Vlammende mensenliefde
door Anneruth Wibaut
–

–
Asmae Amaddaou, spoken word dichter bekend van de Vrouwejaars Conference, debuteert met een kloeke bundel Brand lieverd brand. Voor ik losbrand over de overrompelende inhoud even enkele technische opmerkingen: Er zijn drie afdelingen, waarvan de eerste vooral activistisch is en in de tweede en derde mensen indringend worden bezongen met hun cultuurpatronen, gewoontes, spullen. Sommige gedichten zijn als proza geschreven, zoals ‘Zidane leert mij hoe ik het perfecte migrantenkind moet zijn’ Die titel getuigt van humor, cynisch worden adviezen verstrekt hoe je met een bruine huid kan leren in het Westerse plaatje te passen. Het parlando karakter van de gedichten wordt versterkt door de keuze voor spaties waar anderen komma’s zetten; hoofdletters zijn voorbehouden aan de titels en aan God; voor ‘en’ wordt de ampersand gebruikt; er staan een paar grammaticale- en spelfouten in de bundel, dat verwijt ik de uitgever.
Gaandeweg bleek dat Brand lieverd brand zich het beste laat lezen in één ademtocht. Eerder las ik analytischer en werd minder geraakt, ik maakte me zorgen dat deze bundel leed aan overkill. Steeds aanklachten lezen tegen het Westen bijvoorbeeld, zal onze arrogantie niet temperen. En al kan ik de woede over genocide en onderdrukking delen, vaak is het schrijven erover preken voor eigen parochie. Dan rijst de vraag: waar vinden we taal om daders op andere gedachten te brengen? Heeft Amaddaou die gevonden?
Het eerste gedicht, ‘post 9/11 blues’ vat de bundel globaal samen. Het verwoordt het dilemma van de bevoorrechte die zich wil vereenzelvigen met de minder geprivilegieerde voorouders. Ik ken deze tweestrijd als dochter van een moeder die gemarteld werd: mag je dan reppen van eigen pijn of zelfs van het lijden van anderen? Of is dat toe-eigening? Amaddaou verwoordt het in één zin, de vierde van het eerste gedicht: ‘het is mij nog steeds onbekend of ik de beul getuige of het offer ben’.
Het kind van de diaspora voelt zich na de aanslagen op de Twin Towers te vaak uitgedaagd om verantwoording af te leggen voor de daden van moslims. Zoals in de zesde strofe: ‘vreemde accenten vragen mij waar ik vandaan kom / ze willen weten waar ze mijn rijpe lichaam kunnen plaatsen’. Amaddaou beschrijft de bitterheid die dat oproept, tegelijk is ze op haar hoede: ‘voordat ik boze ondankbare zonen begin te baren & / ze loslaat op het rijk als een kudde beesten’.
Schrijnend in de eerste afdeling ‘paspoorten & martelaren’ vond ik het gedicht ‘alle lelijke dochters staan in brand’. We zien jonge meiden met hun dromen en verlangens en hoe ze giechelen en praten over de liefde. Het is, zoals bijna alle gedichten in de bundel, te lang om integraal te citeren, daarom hier de tiende strofe:
tenminste ze denkt dat ze aan het praten is over liefde
haar verbrande gebleekte krullen dansen op & neer
terwijl ze vertelt hoe haar vader haar zou vermoorden
als ze ooit een geliefde zou nemen
& wij knikken allemaal
–
[pag. 45]
In strofe dertien zien we de vader lopen met haar afgehakte hoofd terwijl haar bloed op de madeliefjes druppelt. Een aanklacht tegen vaders die hun eigen interpretatie van eer belangrijker vinden dan het leven van hun dochters. De toon is eerder zangerig dan zwaar, daardoor wordt de indruk gewekt dat eerwraak zo sterk leeft dat je er als ‘lelijk meisje’ niets anders tegenover kunt zetten dan zachtheid en stilte, dat je verder machteloos bent. Zie ook de laatste twee strofen:
wees zo stil dat iedereen erover twijfelt
of ze je ooit iets hebben horen zeggen
wees zo klein dat je in een handpalm past
–
wees zo meisje dat niemand er ooit aan zou denken
om jou in één handbeweging te willen breken
daar ben je te zacht & puur & prachtig voor
als het allemaal niet lukt
kies dan altijd voor de brandstapel
laat het vuur je verzwelgen
voordat de handen van een man je vast kunnen pakken
–
[pag. 48]
De tweede afdeling ‘het is altijd zomer in de getto’ bezingt het leven van verschillende kinderen van de diaspora, hoe ze zijn in het land van hun voorouders en in het land van geboorte. Amaddaou verwoordt wat er schrijnt en schuurt tussen de culturen, maar ook hoeveel ervan met elkaar vervloeid is geraakt. Dat misschien de verhalen van de grootouders wat mooier verteld worden dan de werkelijkheid ooit was. Deze afdeling geeft de lezer een inkijkje in de wereld van immigrantenkinderen en wat mij betreft draagt Amaddaou daarmee sterker bij aan verzoening tussen de culturen dan met haar aanklachten, hoe lekker die ook lezen. Want is haar juichen voor het doelpunt van En-Nesyri tegen Portugal wezenlijk anders dan het mijne? Hier volgt integraal dat gedicht:
