foto genomen in maart 2025 te Den Haag door een aardige mevrouw die voorbij liep
Rabin Gangadin werd geboren in Paramaribo. Rabin studeerde in 1986 af als arbeidssocioloog en promoveerde in oktober 1998 tot doctor in de sociale-economie. In 2001 studeerde hij af als landbouwingenieur aan de Landbouwuniversiteit te wageningen en in februari 2004 legde hij de eerste hand aan zijn tweede dissertatie op het gebied van het strafrecht.
In 1981 werd in het maandblad Avenue het hele literaire katern gewijd aan proza en poezie van de debuterende Rabin Gangadin. Hierna volgden ondermeer De Gids, Argus, Yang, Ons Erfdeel, Maatstaf en De Tweede Ronde.
Rabin verwierf bekendheid met zijn van cynisme en scherpe kritiek doorschoten essays en literaire kritieken, gepubliceerd in onder andere de Weekkrant Suriname, Onze Wereld, Gazet van Antwerpen, Hervormd Nederland, Elseviers Magazine en Ons Erfdeel. Op grond van zijn gepubliceerde essays op het gebied van de taalwetenschappen in een periodiek van de faculteit der neerlandistiek van de universiteit te Antwerpen en in sommige Belgische literaire tijdschriften, besloot de Nederlandse Tweede Kamer in 2005 op aansturing van de heer Boris Dittrich van D’66, Surinaamse nieuwkomers te ontzien van de inburgeringswaardige taalplicht. Van Dittrich ontving Rabin een bedank email.
Uit zijn poëziemanuscript Mechanica van het alledaagse koos de redactie vier gedichten.
–
In de hoek van de kamer
ligt een schaduw
die niet van mij is.
–
Zij beweegt niet,
maar verandert wel
van intensiteit.
–
Ik kijk ernaar
en voel hoe mijn blik
zich uitstrekt
tot voorbij het zichtbare.
–
Misschien is dit
het verdwijnpunt
waar mijn gedachten
naartoe glijden
wanneer ik niet oplet.
–
Het bed is een landschap
dat elke nacht verandert.
–
De plooien in het laken
vormen reliëfkaarten
van dromen die ik niet herinner.
–
Wanneer ik wakker word,
ligt mijn lichaam
op een plek
die ik niet heb gekozen.
–
Misschien is slapen
een vorm van reizen
zonder bestemming.
–
Hij zit in een stoel
die hem nauwelijks raakt.
–
Zijn gedachten zweven
als rook die weigert
een vaste vorm aan te nemen.
–
Hij spreekt weinig,
maar wanneer hij het doet
klinkt het alsof hij
een andere tijdzone bewoont.
–
Zijn blik blijft hangen
op een punt dat niet bestaat
in deze kamer.
–
Hij opent zijn mond
maar sluit hem weer
nog vóór het eerste woord
zich vormt.
–
Zijn handen zoeken houvast
in objecten
die niet voor hem bedoeld zijn.
–
Hij beweegt traag,
alsof elke beslissing
een valkuil verbergt.
–
Zijn schaduw
is de enige die weet
welke richting hij kiest.

