LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Een middag in de Eilandspolder

7 jun 2026

door Jan Loogman

 

Het water is een wonder ding, zegt Guido Gezelle en daarna weidt hij uit over het geluid van water: Een wonderding / Om hooren; / bekooren / ’t Kan de ooren. Of het water nu van de daken loopt of in de beke vliet,  Gezelle vindt het een wonder ding, net als het water dat in den zeekom ligt en dat in den beker blinkt. Telkens geldt: het zingt het klinkt het blinkt.

Gezelle komt bij ons boven omdat we op het water zitten, maar dit vaarwater vinden wij niet bij hem en trouwens, zeggen we tegen elkaar, zo bekoorlijk is het geluid van het water niet altijd voor iedereen. We halen Marsman aan: en in alle gewesten / wordt de stem van het water / met zijn eeuwige rampen / gevreesd en gehoord.  We dissen herinneringen op aan het gebrul en gebulder van de golven van de Atlantische Oceaan en hoe zij ons uitdaagden. Hoe ik de uitdaging niet kon weerstaan en het water inging waarna de golven me niet één – , niet twee – , maar vele malen over de kop gooiden. Water kan nog wel iets anders dan zingen en klinken en blinken.

Maar dit water is anders. Dit is de Eilandspolder, ooit een eiland tussen de grote Noord-Hollandse meren, tegenwoordig een waterrijk gebied tussen de droogmakerijen Beemster en Schermer. Het voormalig eiland is niet alleen waterrijk, het is ook vol vogels. Hans Tentije beschreef hoe op een oktobermiddag zes blauwe reigers boven de polder op weg waren, hoog in de lucht: … en eentje riep er, schor, als om de rest aan te sporen. De dichter hoorde heel wat in die schorre roep: … was die kreet / niet ook voor mij bestemd, van een verlangen reppend / dat pas met het sterven wordt geblust? Maar wij zien en horen geen reigers, voor ons is het een voorjaarsdag en het zijn grutto’s die ons roepen. Vanaf grasveldjes en oeverpaaltjes stijgen zij op en fladderen driftig voor ons uit. Ze scheren omlaag, werken zich omhoog en steeds roepen zij. Wat wij daarin horen, is zeker geen verlangen dat pas met sterven wordt geblust. Woede horen wij. Blijkbaar zijn er jonge nesten, zeggen we tegen elkaar en we veinzen geen belangstelling te hebben voor de opgewonden vogels, wij gunnen hun onze snelle aftocht. We verlaten de sloten en drijven een breder water op, een kabbelend water en nu horen we Kopland: Ik kijk naar het water- en of het stil is / of zwart, en rimpelt of glinstert, het doet maar / ik denk: zo is het, dit is hoe het moet.

 

 

foto’s
1 Water © New Scientist
2 Water © Jan Loogman
3 Eilandspolder ©  laag holland, Maarten Koolhaas

     Andere berichten

Oneindig blauw

door Marianne Hermans   Daar in die vrije verbeeldingsruimtetijdscapsule, zo stel ik me voor, is alles blauw. Geen koningsblauw of de...

De waarheid van de dichter

door Romain John van de Maele   Johann Wolfgang (von) Goethe © Wikipedia In zijn autobiografie Aus meinem Leben. Dichtung und...

Kwetsen in de poëzie

door Willem Tjebbe Oostenbrink     Een zoektocht door de wereld van de poëzie bracht me bij de criteria en regels van...