Ondergedompeld in surrealisme
door Jaap Bos
Onheil, naderend gevaar, als in een droom, scènes die door elkaar lopen en op de een of andere manier samenhangen, alleen is niet duidelijk hoe: in de gedichten van Steven Graauwmans word je ondergedompeld in een surrealistische sfeer die zowel betoverend als beklemmend kan zijn.
In het openingsgedicht bijvoorbeeld, sneeuwt het ‘meer dan anders’ terwijl het zomer is en er doden vallen. ‘Regent het dan nooit’, vraagt de ik-figuur aan de zonnebaders. Een dag later wordt de weerman vermoord. Er is een schilderij met een brandend huis in een bos, iemand weent om iets. Het gedicht eindigt met de volgende strofe, die mij aan een scène uit ‘The Birds’ van Hitchcock deed denken: ‘Je schrikt niet meer, ze zijn overal. ‘Niet bewegen’’.
Niets is wat is de zesde bundel van de dichter, die de lezer van Meander kent van een gesprek dat Janine Jongsma met hem hield op 5 juli 2024 over zijn vorige bundel (11), waarin hij verklaart dat er ‘misschien helemaal niet hoeft te staan wat er staat’, omdat dat nou eenmaal de reden is waarom poëzie is uitgevonden.
De bundel bestaat uit twee afdelingen van ongelijke grootte. De eerste afdeling beslaat acht gedichten, de tweede zestien. Ik bespreek ze apart.
De eerste deel is getiteld ‘Kanttekeningen bij het beest’. Ze zijn allemaal (op een na) opgebouwd uit een veelvoud van schijnbaar twee bij elkaar horende regels, die vaak nog het meest lijken op formules of bezweringen: ‘Van de duizend dingen die ik voor je doe / zal je niets meer herinneren’, en ‘Wij spraken onze talen nog / onze zinnen uit het eerste water’.
Vaak eindigen de gedichten met een toonverschuiving, dat wil zeggen dat ze wat donkerder worden, wat melancholischer, waardoor het gedicht, net als in een ballade, een emotionele meerwaarde krijgt, alsof er een schaduw over de regels valt die de lezer in een andere gemoedstoestand brengt.
Neem het gedicht ‘Geluk is een stuk zeep’. Het opent met een constatering over de wereld waaraan niets kan worden veranderd: ‘Als in steen gebeiteld, verwoestbaar / als in deze grond de koude slaat // als in deze aarde de oorlog hardt / staat een mens tegen een mens’. Dan komt de dichter zelf aan het woord: ‘Deze zin wil bloed, geen verhalen / maar eretekens voor goed gedrag’. Verderop wordt een ‘hij’ geïntroduceerd, en al weten we niet wie dat is, we horen wel dat de afstand tussen hem en de spiegel nauwkeurig is uitbesteed. In de laatste twee regels keren we terug naar het begin: ‘kleiner tot de klap / het geluk in de scherven’.
In veel van de gedichten in deze afdeling is er sprake van een ‘je’ die op afstand blijft. ‘Je zoekt in elke steen de krassen.’ ‘Je bent er niet, ik kan iets zeggen over de steen.’ ‘je belooft / dat alles goed komt.’ Soms is er sprake van een ‘wij’ of een ‘ons’, maar het lijkt een ontwijkend ‘wij’, en letterlijk zegt de dichter: ‘we wijken weg van ons’.
De tweede afdeling in de bundel is getiteld ‘Wuift een filosoof aan de horizon’, een regel die uit het gedicht ‘Geluk is een stuk zeep’ is gehaald en nu terugkeert als titel. Deze is opgebouwd uit een veelvoud van drie bij elkaar horende regels. De toon is lichter geworden, bijna doorzichtig, en de ‘je’ heeft vaak plaatsgemaakt voor een ‘ze’. We komen dichterbij de personages, we kunnen nu bijna met hen meevoelen. Zelfs de zinnen zelf zijn minder gefragmenteerd, hoewel nog steeds raadselachtig. Zo opent het gedicht ‘Einstein en de clown: ‘Het schijnt niet meer / het knispert / heeft de smaak van lucht’.
Voor het eerst krijg je nu een vermoeden waar de gedichten over gaan. Desoriëntatie maakt plaats voor herkenning, zonder dat het raadsel wordt opgelost. ‘Einstein en de clown,’ lijkt bijvoorbeeld een ziekenhuisbezoek te beschrijven. Er is een dokter die zegt ‘dat het niet dodelijk is’, en ‘dat het in naam erg klinkt’, hoewel er geruststellend aan toe wordt gevoegd dat er tegenwoordig veel kan. We worden deelgenoot van de verwarring die zich meester maakt van de ik: ‘denkt dat het jou niet zal, dat dat, dat jij niet –’. En er is aan het slot de poging van de verteller om zijn lot met humor te verzachten, of minstens de dokters te verleiden zich gunstig uit te spreken over zijn kansen. Of Einstein soms god is, vraagt hij. Maar dokters blijken niet te lachen.
In het gedicht ‘uitzicht lotto’ komt Lucebert eventjes voorbij. Dat alles van waarde weerloos is, zoals de oude meester heeft gezegd, zegt Graauwmans. De dichter zoekt hem op. ‘Hij denkt dat hij er niet is,’ zegt hij. ‘Hij begroet ook zichzelf, probeert ‘hallo mens’’. In dat ene beeld komen werelden samen die op slag overtuigen.
In de tweede afdeling haperen en stuiteren de zinnen als stenen die over een helling razen en met elkaar in botsing komen. Vaker dan in het eerste deel vallen de beelden hier op hun plek, worden helder. Zoals in het gedicht ‘Schrijnwerk’ dat heel gewoontjes, bijna aarzelend begint en dan deze strofe bevat: ‘dat je vergeet wat je deed / Je verkoopt het als een metafysisch wonder, / het lijmen van dunne plankjes.’ Ik werd erdoor betoverd.
Graauwmans is een dichter die lijkt te weten wat hij wil zeggen, en die in ieder geval weet hoe hij ons mee kan nemen in zijn raadselachtige, metafysische wereld. ‘Gedichten moeten iets te vertellen hebben, ze mogen niet te hermetisch worden,’ zei hij in een interview (Bruzz, 18/10/2023). In Niets is wat word je ondergedompeld in een surrealistische stroom waarin alles tastbaar is
____
Steven Graauwmans (2026). Niets is wat. Uitgeverij P, 32 blz. € 17.00. ISBN 9789493534087




