LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Frank Pollet – Ik, Zuster Gabrielle!

13 apr 2026

Een ‘monument duurzamer dan brons’

door Yvan De Maesschalck



Als schrijver van jeugdboeken en overtuigd activist in de strijd voor het behoud van het bedreigde Doel nabij de Antwerpse haven, hoeft Frank Pollet niet meer te worden voorgesteld. Dat bewijst bijvoorbeeld zijn ophefmakende boek Doel: dorp aan de geldstroom (2000) ten volle. Daarnaast is hij ook een gesmaakt columnist, met bijdragen die onder meer in Poëziekrant werden opgenomen, en een bevlogen dichter die plaatselijk ‘De Eenzame Uitvaart’ coördineert en intussen niet minder dan vijftien bundels publiceerde. De indrukwekkendste proeve van zijn dichterschap is de uitgave Welkom in Polletanië! [verzamelde gedichten 1975 – 2024], een vuistdikke hardcover met een verhelderend nawoord van Paul Rigolle (Uitgeverij les iles, 2024). Daarin zijn alle (gelegenheids)gedichten en reguliere bundels opgenomen, inclusief het voldragen Drie Theremins (2006) – een echte aanrader – en het subtiele Turbulenties! (2017). Sindsdien voegde Pollet nog twee bundels toe aan zijn almaar uitdijende oeuvre: milde.DWNGHNDLNGN (2025) en Ik, Zuster Gabrielle! (2026). Bundels die om meer dan één reden op elkaar aansluiten en erg taboedoorbrekend zijn.

Ik, Zuster Gabrielle! bevat welgeteld honderd gedichten, een verwijzing naar de honderd jaar die de zuster zou hebben geleefd (geboren in 1926), als ze in 1982 niet in mysterieuze omstandigheden was verdwenen uit het Sint-Vincentiusklooster van Dendermonde. Die omstandigheden en allerlei prikkelende details over ‘haar vermoedelijke moordenaar’, priester-directeur Gaston Mornie, voor wie ze als chauffeur fungeerde, worden in de inleiding door rechtsjournalist Philip Heymans uit de doeken gedaan. De bundel heeft de bedoeling een ‘monument duurzamer dan brons’ op te richten, naar de woorden van Horatius, die geciteerd wordt door Heymans. En daar slaagt Pollet ook met verve in: hij richt een indringende cenotaaf op voor de zuster, ter compensatie voor de falende rechtsgang en haar nog altijd spoorloze vermissing. Wat zij achterlaat voor de buitenwereld komt hierop neer: ‘Geen doodskop / laat ik na, de krant heeft mij gehad’, waarbij die ambigue laatste zin verwijst naar de sensatielust van de pers én het feit dat ze allang niet nieuwswaardig meer is (al is niet zo heel lang geleden een podcast over haar gemaakt ).

In de geciteerde verzen is de zuster aan het woord, zoals ze ook in alle andere gedichten sprekend wordt ingevoerd. De bundel opent met een losstaand gedicht, waarop drie reeksen volgen die hecht op elkaar aansluiten. Het openingsgedicht begint met de zelfbewuste verklaring ‘Ik ben geen non!’ en eindigt met ‘Ik ben een gedicht’: beide halfverzen omarmen een tussen haakjes geplaatste strofe waarin de ik zichzelf nader omschrijft. Het gedicht gaat als volgt:

Ik ben geen non! [Ik ben alleen

wat onberekenbaar, een beetje
ongeregeld, ongerijmd en stapel
woorden in mijn eigen logica, ik
ben gezet, een cryptogram, vaak zeer
gecondenseerd en daardoor fout
begrepen, mis verstaan en opgesloten
in mezelf. Toch ben ik alles
behalve het toeval. En in dat alles
ben ik versteld, ontdaan, ontwricht.]

Ik ben een gedicht.

Bovenstaande korte tekst recycleert bijna woordelijk het openingsgedicht van milde.DWNGHNDLNGN, waarvan alleen de kordate aanloop verschilt: ‘Ik ben niet gek!’, maar is verder zowel formeel als inhoudelijk identiek. Op zijn beurt is het eerdere gedicht een gerecycleerde versie van het slotgedicht waarmee Turbulenties! besluit, op de haakjes na. Uiteraard verschuift de betekenis van die tekst op basis van de context in de respectieve bundels. ‘Ik ben geen non!’ botst op het oog met de bundeltitel en met wat ze wel degelijk is: ‘een cryptogram’. De hele bundel is dan ook een poging om de geheimcode die erin vervat ligt te ontcijferen. Bovendien herinnert het slotvers eraan dat de op elkaar aansluitende gedichten, hoe beladen en existentieel ook, tegelijk poëticaal van inslag zijn.

