‘Poëzie is de hoogst individuele zoektocht naar jouw eigen unieke manier om hetzelfde nog eens te zeggen.’
door Alja Spaan
Bo Vanluchene (1988) is een Vlaamse dichter die migreerde naar Londen. Bo’s gedichten werden onder meer bekroond bij Doe Maar Dicht Maar en de Poëziewedstrijd Harelbeke, en verschenen al in Het Liegend Konijn, Met Andere Zinnen en Het Gezeefde Gedicht.
Debuutbundel De transformatiemachine kwam in 2026 uit bij Uitgeverij P, en is een pleidooi voor twijfel en verandering.
foto © J. Jenner
Al voordat je debuteerde met de bundel De transformatiemachine was je (online) al bekend. Dat betekent, naast het feit dat je getalenteerd bent, dat je een enorme wil hebt om door te breken. Of zie ik dat verkeerd?
‘Bekend’ zou ik mezelf zeker niet noemen, en het is ook niet iets waar ik naar streef. Laat op mijn grafsteen a.u.b. niet staan dat ik bekend was, maar dat ik de mensen die me wél kenden, op een positieve manier geraakt heb.
Kijk, nobel en heilig ben ik zeker niet. Schrijven is altijd een inwaartse beweging, maar publiceren is een daad van het ego. Wil ik graag lovende recensies? Natuurlijk, ik ben ook maar een mens. Maar de meest betekenisvolle reacties kreeg ik al van heel gewone lezers, die op hun eigen manier een connectie maakten met mijn werk. Dat is meer waard dan ‘doorbreken’.
Je bent te lezen op Dighter in 2025 met tijdmachine der terreur, je zat in de groepsbundel De ogen van de Uil (P, 2025), je schreef columns voor het Nieuwsblad, je trad op bij De Nacht van de Poëzie on Tour, 05-10-2023, en teksten uit 2011, oorspronkelijk in het Liegend Konijn verschenen, zijn terug te vinden in de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. Dat is indrukwekkend en volledig te danken aan je inzet. Wat is die enorme drive van je?
Bijzonder om mij door jouw ogen te zien. Wat zijn we altijd streng voor onszelf, niet? Ik vind het namelijk veeleer een zeer gefragmenteerde poëtische ‘carrière’. Tot mijn vroege twintiger jaren schreef ik enorm veel gedichten. Daarna ben ik een tijdje die vonk verloren; ik vond al mijn nieuwe poëzie rotslecht. Intussen startte ik bij het Nieuwsblad, eerst als eindredacteur en later als online publishingredacteur, waar ik ook recensies, columns en occasionele reisverslagen schreef. Ik bleef dus altijd schrijven, maar ik was de poëzie helaas verloren.
Tijdens de coronaperiode vond ik haar terug. In plaats van iets nuttigs te leren zoals brood bakken, daagde ik mezelf uit om een maand lang elke dag een gedicht te schrijven. Dat was intens, en het was een festijn van slechte rijm, maar er werd ook iets wakker in mij. Een vriend van me volgde les bij de SchrijversAcademie van Creatief Schrijven, en was daar lovend over. Dus volgde ik zijn voorbeeld.
Wat viel er nog te leren voor je op de SchrijversAcademie?
Veel. Heel veel. Op mijn intakegesprek maakten ze bij de SchrijversAcademie al duidelijk dat een uitgever vinden niet gegarandeerd was. Publicatie was niet het einddoel van de opleiding. Helemaal akkoord, zei ik. Ik wilde vooral vandaag een beter gedicht schrijven dan gisteren. Als je alleen maar in je eentje schrijft, leer je weliswaar wel iets van de dichters die je leest, maar stuit je uiteindelijk op grenzen die je zonder hulp niet over kan.
Een van mijn begeleiders was Ruth Lasters. Zij is iemand die poëzie met een bewonderingswaardige discipline benadert, elke dag gaat ze na haar werk als leerkracht nog urenlang aan de slag. Je moet altijd blijven graven naar de allerbeste versie van je gedicht, leerde ze me. Van Ann Van Dessel leerde ik dan weer feedback geven en krijgen. Peter Holvoet-Hanssen en Maarten Inghels leerden me nieuwe, ontspannen wegen naar een gedicht te nemen, met speelsheid, maar ook ingebed in een rijke kunstgeschiedenis.
