Woorden die schuren, klauwen en branden
door Yolandi de Beer
Caty Moerman (1976) woont in Blankenberge en volgde schrijflessen aan de Kunstacademie De Poel in Gent. Daar ontwikkelde ze zich onder begeleiding van dichter David Troch in zowel poëzie als het schrijven van korte verhalen. In 2022 viel haar werk op tijdens De Gedichtenwedstrijd: twee van haar gedichten bereikten de top duizend, waarvan één zelfs de top honderd, die een plaats kreeg in de wedstrijdbundel. Daarnaast verschenen meerdere gedichten van haar op Meander. In deze vroege publicaties zijn al de stijlkenmerken te herkennen die later een belangrijke rol spelen in haar debuutbundel Tongbreker: beeldrijke taal, een scherpe observatie van de werkelijkheid en een poëtische zoektocht naar de kwetsbaarheid van de mens.
Tongbreker bestaat uit vier afdelingen: ‘Schor en scheef’, ‘Vochtvreters’, ‘Speldenprikken’ en ‘Luchtledige zuchten’. Alleen al deze titels beloven geen lichte of zorgeloze leeservaring. Ze roepen beelden op van iets dat schuurt, prikt, breekt en naar adem doet happen. De bundeltitel verwijst niet alleen naar moeilijk uitspreekbare woorden, maar ook naar de kwetsbaarheid en kracht van taal zelf. In Moermans gedichten is taal iets lichamelijks: de tong spreekt, zwijgt, proeft en kan zowel verwonden als troosten. Haar woorden zijn niet gladgestreken of gemakkelijk te verteren. Ze bijten, branden en blijven nog lang nazinderen bij de lezer.
In de eerste afdeling, ‘Schor en scheef’, neemt Moerman de lezer mee naar een wereld waarin herinneringen, jeugd en relaties niet veilig of vanzelfsprekend zijn. Alles voelt uit balans. De stem in de gedichten klinkt schor, alsof er te lang is gezwegen of juist te veel is geschreeuwd. Die onrustige sfeer is meteen voelbaar in het gedicht ‘Vuur’. Vanaf de eerste pagina trekt Moerman de lezer een wereld in die ongemakkelijk aanvoelt, maar ook nieuwsgierig maakt.
–
Om gure schimmen uit de gordijnen te jagen,
slaan we een deken over de koppen en beramen
–
een kampvuur met gehavende poppen errond.
Hier een pluk haar eruit, daar een oog kwijt,
sommige slechts een bikkelharde romp
–
onder een ingedeukte kop. Het lijkt nergens op
maar ze vatten vuur zodra een vinger ze beroert.
Het gedicht begint met een bijna huiselijk tafereel, maar verandert al snel in iets dreigends. Door het werkwoord ‘beramen’ krijgt het kampvuur een donkere en onheilspellende betekenis. De gehavende poppen staan symbool voor mensen of herinneringen die beschadigd zijn. Moerman schrijft in vrije verzen en gebruikt sterke enjambementen en harde klanken, waardoor de vorm de inhoud extra kracht geeft. Vooral het slot maakt indruk: wat afgedankt of kapot lijkt, kan nog altijd opnieuw vlamvatten. Eén kleine aanraking is genoeg om oude herinneringen weer tot leven te brengen.
In de tweede afdeling, ‘Vochtvreters’, verplaatst de dreiging zich naar binnen. Emoties nestelen zich in het lichaam en komen terug in beelden van ribben, huid, adem en klauwen. Moerman vertelt niet letterlijk wat iemand heeft meegemaakt, maar laat vooral voelen welke sporen die ervaringen hebben achtergelaten. Juist daardoor krijgen de gedichten een universele kracht: de lezer hoeft de voorgeschiedenis niet te kennen om de spanning en emoties te ervaren.
‘Speldenprikken’, de derde afdeling, bevat kleine, nauwkeurige verwondingen. Geen grote explosies, maar pijn die onder de huid blijft steken. Dat blijkt prachtig uit ‘Hart’.
–
Je doolt door de achterbuurt van het verleden
en loopt tegen jezelf aan, slaat armen als slobbermouwen
–
rond je lijf om jezelf voor klauwen te behoeden
en je glipt alsnog door de mazen.
–
Wollen woorden wiegen de tocht van tussen de ribben
maar niemand heeft oog voor de zwaartekracht,
–
hoe je hart als een steen in je vuist rust.
‘De achterbuurt van het verleden’ is een bijzonder sterk en origineel beeld. Het verleden wordt voorgesteld als een stad met donkere stegen waar je liever niet terugkomt. Ook de vergelijking ‘armen als slobbermouwen’ is treffend: bescherming voelt slap en onvoldoende. De zachte alliteratie in ‘Wollen woorden wiegen’ vormt een mooi contrast met het zware slotbeeld van een hart dat als een steen in een vuist rust. De ‘wollen woorden’ proberen ook troost te bieden, maar het echte gewicht van het verdriet blijft voelbaar. Woorden kunnen pijn verzachten, maar ze kunnen haar niet helemaal wegnemen. Technisch zit het gedicht zorgvuldig in elkaar. Door de enjambementen vertraagt het leestempo, waardoor de emotionele spanning steeds verder wordt opgebouwd.
De laatste afdeling, ‘Luchtledige zuchten’, draait om verdriet, stilte en alles wat niet hardop gezegd kan worden. Een zucht is lucht die je uitademt, maar in een luchtledige ruimte kan niemand die horen. Die titel past goed bij de bundel. Na alle pijn, spanning en lichamelijke beelden blijft een stem over die wel iets wil zeggen, maar niemand lijkt te bereiken. Dat is precies de kracht van Tongbreker. Moerman geeft geen uitleg en biedt geen eenvoudige antwoorden. Ze laat de lezer vooral voelen. Met verrassende metaforen en sterke beelden maakt ze emoties tastbaar. Ze schrijft helder en toegankelijk, maar weet met gewone woorden iets op te roepen dat nog lang blijft hangen.
Tongbreker is een sterk debuut. Caty Moerman laat zien dat ze beeldspraak, klank en enjambementen goed beheerst, zonder dat haar poëzie moeilijk of afstandelijk wordt. Haar gedichten zijn rauw, kwetsbaar en eerlijk. Ze vragen om rustig gelezen te worden, omdat achter bijna elke regel een nieuwe laag schuilgaat.
Je leest deze bundel niet zonder geraakt te worden. Niet omdat Moerman grote antwoorden geeft, maar omdat ze laat voelen wat vaak moeilijk onder woorden te brengen is. Dit is een bundel die je niet na één keer lezen weglegt, maar waar je steeds weer naar terug wilt keren om nieuwe beelden en betekenissen te ontdekken.
____
Caty Moerman (2026). Tongbreker. Uitgeverij P, 64 blz. € 19,50. ISBN 9789493534070



