‘over Pessoa’s Faust: een drama in dichtvorm’
door Sander de Vaan
Fernando Pessoa (1888–1935) geldt als een van de grootste dichters van de Portugese taal en een van de belangrijkste Europese schrijvers van de twintigste eeuw. Zijn werk kenmerkt zich door een enorme veelzijdigheid: hij schreef niet alleen onder zijn eigen naam, maar creëerde ook verschillende literaire alter ego’s, de zogenaamde ‘heteroniemen’, elk met een eigen stijl, levensverhaal en wereldbeeld.
Harrie Lemmens vertaalde veel teksten van Pessoa op indrukwekkende wijze naar het Nederlands. Zo verscheen onlangs bij de Arbeiderspers het lijvige Faust, waarin de dichter zijn interpretatie van deze legendarische figuur geeft. Sander de Vaan stelde vertaler Harrie Lemmens meerdere vragen.
–

foto © Ana Carvalho
Harrie, wat trekt je vooral aan in de persoon Pessoa en zijn werk?
De enorme rijkdom en gevarieerdheid van zijn werk en, onlosmakelijk daarmee verbonden, zijn persoon. Dat laatste klinkt raar voor iemand die tijdens zijn actieve leven zijn geboorteplaats Lissabon amper verlaten heeft, maar hij was er bijzonder actief in literaire (modernistische) en journalistieke kringen. Met als belangrijkste ontmoetingsplaatsen de cafés in het centrum, met name A Brasileira op het Chiado, waar hij in brons vereeuwigd op het terras zit, en Martinho da Arcada, aan het grote Praça do Comércio, aan de rand van de Taag. Daar schreef hij ook, onder allerlei namen, door hemzelf gecreëerde persoonlijkheden die hij heteroniemen noemde, op losse velletjes, op kranten en op briefpapier van een van de handelsfirma’s waarvoor hij de correspondentie verzorgde of vertaalde. De gedichten en gedachten die hij optekende vonden soms hun weg naar kranten en tijdschriften, en één keer naar een boek, Mensagem (Boodschap). Maar meestal stopte hij ze in een grote kist, de ‘arca’. Om later, ooit, te ordenen en uit te geven. Een enorme hoeveelheid literatuur en essayistiek over uiteenlopende onderwerpen waar we nu, lang na zijn dood, de vruchten van plukken.
Waar ‘staat’ Pessoa volgens jou in de wereldliteratuur?
Juist door zijn diversiteit is hij moeilijk te vangen. Pessoa was velen, of, om de titel te gebruiken die we – in het digitale tijdschrift Zuca-Magazine – aan een anthologie met werk van hem hebben gegeven, ‘menig een’. Een constante, of een soort paraplu, is natuurlijk het modernisme, de vernieuwende beweging uit de eerste decennia van de vorige eeuw, waarvan hij, samen met de jonggestorven Mário de Sá-Carneiro de vertegenwoordiger in Portugal was. Radicaal breken en vernieuwen, herrie schoppen, choqueren, keurslijven afwerpen, kijk naar James Joyce, Alfred Döblin, Paul van Ostaijen, John Dos Passos en voorloper Walt Whitman, die van grote invloed is geweest op Pessoa’s heteroniem Álvaro de Campos.
Nu heeft hij geen beweging meer nodig: Pessoa is zelf een literaire beweging, een hele literatuur op zich, een podium waarop allerlei schrijvende en dichtende acteurs rondrennen en met elkaar ruziën en in gesprek gaan. Tijdloos.
Met welke verzen/gedicht zou je Pessoa aan een nieuwe generatie Nederlandse poëzielezers willen voorstellen?
In de eerste plaats natuurlijk zijn psychografie, omdat dat gedicht zowel een beginselverklaring als een definitie van de dichtkunst is. In mijn vertaling: De dichter doet alsof. / Hij doet dat zo compleet / dat zelfs de pijn die ’m echt trof / door hemzelf verzonnen heet. // En zij die zijn gedichten lezen, / zien in de gelezen pijn / niet de echte en niet deze, / maar in wezen enkel schijn. // En zo draait op zijn spoor, / dat ons hoofd ontspannen laat, / die opwindtrein maar door / die als het hart bekendstaat. Alles is spel of, om een romantitel van Cees Nooteboom te gebruiken, een lied van schijn en wezen. En er zijn de beroemde openingszinnen van het lange gedicht Tabacaria, in de vertaling van August Willemsen, Ik ben niets. / Ik zal nooit iets zijn. / Ik kan ook niet iets willen zijn. / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.
