LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Lezen in de oorspronkelijke taal.

19 apr 2026

door Hans Franse

 

In de februarimaand van 1882 kwam in Dublin James Joyce ter wereld. Ik heb over deze schrijver niets gehoord op de Nederlandse radio. Een paar jaar geleden hoorde ik op de Italiaanse culturele zender, RAI 3, toevallig op 2 februari, zijn geboortedag, een uitzending over James Joyce. Even terzijde: je kunt deze culturele zender niet vergelijken met onze ‘NPO – klassiek’. Er is veel minder muziek, maar wel elke middag een boekenprogramma dat ‘Fahrenheit’ heet en een paar uur duurt. Er worden in de late avonduren vaak prachtige meestal live concerten en opera’s uitgezonden, overgenomen uit de hele wereld, wat ertoe leidde dat ik ooit Thomas Oliemans in de Metropolitanopera hoorde in zijn mooie verklanking van de rol van Papageno. Het werd trouwens uitgesproken als [Oliejemans] (in het Italiaans worden alle klinkers uitgesproken, wat er ooit toe leidde dat ik aanvankelijk niet begreep wat een [bower] was, dat was een Zuid-Afrikaanse boer/boër).
Terug naar die uitzending. In het programma RAI-science, waarin Joyce op een wetenschappelijke wijze werd ontleed in een gesprek tussen twee heren die zeiden het boek te hebben gelezen, zij het in een vertaling. De geëngageerde wetenschapper merkte op dat het goed zou zijn dit baanbrekende boek in de oorspronkelijke taal te lezen: je komt anders niet in de klank- en betekeniswereld. Hij stelde dat je eigenlijk ook ‘La divina Commedia’ van Dante Alighieri alleen moet lezen in de oorspronkelijke taal om de taal- en klankwereld en de gigantische taalrijkdom van de grote schrijver te ervaren.

Ik ben het ermee eens: een vertaling, hoe goed ook, laat je niet de adem van de dichter ervaren. Ik lees kleine stukjes uit Dantes goddelijke fantasie vol politieke gemeenheidjes en probeer taalrijkdom, rijmschema en lettergrepentelling te ervaren. Het oude Italiaans lijkt weliswaar meer op de actuele taal dan ons Middelnederlands, maar blijft moeilijk en het is een heel dik werk. In een vorige column heb ik verteld dat ik in San Gimignano een geheugenwonder ontmoette dat op de hoek van straat, gekleed in een toga, het hele werk uit zijn hoofd opzei; men luisterde ademloos, de tekst leek te leven in het publiek, wat iets zei over de appreciatie van het Italiaanse literaire erfgoed. Overigens vertelde een boekhandelaar in Cesena mij dat men in Italië gemiddeld één boek per jaar leest. ‘Misschien door Corona anderhalf’, voegde hij eraan toe.

Ik herinner me nog heel goed dat ik voor de eerste keer het avontuur aanging om een Engels boek te lezen zonder dat het voor school moest. Het waren verhalen van Chesterton over Father Brown die ik eerst in een vertaling van Godfried Bomans had gelezen. Toen ik eenmaal in het ritme zat en de kleur van de taal ervoer, het eigene van de stijl en de taal van Chesterton, nam ik mij voor, zoveel mogelijk in de oorspronkelijke taal te lezen. Ook even terzijde, in mijn jeugd kreeg je pas Engels in de tweede klas van het gymnasium waarop ik beland was; het was Frans dat de klok sloeg. Ik las daarna ‘The big sleep’ van Raymond Chandler, weer een heel andere ervaring; het maakte mij tot een grote fan van Philip Marlowe. Ik las ook wat mijn lievelingsboek werd in de oorspronkelijke taal, ‘Terre des hommes’ van Antoine de St. Exupéry. Het haalde mij uit de depressie na de dood van mijn vader, die stierf op mijn dertiende jaar. Dat ik Herman Hesse en Heinrich Böll ontdekte in het Duits lijkt logisch.

Poëzie bleek wat moeilijker te zijn, maar gedichten van Edgar Allen Poe en Walt Whitman overtroffen alles wat ik op school had gelezen. Maar de schoolse ontmoeting met Shakespeare deed mij zijn sonnetten ontdekken, ze begeleiden mij nog dagelijks.

Ik merk nu dat mijn leeservaring inconsistent is: ik heb veel boeken niet gelezen omdat ik de taal niet beheers. Gelukkig heb ik er vaak over gelezen, dus ik sta in een gesprek niet met mijn mond vol tanden. Misschien is het de leeftijd, die wat milder stemt, ik lees nu wel vertalingen. Russische boeken las ik altijd al in vertaling. Dat had met vele Russische films te maken en de Russische muziek. Ik las veel van Poesjkin, Toergenjev en Tsjechov en bezocht zijn graf in Moskou.

Van James Joyce las ik niet veel. Hij leefde in Triëst, een stad met twee zielen, Oostenrijks en Italiaans. Je loopt daar in feite in zijn dronken voetstappen in een permanente ‘stream of consciousness’ op weg naar een volgend woonadres, want hij betaalde de huur nooit. Hij passeerde dan de brug over het Canal Grande waar nu een beeld van hem staat alsof je hem tegenkomt. Het werkt zoals het schitterende beeld van Paul van Vliet bij de brug op de Nieuwe Uitleg in Den Haag, de plaats waar je hem vroeger tegenkwam, vlakbij zijn huis.
Er staat ook een buste van Joyce in het park langs de Via Giulia tussen andere belangrijke inwoners van Triëst. Hij staat naast de buste van Italo Svevo, die eigenlijk Ettore Schmitz heette, een leerling van Freud die uit Wenen kwam en de eerste psycho-analytische praktijk daar opende: een zielenknijper in een stad met twee zielen. Ook Svevo heeft een beeld op straat. Je ontmoet hem daar alsof hij loopt te denken over zijn boek over rookverslaving ’La coscienza di Zeno’.

Rond Kerstmis waren we in Triëst. Mijn vrouw fotografeerde mij toen ik bij het beeld van James Joyce stond en in zijn oor fluisterde. Ik vroeg hem excuus dat ik wel over ‘bewustzijnsstromen’ praat terwijl ik ‘Ulysses’ niet gelezen heb. Ik hou niet van boeken waar je een literaire goedgekeurde ANWB-wijzer voor nodig hebt om de weg te vinden. ‘Wel Dubliners’, zei ik. Hij was niet boos op me, hij was bovendien te dronken om naar me te luisteren.

 

 

foto’s © Hans Franse

 

 

 

     Andere berichten

Parlando!

door Rogier de Jong   Parlando? Wat is dat? Een nieuw bedachte taal, de opvolger van Esperanto? Nou nee. Zoals elke kunstvorm...

Het is dadelijk dag

Het is dadelijk dag

door Jan Loogman   Kortgeleden bracht mijn vriend Paul Kroes zijn derde roman uit: Vader, Zoon, Engel, een boek waarin een vader en...