Dwalen in gesmaakte taal
door Peter Vermaat
–

–
Voor wie zich ooit afvraagt wat er gedaan wordt met het prijzengeld van de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff, in het bijzonder die van 2023 – nou, dit. Het lijvige (bijna 500 pagina’s), prachtig vormgegeven (hardcover met stofomslag, met illustraties van Henri Jacobs op de schutbladen, de binnenzijde van de stofomslag en in fragmenten op de deelpagina’s) en vooral ook conceptueel opgezette boek, waarbij de benaming ‘bundel’ een gotspe zou zijn, met de titel Mondruimtes & matroesjka’s, waarin ik mij de afgelopen weken mocht onderdompelen, is naar mijn gevoel niet te bespreken zonder het tegelijkertijd tekort te doen.
Voor wie, zoals ik, ondanks Rilke, Kleist en Trakl een toch vrij beperkte kennis van en ervaring met de Duitse poëzie heb, is Naaijkens’ boek tegelijkertijd een goudmijn, een caleidoscoop en een fata morgana. Het toont in één slag aan hoe breed de huidige Duitstalige poëzie is, hoe persoonlijk Naaijkens’ uitsnijwerk daaruit is en hoe actueel – en daarmee tegelijkertijd ook tijdelijk. Het beste laat ik hem daarover zelf aan het woord: ‘(…) Bovendien heb ik vooral dichters opgenomen die ik persoonlijk heb leren kennen en wier werk ik hierbij opvoer als resultaat van die ontmoetingen. Om het nog subjectiever te maken: ik koos van die dichters ook nog eens voor één specifieke bundel en daaruit één reeks, één cyclus, één lang gedicht of één samenhangende groep gedichten. Het doel was de dichters substantieel voor te stellen, niet met een eerder willekeurige selectie. (…) de teksten moeten voor zichzelf spreken, het belang ervan moet spreken uit de vertaling.’ [pp. 473-474]
Wat opvalt – naast de enorme verschillen in stijl, onderwerpen of lengte per gedicht – is dat vrijwel alle gedichten op de een of andere manier te maken hebben met de taal zelf, of het nu gaat om het gebruik van meerdere talen naast het Duits (bijvoorbeeld Engels, Russisch maar ook Nederlands) of om de manier waarop woorden leiden tot verwoording, zoals onderstaand gedicht van Róža Domašcyna (*1951):
| – het woord sbosjo – kun je vastpakken groente zit erin ook een neutrale envelop of een ei gewoon elk voorwerp in het oppersorbisch bevat het goddelijks & geluk in het nedersorbisch het brave vee in het tsjechisch is ’t het begrip voor waren en in het pools voor graan – het is een kwestie van kiezen met dat woord – [p. 298] |
– das wort sboscho – kannst du anfassen gemüse trägt es in sich auch ein neutraler briefumschlag oder ein ei einfach jeder gegenstand im obersorbischen beinhaltet er göttliches & glück im niedersorbischen das liebe vieh im tschechischen ist es der begriff fúr ware und im polnischen für korn – man darf es sich aussuchen das wort – [p. 350] |
Het Sorbisch is een officiële minderheidstaal in Duitsland, die nog door hoogstens zestigduizend mensen, voornamelijk woonachtig in de Lausitz (Sorbisch: Łužica), een regio tussen de rivieren Bóbr, Kwisa en Elbe op de grenzen van Duitsland, Polen en Tsjechië – de naam is afgeleid van een Sorbisch woord voor zompig weideland – wordt gesproken. Er zijn sterke verwantschappen met zowel het Tsjechisch als het Pools. Domašcyna schrijft zowel in het Duits als het Sorbisch en zij maakt bewust gebruik van de meertaligheid van zichzelf, haar cultuur en haar afkomst. Een dergelijk verschijnsel zien we ook in Nederland, waar Nisrine Mbarki Ben Ayad onlangs in een interview met Meander aangaf dat ze herinnerd zou willen worden ‘als de dichter die de grenzen van het papier heeft opengebroken en de Nederlandse poëzie voor eens en voor altijd meertalig heeft gemaakt.’ Ook over de grens bevindt zij zich daarmee in goed gezelschap.