De Arbeiderspers heeft in het eerste decennium van deze eeuw het volledige werk uitgegeven van de drie belangrijkste heteroniemen – schrijversnamen waarachter een (schijnbaar) werkelijk leven van bestaande personen schuilgaat; over spel en theater gesproken, en, niet te vergeten, de toevalligheid dat Pessoa teruggaat op het Latijnse woord persona, ‘masker’! –: Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos, bezorgd door August Willemsen, en zelf heb ik een keuze gemaakt uit de poëzie die hij onder zijn eigen naam heeft geschreven: Een spoor van mezelf.
Voor veel lezers was Pessoa’s Boek der rusteloosheid een overweldigende kennismaking met de schrijver: de observaties en overpeinzingen van een hulpboekhouder die door de binnenstad van Lissabon zwerft en overtuigd van eigen verheven kunnen ’s avonds en ’s nachts schrijft in de eenzaamheid van zijn huurkamer. Proza, Een getijdenboek vol rijke gedachten en suggesties. In 1990 heb ik voor Privé-domein van de AP een keuze gemaakt uit de toen bekende Portugese uitgave en in 2005 was het tijd voor een integrale vertaling van de ook tegenwoordig nog meest gebruikte versie. Want ja, dit is geen door Pessoa geschreven boek, maar een verzameling door Pessoa geschreven teksten waarvan lang na zijn dood een boek werd gemaakt door literatuurwetenschappers die vol overgave de arca uitgespit hebben.
Een overzicht van de diversiteit van Pessoa’s oeuvre biedt dan weer het tijdschrift dat ik al genoemd heb: Zuca-Magazine. Digitaal, maar af en toe geven we een papieren versie uit. Menig een is geheel aan Pessoa gewijd en werd uitgegeven door Koppernik. Een snoeptrommel die de lezer hopelijk voor meer naar de boekhandel drijft.
Onlangs is je vertaling verschenen van Pessoa’s Faust. Waar ligt voor jou met name het verschil tussen zijn versie en die van bijvoorbeeld Goethe en Marlowe en wat heeft je vooral in deze Faust geraakt?
Faust, ik bedoel de Faust van vlees en bloed, was een dokter, magiër en astroloog die in de eerste helft van de zestiende eeuw door Duitsland trok en op kermissen zijn kunsten vertoonde. Een oplichter en charlatan, vond men, en om dat te onderstrepen deed na zijn dood al gauw het verhaal de ronde dat hij om zijn magische kunst te kunnen bedrijven zijn ziel verkocht had aan de duivel. Dat was natuurlijk een geweldig ‘gegeven’ om filosofisch, theologisch en kunstzinnig uit te werken, en zo ontstond het personage Faust als prototype van de mens die van alles wil, daar alles voor over heeft en de hulp van de duivel inroept, die het kostbaarste verlangt wat een gelovig mens heeft: de ziel. De legende wordt zo min of meer verklaring van de menselijke ambitie en kan op allerlei manieren worden ingevuld, oftewel op alle mogelijke terreinen worden ingezet. Denk bijvoorbeeld aan blueszanger Robert Johnson, die dankzij Mefisto inspiratie opdeed voor geweldige nummers. Marlowe verbond het met de renaissancemens die in opstand komt tegen God en (religieuze) overheid, Bij Goethe is Faust de wetenschapper die niet alleen een antwoord op alle problemen wil maar ook macht, invloed. De duivel neemt hem mee op een tocht door het godenrijk en de wereld, waar hij aanzien verwerft, maar tenslotte toch tot inkeer komt – om het wat kort door de bocht samen te vatten. En zoals Goethe Faust aangrijpt om zijn eruditie en kennis van de mythologie te etaleren, zo biedt de componist Leverkühn met Doctor Faustus Thomas Mann de gelegenheid om een beeld van het zo bewogen Duitsland uit het begin van de vorige eeuw te schetsen. De wereld stapt uit het hoofd, zeg maar. Ik moet, tussen haakjes, ineens denken aan de prachtige film Mephisto, van István Szabó, met Klaus-Maria Brandauer in de rol van de acteur die om zijn Mefisto te