Op zich haal je uit zo’n opleiding vooral wat je er zelf in giet. Maar het tempo dwingt je wel om veel meer met je kunst bezig te zijn, en jezelf als schrijver wat ernstiger te nemen. Mijn voornemen om niet naar een uitgever te streven, is wel mislukt.
In de recensie op Meander zegt de recensent ‘Uiteraard is de inhoud net iets belangrijker dan de vorm’. Is dat zo? Geldt hetzelfde niet ook voor onze uiterlijkheden?
Is inhoud belangrijker dan de vorm, bij poëzie? Ik durf te zeggen van niet. Originele ideeën bestaan niet, alles is al eens bedacht, ook de mening dat alles al eens bedacht is. Poëzie is dan de hoogst individuele zoektocht naar jouw eigen unieke manier om hetzelfde nog eens te zeggen.
Jij zegt: geldt hetzelfde niet voor onze uiterlijkheden? Dan denk ik: ja, natuurlijk is je ‘inhoud’, je persoonlijkheid, het belangrijkste. Maar als je het in de context van transgenderisme plaatst, dan is het uiterlijk helaas hard verbonden met dat binnenste, omdat het lichaam waarin je geboren werd, niet ‘rijmt’ met wie je vanbinnen bent. Vorm is communicatie. Zoals ik wil dat een lezer me begrijpt, wil ik dat mijn vrienden me zien, volledig, als wie ik ben. Aan mijn vorm schaaf ik nog.
Maar voor alle duidelijkheid: geen enkele trans persoon is verplicht ook maar iets te veranderen aan hun uiterlijk of kledij om legitiem te zijn als trans, want het binnenste is wel degelijk belangrijker. Vorm kan daar alleen maar helpen om mensen te laten zien wie je vanbinnen bent, maar het is geen voorwaarde.
–
–
wij wisselen de namen uit
die we als onze eigen ouders
aan onszelf gaven
–
als de eerste dag
in de eerste klas
herhaal ik ze in schoolslag
–
als ik geen zwembril draag
zie ik dat wij altijd zo
jong waren
–
wij kunnen
spetterend spelen
–
wij kunnen
binnenstebuitelen
–
in dit communale doopvat
gaan mijn ogen
doorlopend open:
–
ook adam & eva startten vast als vis
voor ze voeten in de aarde kregen
–
zout proeven & nooit weten
hoe je eigen naam smaakt
zou zo’n zonde zijn
De recensent stelt ‘hier is geen amateur aan het woord maar iemand die weet wat je met taal kan bewerkstelligen’. Hoe is dat zo gekomen? Groeide je op in zo’n talige omgeving? Met poëzie wellicht?
Mijn ouders hebben zelf helemaal niks met poëzie, maar nadat ik rond mijn achtste mijn eerste gedicht schreef, hebben ze me altijd enorm aangemoedigd. Ook om mijn werk op te sturen naar wedstrijden. De Soetendaelle-wedstrijd van Jeugd en Poëzie was daarbij zeer stimulerend.
Maar deelnemen aan wedstrijden werd zo misschien te veel een manier om mijn ouders trots te maken. Schrijven raakte verbonden met presteren. Terwijl poëzie voor mij net zo persoonlijk en kwetsbaar is. Ook dat leidde uiteindelijk tot mijn eigen duistere middeleeuwen, tot mijn onvermogen nog iets op papier te krijgen.
Wie waren en zijn je voorbeelden?
Als tiener dweepte ik met Herman de Coninck, ik hield ervan hoe hij de poëzie eenvoudig hield, heel dicht bij het dagelijkse leven bleef en zo een publiek kon aanspreken dat anders misschien nooit gedichten las. Een ziek kind, liefde, troost, verlangen, geboorte, dood: het is moeilijk om daar fris over te schrijven, maar hij deed het.
