‘Poëzie is niet meer, maar ook niet minder dan een serieus spel.’
door Alja Spaan
Mijt van Muiden (Montfoort 1947) publiceerde gedichten in Opklaringen en op websites Half Gouda en Het gezeefde gedicht. Opgeruimde beperkingen (2026) is zijn eerste bundel.
Mijt van Muiden met op de achtergrond een gipsen replica van een marmeren borstbeeld van Voltaire door Jean Antoine Houdon.
Foto © Kees Vossestein.
Gefeliciteerd met je debuutbundel.
De recensent van Meander merkt op dat er weinig online te vinden is over de persoon achter deze naam en bundel.
Opgeruimde beperkingen is mijn eerste bundel, mijn pseudoniem is dus onbekend. Ik koos voor een nom de plume om mijn activiteit als dichter gescheiden te houden van mijn andere bezigheden. Onder een andere naam ben ik actief als beeldend kunstenaar. Mijt komt trouwens gewoon van Mijndert, mijn tweede voornaam, Van Muiden is de achternaam van mijn moeder.
Waarom scheid je de twee talenten?
Behalve van mijn werk als beeldend kunstenaar houd ik mijn rol als dichter ook graag apart van eerdere schrijfsels en acties. Op mijn leeftijd sleep je nogal wat verleden mee, ook van parttimebanen en vroeger activisme. Van beeldende kunst alleen heb ik nooit kunnen leven. Een frisse start in de poëzie ervaar ik als heel aanlokkelijk.
Hoe verhoud je je tot de literaire wereld? Zegt die wereld je iets?
Voorin mijn bundel staat als motto een citaat van Voltaire: ‘Je hebt helemaal geen vleugels, en je wilt vliegen! Kruip.’ Dat verwoordt hoe ik mijzelf zie in de literaire wereld. Een mier, een pissebed. Ik moet mij niks verbeelden.
Kom je in contact met de lezer? Treed je graag op?
Voor de presentatie van mijn bundel organiseerde ik een middag waar vooral (oude) bekenden op afkwamen. Aan drie dichters had ik gevraagd mij elk één vraag te stellen, uiteraard naar eigen behoefte in te leiden en toe te lichten. Zelf droeg ik gedichten voor en aan het slot trad een singer-songwriter op. Het was een geanimeerde middag. Daarna heb nog een keer meegedaan aan een dichtersavond. Zenuwslopend allebei, maar leuk. Mocht ik ergens gevraagd worden, dan zal ik een optreden niet uit de weg gaan.
De recensent van Meander vormt zich een beeld van ‘een aandachtige observator van het alledaagse, die uit hedendaagse scènes een bundel weet te construeren die staat als een huis.’ Kun je over alles schrijven?
Ik ben uiteraard verguld met haar lovende woorden. Opgeruimde beperkingen komt voort uit een langjarig project dat ik met twee collega-kunstenaars uitvoerde: een poëtische website, getiteld Half Gouda. Daarop plaatsten wij zeventien jaar lang (!) dagelijks een in onze woonplaats geschoten fotootje, vaak candid, met een stukje tekst. We sloegen geen dag over. Van de honderden bijdragen die ik leverde, selecteerde en bewerkte ik er voor mijn bundel zestig die mij ook zonder afbeelding bevielen. Ik dicht over straattaferelen en over bijvoorbeeld kunstwerken die mij aanspreken. Ik kan zeker niet over alles dichten, ik ben heel visueel ingesteld.
Het is net alsof je alles opgespaard hebt. Waarom komt het er nu uit?
Toen een van de makers van Half Gouda overleed, zijn we gestopt. Dat was een natuurlijk moment om het project af te ronden en aan andere dingen te denken.
Hoe belangrijk is de vorm voor je, je wisselt nogal.
Aan de vorm van mijn gedichten zit ik lang te prutsen. Ten behoeve van een rustig totaalbeeld gebruik ik geen hoofdletters of leestekens. Dus komt de afbreking van zinnen heel precies. Voor de duidelijkheid natuurlijk, maar ook om bepaalde effecten, bijvoorbeeld met enjambement, te bereiken. Dat ze op die manier nogal verschillend van uiterlijk worden, stoort mij niet.