Hoewel de ik-figuur een ononderbroken aanklacht formuleert tegen de priester die alle regels van zijn religieuze gedragscode met voeten treedt, functioneert elke cyclus op een licht andere manier. Zo zou je het eerste en uitvoerigste luik van de triptiek kunnen lezen als een stevig gedocumenteerd dossier à charge, uitgesproken door een betrokken getuige die zichzelf aanvankelijk nog ‘Zuster Thomas’ noemt: ‘Nu ik heb gezien wat ik niet geloofde, // geloof ik’. En dat is een pijnlijke paradox. Ze legt getuigenis af van wat ze gezien, gehoord en genotuleerd heeft over Mornie: ‘Ik houd toegewijd boek / van elke woekering, van elke aantasting / van wat ooit een eerbaar revier / moet zijn geweest’. Ze maakt de pastor gaandeweg tot jachtgebied (cf. ‘revier’) en tast in haar getuigenis tegelijk de grenzen af tussen gebed en confessie, artistieke genietingen en bovenaardse aspiraties, realiteit en mystiek: ‘De lucht vliegt over / mijn schoot vol vreugde, / de martelkamer van mijn ziel’. Daarbij inspireert de zuster zich op de mystica Hildegard von Bingen, wier spirituele lichamelijkheid ook de toon zet in de cyclus ‘Doorschijn’ van de bundel Drie Theremins.

In het tweede luik zoomt Pollet in op de erg gespannen verhouding tussen de zuster, die haar kwetsbare positie expliciteert, en de priester, die haar steeds meer als een lastpost of hinderpaal ervaart. De memorerende ik laat hem woedend reageren: ‘Hij brulde dat het genoeg is / met die vuile brieven’. Of nog: ‘Hij is meer dan een gerucht. / Hij is ziedend, kriegel, stiepel’. Voor de dader, die er een liederlijk leven op na houdt, blijft maar één optie over: de zuster monddood maken door haar finaal uit de weg te ruimen. Maar de vermiste zuster krijgt hier ook recht van antwoord. Ze houdt de verdwijnplek weliswaar geheim, maar suggereert in alle ambivalentie de mogelijke coördinaten:

Ik lig onder een boom

en geniet van de stilte
[die ik in gedichten als een cliché
beleef, maar] die hier en nu de context
voor de storm representeert.

(…)

Ik lig onder een boom
en geniet van de stilte.

Ik ben goed

in verdwijnen.

Bovenstaand citaat bevat enkele witregels die in déze context als een verwijzing naar ‘stilte’ te lezen zijn. Een stilte die Gabrielles onschuld symboliseert, die ze na haar dood alleen op papier kan uitschreeuwen. Maar ook een stilte die wijst op het stilzwijgen van het gerechtelijk apparaat, de medezusters en het kerkelijk instituut. En op die van de misdadiger, die zijn betrokkenheid hardnekkig is blijven ontkennen. Zowel de  ‘boom’ als de ‘storm’ hebben een wrange oudtestamentische connotatie, als mogelijke verwijzing naar de ‘boom van goed en kwaad’ en naar de ‘storm van God’, zoals vermeld in het boek Genesis.

De verontrustend lange nasleep van Zuster Gabrielles verdwijning wordt uitgespeld in het derde luik van de bundel. Het valt te beschouwen als een schrijnende terugblik, met inbegrip van de vele verontschuldigingen en voorwendsels om het onderzoek naar zuster Gabrielle niet ten gronde te voeren. ‘Iedereen heeft recht om te verdwijnen / in een oven, tussen muren, in de grond’, heet het in een titelloos gedicht dat eindigt met een puntloze zin, die mogelijk het onafgewerkte onderzoek weerspiegelt: ‘Niemand heeft het recht om iemand’. Een beklijvende gedachte die meer dan eens wordt herhaald: ‘Er is bijlange niet genoeg gedaan. / Er is zoveel gezwegen, waar de mond / moest opengaan. / Maar je kan helaas nog lager vallen // dan de grond’.

De enige voor wie al dat zwijgen niet geldt, is de biologische moeder van Zuster Gabrielle, ‘de Gabbe’ in de volksmond, waarbij ‘gabbe’ ook synoniem is met ‘de gapende wonde in deze zaak’. De ‘Moeder’ wordt vaak aangeroepen of aangesproken in een onderbroken apostrof, meestal onderaan de bladzijde. En dat tot in het laatste vers van de bundel toe, die met een komma besluit: ‘Moeder, lieve moeder, geloof / me, ik wilde wel,’ (en daardoor alleen al aan Virgula (2021) van Sasja Janssen doet denken). Wellicht om de kans open te laten alsnog iets toe te voegen aan de hommage van Pollet voor Zuster Gabrielle. Een hommage die bulkt van verrassende enjambementen, verhaspelde vaste verbindingen, ‘kwinkslagen, grapjes en verdraaiingen’ (cf. Paul Rigolle). Ze profaneren de clandestiene context waarin zowel dader als slachtoffer hebben gefunctioneerd en tonen aan dat Pollet op zijn best een gedreven en empathisch dichter is.

____

Frank Pollet (2026). Ik, Zuster Gabrielle!. Uitgeverij P, 128 blz. € 20,00. ISBN 9789464757965

     Andere berichten

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Een relatie die niet kon blijven bestaan door Yolandi de Beer - - Ellen Deckwitz (1982) is een van de meest toonaangevende stemmen in de...

Daan Cartens – Slagveld tijd

Daan Cartens – Slagveld tijd

Poëzie omrand met klatergoud door Taco van Peijpe - - Daan Cartens schreef van 1988 tot 2025 vijf dichtbundels, die werden uitgegeven door...