–
–
haar wereld besluit één gang
–
ze weet al lang van niets
behalve van de cake die ze eet
de verplegers die haar verschonen
& de namen die ze tussen haar valse tanden klemt
opdat ze niet zouden spatten op onze portretten
–
al wie hier verblijft
dementeert
maar niet zij
–
een toeval
kloppend als een wonde
–
ze is te blind voor televisie, half-
doof, droomt ze ooit nog over hoe het gaat eindigen
met haar soapopera’s, hoe het eigenlijk nooit gaat eindigen
–
hierbuiten in verre naties
vegen bommen hele generaties
van de kaart
verdwijnen ijskappen
stijgt de prijs van brood
kleuren beurzen rood
raast ziekte door
–
maar mijn overlevende oma weet van niets
& aan de uitgang moet ik nazien
of de deur goed in het slot
valt zodat
–
niemand kan ontsnappen
ook ik niet
Tegenwoordig consumeer ik vaak poëzie in het Engels, ook omdat ik er online algoritmisch naartoe gestuurd word. Wat bijvoorbeeld de Britse dichters Lucas Jones en David Larbi bewerkstelligen met Instagram reels en Tiktoks, vind ik fantastisch. Maar meestal lees ik, liever dan te luisteren of te kijken. Zo kan je een gedicht volledig op jouw tempo laten doordringen. Ik kijk op naar dichters als Warsan Shire, Cameron Awkward-Rich, Richard Siken, Chen Chen, Ocean Vuong, en Ada Limón.
Ik lees natuurlijk ook veel Nederlandstalig. Ik keek – kijk – heel erg op naar Lieke Marsman. Wat bijvoorbeeld Sarah de Koning en Bob Van den Broeck doen met taal, vind ik heel boeiend. Ook het debuut van Yannick van Puymbroeck enkele jaren geleden: zo uniek en verfrissend. Er is altijd nog veel te ontdekken. Gelukkig.
Onze Meander-recensent refereert ook aan jouw gedicht over de moeder (haar handen, haar handen) als het begin van een queeste. ‘Over wat het betekent om niet te passen in het lichaam waarin je geboren bent.’ Terecht zegt hij dat het veel meer is dan dat. Kun je daar iets over vertellen?
Ik was blij dat jullie recensent dat schreef, want ik wil met mijn bundel allesbehalve navelstaren, maar juist helemaal in de wereld staan. Herkenbaar zijn voor zo veel mogelijk mensen, want publiceren is connectie zoeken. Onderzoeken hoe je op je ouders lijkt, en vooral hoe niet: dat is heel menselijk. Net als veranderen. Tegelijk wil ik ook niet alles uitleggen.
–
haar handen die mij baadden
tot ik zacht in badstof werd omzwachteld als kostbaar glas
haar handen die mij optilden tot er te veel mij was
& dan aan mijn wang plakten als het omgekeerde
van een klap
haar handen die mij gidsten in een wirwar van straten
haar handen die taartbeslag draaiden & draaiden
in de kom
& ik volgde
haar handen op mijn schouders
haar handen die voelden of ik gloeide
haar handen die mij vouwden als het heiligste gebed
haar handen waarvan ik dacht dat ik ze jaren zou meedragen als
aangroeiend erfgoed
–
waarom nu ik zo oud ben als zij was
toen ik in haar handen lag als warme was
waarom kreeg ik zo anders vorm
waarom ontstond zo’n zonderlinge schepping
uit haar aard, uit haar gaven
waarom zijn mijn handen zo verzwaard
dat ik wel moet graven
waarom sinds zij mij losliet
zoek & zoek ik haar vingerafdruk
om mij te ontgrendelen
waarom vind ik haar niet
–
mijn handen, mijn handen
ik oefen, ik zalf hun groeven
ik ga met mijn handen op wandel in de koude
geborgen door wol
ik haal ze over mijn gelaat als het omgekeerde van klauwen
ik laat ze leiden,
laat ze de maaltijden bereiden die mij mondjesmaat in leven doen blijven,
kruis ze over mijn borstkas
als een poortwachter in ridderharnas
& wrijf over mijn bovenlijf in een parodie van omarming
–
ik leg ze languit op mijn voorhoofd
ik leg ze open in mijn schoot
ik bied mij troost
dan pas zijn ze daar,
haar handen in mijn handen
Als kwaliteit van je dichtwerk wordt genoemd je originaliteit, lenigheid en geestigheid. Speelsheid ook, die soms de recensent in de weg zat. Was jij je bewust van al die eigenschappen?