kunnen spelen de hulp inroept van de duivelse nazi’s! Kan het gespiegelder? Maar goed, Pessoa. Wat doet Pessoa? Die haalt de wereld in het hoofd, of nog beter, bij hem is het hoofd de wereld. Het streven van zijn Faust is de grenzen die – ja wat? God? de goden? – aan zijn bestaan en, nog belangrijker, zijn denken stelt, om over die grenzen heen te gaan. Hij wil het mysterie van dood en leven doorgronden, beheersen en overstijgen. Het verstand moet alles aankunnen, zelfs het gevoel, daar gaat het hem om. En de liefde wordt daar de dupe van, zoals trouwens ook bij Goethe, waar de liefde in feite seks is, en Thomas Mann, waar de liefde romantisch is en Leverkühn wordt afgewezen. Pessoa’s Faust kan niet eens willen liefhebben. Dat herleiden van alles tot het hoofd, tot een denkproces, is wat me boeit in deze Faust. Hij proeft wel aan wereldse zaken als macht en wetenschap, maar uiteindelijk is dat alles het niet waard: bij het leven gaat het om de dood. En dat formuleert hij keer op keer weer anders, nieuw. Als een celloconcert van Bach met oneindig veel variaties. Ik zag zijn Faust naast hulpboekhouder Bernardo Soares uit het Boek der rusteloosheid door Lissabon lopen, druk pratend over datgene waar het om gaat in het leven, waar zich dat ook moge afspelen.
Met welke verzen uit het boek zou je de lezer tot verder lezen willen uitnodigen?
De Faust van Pessoa is een drama in dichtvorm, of, zo zou je het, mede vanwege de onvoltooidheid, ook kunnen noemen, een bundel dramatische gedichten. In deze uitgave wordt dat duidelijk gemaakt door de eerste regel vet af te drukken. Dat betreft dan de overpeinzingen van onze held en lyrische commentaren van de duivel, de nacht, de dood en andere stemmen. De dialogen tussen hem en studenten, een oude man, soldaten en Maria, zijn Gretchen, geven dan weer Pessoa’s ambitie aan om toch echt een toneelstuk te schrijven. Net zoals bij het na zijn dood samengestelde Boek der rusteloosheid, geldt ook hier dat het misschien maar goed is dat de dichter het door zijn rusteloosheid nooit voltooid heeft, want dan waren veel variaties op de leidmotieven beslist verdwenen. En dat zou jammer zijn geweest.
Het eerste gedicht is zowel een belofte (‘dit krijg je, beste lezer’) als een beginselverklaring (‘kijk altijd dieper in of achter de woorden’ of, in de woorden van Martinus Nijhoff, ‘kijk maar, er staat niet wat er staat’):
–
Ach, alles is analogie en symbool!
De wind die strijkt en kille nachten
zijn iets anders dan nacht en wind –
schaduwen van wind en gedachten.
Alles wat wij zien is iets anders.
De weidse vloed, de woelige vloed
is de echo van een andere vloed, daar
waar de wereld werkelijk aandoet.
Alles wat wij hebben is vergetelheid.
De strijkende wind, verkillende nachten
zijn schaduwen van speelse handen
die de schijn van dit alles bedachten.
–
En het leidt tot deze verontrustende conclusies:
–
We scheren langs de afgrond, wee degene
die dat merkt. De nacht, een diepe nacht
omringt ons, wee degene die weet
hoe diep hij is, hoe ondoorgrondelijk.
Het bloed in mijn pols gaat hallucinerend
kloppend tekeer en een nieuwe angst
grijpt me aan, de angst voor mezelf.
Hoe helderder ik mij in mezelf zie,
hoe donkerder het is wat ik waarneem…
Hoe beter en groter mijn begrip wordt,
hoe minder ik me begrepen voel. O
gruwel van de paradox van dit denken…
Alles is mysterie en het mysterie is alles.
Alles is meer dan schijn; zelfs de droom
van het heelal overstijgt zichzelf
en het begrip; wanneer hij duister
doordringt in het wezen van de schijn
reikt hij nooit tot waar hij goed kan zien
hoezeer de droom illusie, schijn is,
en hoezeer het diepe denken zichzelf
iets voorspiegelt in zijn bedrieglijke
blootlegging en het bedriegen van zichzelf.
–