En de indeling in vier afdelingen?
Die opdeling in thema’s, hoewel losjes gehanteerd, schept enige orde in de veelheid aan beelden en onderwerpen. Dat in elke afdeling evenveel gedichten staan, heeft eveneens te maken met behoefde aan orde en overzicht.
Op de achterflap en op de website van je uitgever staat dat je ‘elk beeld uit het dagelijks leven liefdevol verspijkert tot poëzie.’ Nergens een cynisch of negatief wereldbeeld? Alleen een uitnodiging aan de lezer tot ‘beter kijken’?
O, de bundel bevat heus wel gemene, vuile toespelingen. Enkele gedichten zijn ronduit kwaadaardig. Die verkooptekst moet je met een korrel zout nemen.
Misleiding.
Hoort bij het vak. In gedichten verlok je de lezer mee te gaan op onbekende paden. De lezer, van zijn kant, laat zich gewillig, graag zelfs, op het verkeerde been zetten met dubbele betekenissen en onverwachte wendingen. Dat is het spel, de schermutseling met gelaagdheden, om het eens gekunsteld te zeggen.
Je omschrijft je gedichten zelf als ‘bouwseltjes van taal’. Daar zit een simpelheid in waarbij je je talent en het hele proces bijna afzet als ‘niets bijzonders’ of vergis ik me?
Ik ben een onbeduidend onderkruipsel in letterenland, zoals ik aangaf. Mij past bescheidenheid. En bouwseltjes kunnen heel ingenieus zijn.
–
–
reikhalzend en discreet afgeschermd van
het gemeen gewend aan chic en deftige
–
soirees plechtstatige banketten bals en
galaparty’s van de arrivés partijen die ik
–
graag erken als mijn gelijke gekleed in stijl
de vlekkerige wangen geblanket tot kuise
–
belle die ik was verbeid ik de fine fleur van
wat nog rest aan staatsgezag en adel
–
een voile om mijn pas bestraalde fontanel
Dit gedicht, Laatste wil, is veel meer dan een eenvoudig bouwplaatje, daar zit venijn in en een precies onderscheidingsvermogen, niet een dagelijks iets maar een levenshouding.
Een levenshouding, toe maar! Een dame die het hoog in de bol heeft, kan natuurlijk precies op die gevoelige plek kanker krijgen, ja. Maar kenmerkt die waarneming mijn levenshouding? Ik hoop niet dat het gedicht als cynisch wordt ervaren, want ik voel er zelf bekommernis bij. Misschien is het aardig om te vertellen over de aanleiding. Dat was het zien van een etalage van een hoedenmaakster, gevestigd in een statig grachtenpand. Een chique zaak voor dure, handgemaakte dameshoeden. In de etalage stond een witte kunststof paskop. Een hoofd zonder gezicht, niet meer dan een hals met een glanzend dino-ei erop, bedoeld om hoeden te showen. Op dat display rustte een klein zwart hoedje met een afhangend gaasje. De aanblik van dat in-bleke, kale hoofd – ik vatte het op als een achterhoofd – met dat minuscule hoedje, wekte in mij sterke gedachten op aan kwetsbaarheid.
Had je in plaats van deze bundel ook een serie schilderijen kunnen maken?
Helaas, daarvoor ontbreekt mij het talent. Hoor, mijn schilderende ateliergenoot roept dat de onderwerpen van mijn gedichten hem ook niet inspireren. Hij is meer van het abstracte. Van mijn kant lever ik hem trouwens wel vaak titels voor schilderijen.
Terecht stelt de recensent dat ‘wat in eerste instantie speels of absurdistisch lijkt, bij nadere lezing verrassend precies geconstrueerd blijkt’. Kun je iets over het schrijfproces vertellen?
Mij valt bij het zien van iets wat mij raakt soms een zin in, een paar woorden of een uitdrukking. Daar borduur ik op voort. En als er na veel vijven en zessen iets op papier staat, begint het eindeloze schaven: veranderen, terugveranderen, toevoegen, weghalen. Tot het een beetje klopt. Uiteindelijk moeten ritme en rijm het doen. Ik weet niet of je het boekje Over het hiernamaals uit 2005 van Rutger Kopland kent. Daarin beschrijft hij hoe hij tot zijn gedicht Aan het grensland komt. Zoals bij hem, zo werkt het bij mij ook een beetje. Langdurig schuiven, aarzelen, herschikken.