–
vertel de wereld wat er gebeurt
als onze jongens zo hoog springen
dat ze bijna de hemel kunnen kussen
–
wellicht zijn onze jongens niet gemaakt
voor land of zee verraderlijk & hongerig
–
hier vliegen ze
dwingen hun spieren uit te rekken
maken zich groter dan ze ooit zullen zijn
–
vullen hun longen met het onmogelijke
& laten dan los
–
zingen
–
kijk naar mij kijk naar mij
–
ik bied je nu mijn alles aan &
voor deze ene keer is dat genoeg
–
vang mij op wanneer ik ooit land
–
[pag. 83]
Zo mooi, dit lyrisch bezingen van de intensiteit van ‘onze jongens’ en hoe zij zich met hart en ziel inzetten. Dat is het aantrekkelijke aan deze bundel, hoe Amaddaou overal schoonheid zoekt en vindt, ook in getto’s en rafelranden. Zoals wanneer zij dicht over de ‘zachte jongens’, die als twee druppels water lijken op haar toekomstige echtgenoot, maar die steeds de kans lopen te worden ingelijfd door de gewelddadige jihad of de criminaliteit: ‘zonder een sterrenstelsel aan kogelgaten op zijn borst of een / enkele reis naar EBI nu weet ik zeker dat ik geen zonen wil’ [derde strofe ‘zesde pilaar’, pag. 88].
Asmae Amaddaou belicht scherp en liefdevol vele thema’s vanuit een steeds wisselend perspectief. Zo zijn er de hoge eisen die gesteld worden door zowel het westen als door de (voor)ouders. Denk aan eer en wraak, of hoe ontheemden zich soms voelen, alsof ze in het niets verdwenen zijn. Maar ook is er aandacht voor de gewone dingen zoals: de sissende spiesjes op de barbecue, de rappers en de voetballers, de zoete geuren uit de shisha lounge en de kapperszaak. Invoelend geeft ze stem aan verdronken vluchtelingen en slachtoffers als Hind Rajab; op haar 5e vermoord door het Israëlische leger, Sohane Benziane; vermoord door haar ex, Emmett Till; de 14-jarige Zwart Amerikaanse jongen die werd gelyncht. Het vanzelfsprekend in het Nederlands integreren van Arabische woorden, verrijkt de taal en de bundel barst van de energie, samengevat in de laatste twee strofen van ‘zesde pilaar’: ‘als ik niet over ons kan schrijven terwijl we / dansen & zweten & liefhebben zonder schaamte of tralies / wie zal dan weten dat we bestaan hebben?’ [pag. 89].
In de derde afdeling ‘God zegen dit heilige kleine leven’ grijpen veel gedichten me bij de keel. Ze voelen als een uitnodiging om van heel nabij naar iets te kijken dat buiten mijn ervaringswereld ligt. Een fragment uit ‘ontleding van een mango’:
dat het de woorden van de Allerhoogste verdraaide (…)
ik was er bijna van overtuigd
dat het allemaal mijn schuld was voor alle keren dat je
kinderlichaam volwassen mannen heeft doen jeuken
–
[pag. 109/110]
Voorzichtig, maar precies, benoemt de dichter het probleem van mannen die vrouwen en meisjes de schuld geven van de begeerte die ze voor hen voelen. Een herkenbaar gegeven, ook in de westerse wereld. En oh, wat hoop ik dat ze met haar stem de ‘zachte jongens’ bereikt en hen dat malle idee uit het hoofd praat. Ik vrees het ergste als Amaddaou laat zien hoe sterk die dwaalgedachte ook op sociale media leeft in ‘synoniemen voor moslimvrouwen op het internet 101’ . Ik citeer de laatste strofe:
waar is je broer? vrouwen van tegenwoordig aanslag rellen
(voeg hier een racistische grap in)
je begrijpt het niet ik wil het beste voor jou
maar wel op mijn manier
–
[pag. 120/121]
Tabarruj, staat in de woordenlijst achterin: ‘Een islamitische term die verwijst naar een moslim die zijn/haar schoonheid toont op een manier die volgens de normen/regels ongepast wordt geacht. Op sociale media wordt echter elke vrouw die lacht of ademt uitgemaakt voor een tabarruj.
Dit citaat vat ook nog eens het lot van kinderen van de diaspora samen, het leven tussen twee vuren: iedereen wil het beste voor je, maar wel op hun manier. En die vraag die ik stelde over taal vinden om daders te bereiken? Daarop blijven gelukkig dichters als Asmae Amaddaou met vuur het antwoord zoeken.
____
Asmae Amaddaou (2026). Brand lieverd brand. Uitgeverij De Bezige Bij, 128 blz. € 21,99. ISBN 978940313619621



