Hoe ze wortelen
door Ellis van Atten
De tweede bundel Tussen vreemden van Laura Mijnders, pseudoniem van Laura van Meijeren, verscheen afgelopen januari bij Uitgeverij Passage. Volgens de achterflap een zoektocht naar de wortels van de dichter en haar familieleden. Ze zouden zijn als mycelium onder de grond, dat een netwerk vormt, onlosmakelijk verbonden.
De bundel is verdeeld in drie afdelingen, die genummerd zijn. In de eerste afdeling zijn er anekdotes uit het gezinsleven te vinden met herkenbare beelden: lang haar dat vastloopt in een op afstand bestuurbaar autootje van een broer, kreukelfriethanden van een oma die in wangen knijpen en jongensvingers die gevouwen worden tot verrekijker.
–
op de rekening bevinden zich nog altijd sporen
van onze aanwezigheid, tussen de 200 biertjes
en glazen wijn telde men maar liefst 35 fristi’s
–
mama had ons in het nieuw gestoken
Rolands oma kon het niet laten om met
haar kreukelfriethanden steeds in onze wangen
te knijpen, we verenigden ons in afschuw
–
proostten op waar we nog niet van wisten
hoe ik verlegen achterbleef en daarin
zou blijven hangen terwijl jij je kleine vlinderdas
recht schoof en de volgende ronde bestelde
–
keek ik toe hoe de barman rietjes in de flesjes stak
iemand maakte van dat moment een foto, nog altijd
hangen we als driejarige en vijfjarige aan de muur en
–
toen ma op een dag de deur uitliep vond pa het nodig
de foto als voorbeeld te gebruiken; hoe je ergens lang
kunt blijven hangen zonder ooit gevuld te raken
In bovenstaand gedicht zijn de beelden herkenbaar, wie voelde zich als kind niet wel eens ongemakkelijk op een feest voor volwassenen? De beelden zijn wat voorspelbaar, maar het geeft de wending in de laatste strofe wel kracht. De laatste regel is zo raak.
In de tweede afdeling komt de actualiteit ook aan bod, van vluchteling tot de Groningse bodem die leeggezogen werd. Het gedicht ‘Vluchteling’ raakte me niet alleen doordat het over oorlog en kinderen gaat; het kan ook gaan over alle kinderen – zelfs volwassenen – met welke grote tegenslagen ook.
–
die avond beginnen de geluiden
kogels ketsen af tegen een speeltoestel
–
we kruipen joelend uit het puin, laten zien
dat ook tienjarigen het lot durven tarten
tegen de schade van het onredelijke opgewassen zijn
–
onderweg spreek je over revolutie, zwaait
wild heen en weer met een klappertjespistool
de nacht galmt nog na in onze hoofden
–
alle schatten die we vinden: een stukje
van een voetbal, een afgekloven pen
we steken een land over, je belooft
–
dat er niets is om voor om te keren
er ergens vast wel een andere speeltuin is
In het gedicht ‘Goninger bodem’ verplaatst Mijnders zich in de bodem, die in dit gedicht de ‘ik’ is. Dat werkt goed, zeker in de laatste twee regels: ‘in mijn lagen bevindt zich een universum / dat uit elkaar lijkt te barsten’. Hier spreekt urgentie uit: doe iets!
In de derde afdeling is er weemoed, vergankelijkheid, afscheid en ook hoop. Vader, moeder en opa komen voorbij. Het gedicht ‘Hospice’ eindigt met deze weemoedige, berustende regels: ‘(…) de bloemen / op het afbladderende suède behang // laten hun kopjes steeds verder hangen / tegen de kamer, waarin straks / verse lakens, niemand nog zucht’.
–
ze kwam steeds vaker langs, klopte mijn vader
op zijn schouders, de kamer vulde zich met
verkramping, ik klampte me vast aan haar dekbed
–
’s avonds vroeg ze me om op wacht te staan
zo leerde ik tellen; door naar een hartslag te luisteren
het aantal keren dat je iemand gerust kunt stellen
–
te turen in mijn dagboek, na zo’n bezoek zat ze
vaak kort rechtop voordat de slaap als een strenge
winter inviel, ze hield vol
–
dat ze op een dag een lente worden zou
hoe haar lichaam zich zou ontvouwen tot iets
anders, ik reik naar de cocon in haar lijf
–
tel elk voorjaar de veren van de dode vogels
om ons huis, trek de vleugels van elke vlinder uit
Prachtige laatste regels. Stof tot nadenken, zoals meer regels in deze bundel. Wat ik soms als verwarrend of als veel ervaar bij het lezen van sommige gedichten, zijn de vele personages. In het gedicht ‘Ontdooid’ zijn er de ‘vader’, de ‘zij’, en de ‘ik’. In een ander gedicht ‘Wat rest’ maakt de lezer in de eerste strofe kennis met drie personages: ‘zijn hand ligt op de klink, haar kamer gunt ons / een blik in haar versplinterde geest, ik denk / er raast hier een snelweg aan gedachten / alles is van elkaar los geraakt en toch een geheel (…)’. In de derde strofe lijkt de ‘zij’ van ‘haar kamer’ te veranderen in ‘je’: ‘(…) het matras waarop je sliep gaat naar / een nieuwe bewoner, zo wordt ons meegedeeld / wat je achterlaat is niet altijd iets wat overbodig wordt (…). Dit gebeurt in meer gedichten en het vraagt wat van de lezer; die moet alert blijven. Wellicht heeft Mijnders er een bedoeling mee, mij leidt het vooral af van de inhoud die prachtig is.
De bundel geeft een inkijkje in het leven van en de zoektocht naar de wortels van Mijnders en haar familieleden, waarin iedere lezer iets in zal herkennen door de eenvoudige herkenbare beelden. Een mooie laatste regel uit het gedicht ‘Wortels’ is: ‘hoe ze wortelen op plekken waar je ze eigenlijk niet wilt hebben’.
Het mycelium waarover wordt gesproken op de achterflap zou terug moeten komen in het gedicht ‘Verbinding’. Dit gedicht wordt genoemd in de ‘Verantwoording’, maar is niet terug te vinden in de bundel. Die nieuwsgierigheid blijft.
Leuk detail: achterin de bundel is een QRcode die naar Soundcloud leidt waar je de gedichten kunt beluisteren. Zeker doen!
_____
Laura Mijnders (2026). Tussen vreemden. Uitgeverij Passage, 64 blz. € 17,50. ISBN 9789054524519