Heb je rituelen bij het schrijven?
Nee, ik vergeet wel vaak de tijd.
–
–
weer tegen regen kou en thuis
een nacht en ochtend zo de goden schikken
terecht beweer je dierenliefje
dat ik geen wondzeer ken
sla haken in mijn kaken en mijn ziel
het ongepaste antwoord blijft ontwijken
trek mij liever de omstandigheden aan
koudbloedig ja
maar haal me op in tranen
–
De recensent benoemt als kracht van deze bundel, ‘hij dwingt de lezer om anders te kijken naar taal én naar de werkelijkheid die die taal probeert te vatten.’ Wat moeten we leren van jouw bundel?
Van een dwingende kracht ben ik mij gelukkig niet bewust, laat staan dat ik er met mijn schrijven op uit zou zijn. Veel van het schrijfproces gaat intuïtief. Wat ik wel weet: ik hoef de volwassen lezer niets wijs te maken. Daar is poëzie niet voor. Mij is het voldoende als ik af en toe een glimlach op het gelaat weet te toveren.
Tot slot: wat is poëzie voor jou?
Niet meer, maar ook niet minder dan een serieus spel. Vroeger vond ik het aanstellerij, dat is gelukkig veranderd. Mijn boekenkast omvat vandaag zo’n vijf strekkende meter aan bundels en bundeltjes en de rijen groeien nog. Met verjaardagsgeschenken en tweedehandsjes vooral. En af en toe vind ik een gedicht echt goed.
Wat maakt dat dan goed?
Dat verschilt enorm. Ritme en rijm, het rijm bij voorkeur onnadrukkelijk, een beetje verborgen in de plooien van het gedicht, dat zijn voor mij hoofdingrediënten. De inhoud mag natuurlijk niet flauw zijn. En de dichter spreekt zich hopelijk niet rechtstreeks uit over politiek of maatschappelijke problemen, al helemaal niet in het jargon daarvan. Ik som eerlijk gezegd makkelijker dingen op die een gedicht slecht, of minder goed maken, dan die het ten goede komen. Twee collega’s die ik op het ogenblik graag lees, als dat iets verheldert, zijn Gwy Mandelinck, die bij leven de Poëziezomers in Watou organiseerde, en Corie Grootendorst. Van die laatste heb je waarschijnlijk niet gehoord; zij timmert zelden aan de weg. Ik zal je haar nieuwe bundel toesturen, Breek de pompoenen open. Zou leuk zijn als het tot een bespreking in Meander leidt.
Je wilde nog iets zeggen?
Naar maatstaven van Meander is dit interview nogal kort, geloof ik. Misschien mag ik daarom nog iets toevoegen. Lezen van een beeldscherm vermoeit mij snel, dus dat zal meespelen, maar gesprekken over poëzie en dichterschap boeien mij zelden. Gewoonlijk scrol ik in Meander Magazine bij interviews snel door naar de gedichten. Ik hoop niet dat ik jou of je collega’s hiermee beledig. Hoe het zij, en in het licht hiervan: de vraag die je mij zo-even stelde, ‘Wat is poëzie voor jou?’, beantwoord ik liever, veel liever dan met wat ik er zojuist over zei, met een gedicht. Niet voor niets het slotgedicht van mijn bundel:
–
–
hooggestemd de tunnel uit
het blinkend winterlicht weer in
verbonden met een stemband voor het leven
–
binnen klinkt mijn kreet nog na
–
al waait mijn aangehouden lach
nu als een nachtkaars uit en blijkt wolfs
woest geblaf een jufferskefje
–
het galmgat houdt mijn geldingsdrang intact
mijn levensvreugd mijn gillen
Ik dank je heel hartelijk voor deze gelegenheid om iets van mijn gedichten te laten zien. (De keuze van de gedichten liet hij over aan de interviewer.)