Een ander boeiend gedicht beweegt zich zowel taalkundig als geografisch door meerdere ‘gebieden;, waarin we meteen het landschap bij het Drielandenpunt herkennen en als gids Christoph Wenzel (*1979) meekrijgen:
| knooppunten IV – een tourniquet of overstapje naar de weides, kalk en mergelgronden tussen nederlands en limbörgs, wallon, zeg me, hoe zit jij in je taal, spreek: versta je me? nee? luister dan. de taal, das tal, getal, en wat gebeurt hier tussen een en twee en drie, tussen knooppunt x en y: het verhaal gaat voorwaarts, hoeveel stappen nog? en dan. en dan? klompenpaden leiden je door de enclave, waar nu heen? we wandelen stoer langs de voer en horen schoten van de splitsing in het bos terwijl het schoontijd is. (voor wie?) een kreet nog die wegsterft in het bos. in het limbörgs? – waals? – [p. 255] |
– – – – – knotenpunkte IV – ein drehkreuz oder zauntritt zu den weiden, kalk und mergelböden zwischen nederlands und limburgs, waals, sag mir, wie hältst du’s mit der sprache, sprich: verstehst du mich? nein? dann hör doch zu. de taal, das tal, die zahl, und was passiert wier zwischen eins end zwei und drei, zwischen knooppunt x und y: die erzählung geht voran, wie viele schritte noch? und dann, und dann? trampelpfäde führen dich durch die enklave. wo geht’s hin? ein spaziergang führt uns stramm entlang der voer. und plötzlich schüsse von der gabelung im wald. dabei ist schonzeit jetzt. (für wen?) ein ruf noch, der im tal verhallt. war das limburgs? – oder waals? – [p. 458] |
Wie de vertaling vergelijkt met het Duitse origineel, zal opmerken dat er hier en daar wat klankrijkdom verloren gaat en mogelijk een paar interessante details. Wenzel speelt hier op iedere vierkante centimeter met de onbepaaldheid van zowel terrein als taal – wat hoort bij wie? Op basis van de klankherhaling zou ik bijvoorbeeld bij het voordragen ervoor kiezen om x en y in ‘x und y’ in het Nederlands uit te spreken, aangezien dan ‘y’ rijmt op ‘drei’ en ypsilon niet. Daar staat dan tegenover dat de vertaling ‘wegsterft in het bos’ van ‘im tal verhallt’, letterlijk ‘in het dal vervaagt’ toch iets meer lading geeft aan de voorafgaande ‘schoten’ en ‘kreet’. Mogelijk speelt hierbij een rol dat in de andere delen van de reeks ook de overblijfselen van de oorlog aan het daglicht treden.
Juist dit gegeven maakt het ‘vertalen’ als proces interessant, maar tevens ingewikkeld. Ieder gedicht is immers ook als in de eerste vorm een vertaling – van de gedachten, beelden, ‘taalproeverij’ van de dichter. Taal is niet alleen een drager van cognitieve drang om te begrijpen, in woorden te duiden (en daarmee te begrenzen), maar evenzeer van associatie, van temperatuur, van levens die zich in de loop van de geschiedenis aan het jouwe gehecht hebben. Iedere lezer zal de analogie met voedsel tot op voldoende hoogte tot zich kunnen nemen – een mengsel van op zichzelf meer of minder voedzame ingrediënten, waaraan ieder individu zijn geheel eigen conglomeraat van smaak toevoegt, bestaand uit de meer basale (kinder)sensaties van ‘lekker’ of ‘vies’ en de al snel nauwelijks door een ander ‘na te ervaren’ mengelingen van proeven en herinneren, hoogstens te duiden met aan het cliché grenzende uitdrukkingen als ‘de soep van tante’ of ‘de karnemelkse pap van oma’. Om nog maar te zwijgen van ‘spruitjeslucht’. Hierbij is de dichter degene die de groente snijdt, de kruiden mengt, kiest voor olie of boter, besluit tot koken, bakken, sauteren, marineren, pocheren of toch de rauwe vorm prefereert. En ten slotte de hamvraag: wat is leuker, interessanter, het vervaardigen van het recept, de twijfel tussen ingrediënten, de bereiding of het uiteindelijke gerecht? Zowel voor de dichter als de lezer is poëzie uiteindelijk altijd dwalen in gesmaakte taal.
Naast al het bovenstaande richt ook de Duitse dichter zich tot de lezer, de andere dichters, de vertaler en alle anderen die om zich heen kijken op zoek naar een duider, een gids en die wachten op een antwoord, een teken. En de duivel van dienst is deze keer Monika Rinck (*1969), die in haar bundel Höllenfahrt & Entenstaat uit 2024 ‘zichzelf en haar lezers ironisch maar scherp toe[spreekt], met de voet vol op het gaspedaal.’ [p. 218].
| – – kom, kom – Kom, ik leid je erdoor, weet je, ween je, kom, ik weet waar goede wegen zijn, ik ken de wachten onderweg en elke way van rust. – Hee, kom mee. Je zult veel moeten achterlaten. De rest kun je transporteren: proviand, je lot. – Het beest, personeel? Dacht van niet. Ja toch. De podia, al die mensen op stoeltjes, met drankjes, en wat ze zeiden, komen mee. – Herinner je, herinner me, aan alles wat ik zag. En een salto, please, een saltootje, darling. – —– Ja, de boze God van — —februari, —- –Die heeft alles eruit gerukt, —– zomaar. – [p. 214] |
– komm, komm – Komm, ich führe dich hindurch, weißt du, weinst du, komm, ik weiß, wo gute Wege sind, ich kenne am Weg die warten und alle Arten zu rasten. – Du, komm mit. Du wirst viel hinterlassen müssen. Anderes kannst du transportieren: proviant, Geschick. – Das Vieh, das Personal? Ik glaube nicht. Doch. Die Bühnen, all die Menschen auf den Sesseln, mit Getränken, und was sie sagten, kommen mit. – Erinnere dich, erinnere mich, an alles was ich sah. Und einen Salto, bitte, einen kleinen Salto, Darling. – —– Ja, der böse Gott vom — —Februar, —– Der hat alles rausgerissen, —– jäh. – [p. 415] |
Uiteraard blijft het hier niet bij.
____
Ton Naaijkens (2026) Mondruimtes & matroesjka’s. Uitgeverij M10Boeken, 480 blz. € 39,50. ISBN 9789493332324



