schaduw van een wandelaar die op een vroege ochtend door de stad dwaalt. De schaduw van de dichter is met andere woorden veranderlijk en afhankelijk van zowel de lichtbron als het subject of object dat belicht wordt. Hierbij denk ik onmiddellijk aan de uitdrukking ‘aan het licht brengen’. Hoewel schaduw geen eigen identiteit heeft en slechts een tijdelijk zijnde is dat geen sporen nalaat, leert de schaduw de beschouwer een en ander over het lyrisch subject. Schaduw is leegte, en precies die leegte is de ‘enige makker’ van de sprekende danser. In zijn dans komt zijn ‘zijn’ tot uiting, of in existentialistische begrippen zijn existentie. De schaduw is onafscheidelijk verbonden met het lyrisch subject, en wat wringt is dat het subject er nooit in slaagt zich van die schaduw te ontdoen. Eenzaamheid bekleedt een centrale plaats in de existentiële lotsbestemming. Zelfs tijdens een ontmoeting waarbij een wij-gevoel wordt nagestreefd, is de eenzaamheid – ditmaal een gedeelde eenzaamheid – niet weg te branden: ‘Een mens, eenzaam, ziet zijn zwarte eenzaamheid / Dieper weerkaatst in de ogen van een ander -’ (Het souper). Volgens Gerard Knuvelder (1902-1982) schreef Nijhoff het gedicht in een periode dat de dichter ‘geen metafysisch dak boven het hoofd’ had. Zelfs met een metafysisch dak boven het hoofd is op sommige existentiële vragen geen antwoord mogelijk, en alleen al dat gevoel leidt tot eenzaamheid. Volgens Rudolf van de Perre (1934-2023) roept Het souper herinneringen op aan enkele versregels van Herman Hesse (1877-1962): ‘Leben ist Einsamsein. / Kein Mensch kennt den andern, / Jeder ist allein’ (geciteerd in het tijdschrift Het Teken 68). In de westerse wereld is eenzaamheid niet alleen een wijdverbreid gevoel, het tekent ook het wereldbeeld waartegen Knuvelder en anderen reageerden met de oprichting van het tijdschrift Roeping, waarin het metafysisch dak door een theologisch dak werd vervangen.
De eenzaamheid doorbreken die al bij de geboorte gegeven is – denk aan het begrip ‘geworpen zijn’ dat een centrale plaats bekleedt in het denken van Heidegger: ‘we worden zonder onze keuze in de wereld en in een specifieke situatie geworpen, met een verleden, een lichaam, sociale rollen, en een eindigheid (sterfelijkheid) die ons overkomt, en we ervaren dit bestaan niet als een losstaand ding, maar als een ‘in-de-wereld-zijn’ vol mogelijkheden en angst’ (zie M. A. Wrathall, The Cambridge Heidegger Lexicon,2021, p.753-756) – is essentieel om aan het ‘in-de-wereld-zijn’ een zinvolle invulling te geven. De ‘Geworfenheit’, zoals het begrip bij Heidegger heet, wordt niet ongedaan gemaakt door geborgenheid, maar ze wordt wel draaglijker. De existentiële betekenis van eenzaamheid en van het ‘in-de-wereld-zijn’ wordt overtuigend verbeeld in Nijhoffs gedicht Dans Pierrot. In dat gedicht ontmoet de trieste clown een vrouw met wie hij wil dansen. Er is sprake van twee wezens met elk hun eigen identiteit, maar de dans biedt geen uitkomst: ‘En mijn stuk hart rammelde van de scherven. // Dit was een dans op den uitersten rand / Der steilten van verbijstring. Als een brand / Joeg waanzin door mijn lijf heen, dat ging breken –’ Op het einde van het gedicht stond de dansende Pierrot alleen in een vale straat, hij ‘vluchtte weg en sloeg [zich] voor ’t gelaat’ (Verzamelde gedichten, 1990, p. 25). In dit gedicht is er sprake van een ontluisterende dans van twee figuren die ten onder gaan aan de moderne chaos en hun ‘solitude à deux’ niet kunnen doorbreken. ‘Als wie een moord deed, heb ik omgekeken’ bekende Pierrot – zijn schaamte doet me denken aan de Franse advocaat Clamence die in Amsterdam tot berouwvolle rechter (‘juge pénitant’) verpopte nadat hij in Parijs een vrouw in de Seine had zien springen. In La chute (1956) of De val (1967) heeft Albert Camus (1913-1960) aangetoond dat een dodendans blijft natrillen tot men er diep over nadenkt. Een dans kan men nog ontspringen, maar de eigen schaduw blijft zoals het verleden van Jean-Baptiste Clamence, zelfs in een nieuwe omgeving, als een existentialistisch ander ik hangen.
Paul Legrand als Pierrot,1855, foto © Nadar, Wikipedia
–