Ja, dankzij eerdere feedback. In mijn jaren bij het Nieuwsblad vond ik het heerlijk om woordspelingen voor titels te bedenken, dat is een knop die ik niet meer kan uitzetten. Ook bij het dichterlijke taalspel ga ik soms te los, en niet alles sneuvelt bij de herschrijfrondes. De ene lezer vindt dat fijn, de andere vindt dat cringe. Ah, het hoort gewoon bij mij. De humor en speelsheid van mijn poëzie zijn cruciale elementen, een welkom briesje tussen de woorden door. Het hoeft allemaal niet te zwaar te zijn, want ook het leven zelf is niet zo.
Naast dat alles is de bundel actueel en urgent. Wat fijn dat Uitgeverij P dat onderstreept. Je kende P van de bundel De ogen van de Uil, 2025. Kun je iets over de samenwerking vertellen?
Die is dankzij de SchrijversAcademie ontstaan. Een van mijn lesgevers, die nu gewoon een vriendin is geworden, was Ann Van Dessel. Samen met Astrid Arns, Jana Arns en Elise Vos maakte ze een themabundel rond insomnia, en ze trok mij mee in het project. We stelden de groepsbundel voor in beddenwinkels, gezeten op toonzaalbedden. Tof. Ann introduceerde me dus bij uitgever Leo Peeraer van P, en hij zei: ‘Stuur jouw manuscript maar op wanneer het af is’. Deed ik, maar het was pas op zijn kantoor in Leuven dat hij me echt overtuigde. Uit ons gesprek bleek dat hij mijn bundel begrepen had, en het met zorg zou uitgeven. Ik ben een grote fan van hem, hij leeft echt voor poëzie, het is zijn grootste passie. Je weet gewoon dat je werk bij zo iemand in goede handen is. Daarnaast speelde ook een gevoel van loyaliteit na de groepsbundel. Ik ben hem zeer dankbaar.
In een interview op de blog Aanlegplaats stel je duidelijk dat je vertrekpunt de poëzie blijft. Wat maakt een gedicht goed?
Een goed gedicht zorgt voor een zalige prikkeling in je hersenen. Misschien met een mooi neologisme, een perfecte metafoor, of een verrassend inzicht. Of misschien doordat er woorden worden gegeven aan iets wat je voorheen enkel voelde. Door iets te benoemen, krijgt het vorm, wordt er leven in geblazen.
Onlangs verhuisde je naar Londen. Je zegt daarover dat er ‘een verscherping’ heeft plaatsgevonden. Waar bestaat die verscherping uit?
De publicatie van mijn debuut viel ongeveer samen met mijn eerste job in Londen. Pittig, hoor. Ik woonde lang in Antwerpen en dat was al ver voor een West-Vlaming, maar mijn partner is Brits. De liefde dwong me om niet alleen te denken, maar ook te doén. Elke stap die ik zette naar die verhuizing, maar ook naar die publicatie, dwong me door te gaan. Ik moest wel vooruit, en mijn angsten overwinnen. Alert blijven. Dat is die verscherping.
Het is ook vreemd dat in België mijn debuutbundel verschenen is, terwijl ik daar niet meer woon. Daardoor begon ik te experimenteren met andere vomen van promotie, bijvoorbeeld door reels te maken. Ik kan ook niet op elke vraag voor evenementen ja zeggen, al probeer ik wel.
Het hectische leven in Londen is onderwerp van je blog Dichterbij. Hoe is het nu daar?
Het uitgangspunt van de blog is dat het leven in Londen niet zo bijzonder is. Ik ben gewoon weer de persoon die ik thuis was, alleen betaal ik nu meer huur en eet ik meer witte bonen in tomatensaus en cheddar.
Toch is alles ook anders. Ik ben dichter bij mijn partner, maar verder van veel vrienden en familieleden. Ik woon in een boeiende en openminded stad, maar ook in een land waar transgender rechten veel meer onder druk staan dan in België. Er wordt hier in de media en in het parlement zwaar over gedebatteerd, rechten worden teruggedraaid. Warsan Shire schrijft in haar prachtige gedicht Home: ‘no one leaves home unless home is the mouth of a shark.’ Ik denk soms: ik ben juist in de bek van de haai gaan liggen, nu, aanschurkend tegen die vlijmscherpe tanden, terwijl hij heel traag aan het bijten is. Ik hou van Londen, ik hou van hier wonen, maar ik hoop dat de haai binnenkort begint te geeuwen.
–



