door Jan van der Vegt
Hans Andreus, 1959, foto © Edith Visser, collectie Literatuurmuseum
Het gedenken van een honderdste geboortedag is een mooi gebruik, al is de jarige doorgaans niet meer in leven. Dat laatste gold ook voor de Vijftigers, die dichtersgroep waarover ik hier al een paar keer iets schreef. Ze leefden ook niet zo voorzichtig. Ze zijn bij elkaar gezet en tegen elkaar afgewogen in Breken is bouwen (2025), het standaardwerk van Graa Boomsma. Van de meesten van hen heeft het getal der jaren waarnaar ze gezamenlijk vernoemd zijn, zich inmiddels verdubbeld, al ging dat bij Schierbeek in 2018 en Elburg in 2019 helaas stilzwijgend voorbij. Over mijn biografeling Elburg schreef ik daarom op 29 december 2019 mijn eerste column voor Meander.
Nu is er de honderdste geboortedag van Hans Andreus en er komen nog drie Vijftigers aan de beurt: Vinkenoog in 2028, Campert en Claus in 2029. Wie zoals ik nog op school zat toen ze zich manifesteerden, wordt stil van verbazing bij dat getal van hun jaren.
Op 21 februari 1926, werd in Amsterdam uit een huwelijk dat maar drie jaar stand hield, een zoontje geboren dat Johan van der Zant kwam te heten. Twintig jaar later zou hij ervoor kiezen als Hans Andreus door het leven te gaan. Met die verwijzing naar Sir Andrew Ffoulkes uit het fameuze verhaal De Rode Pimpernel hield hij een bewondering uit zijn jeugdjaren vast.
Zijn moeder hertrouwde een jaar na de scheiding met een autoverkoper die wel het beste voorhad met zijn stiefzoon maar toen Johan opgroeide, geen begrip opbracht voor de dromer, de fantast die gedichten wilde schrijven en boeken met verhalen. Begrip daarvoor vond hij wel bij vrienden in de Amsterdamse Jordaan, vooral Lubertus Swaanswijk die, twee jaar ouder dan Johan, zich in de naoorlogse jaren ontpopte als dichter en kunstenaar en zich Lucebert noemde.
Andreus wilde toneelspeler worden, volgde enkele jaren de lessen van de Amsterdamse Toneelschool, maar dat liep op niets uit. Daarna nam hij in september 1947 het besluit voortaan van de pen te leven. Desgevraagd gaf hij als beroep op: ‘Schrijver. Kinderboeken’. Van gedichten kon je niet leven, begreep hij, en hij meende terecht dat een productief schrijverschap voor kinderen lucratief kon zijn. Hij heeft het de rest van zijn leven met veel plezier en succes gedaan. Naast vijf boeken met kindergedichten publiceerde hij vanaf 1956 meer dan dertig boeken met kinderverhalen die geliefd werden, vooral die over de excentrieke schoolmeester Pompelmoes. Meester Pompelmoes en de mompelpoes (1968) onder meer. Voor de broodwinning schreef hij daarnaast voor de radio en leverde vertalingen en commerciële teksten af. Kortom: hij werkte zo hard hij kon om zijn gezin te onderhouden en ook dichter te kunnen zijn.
Na een debuut in 1947 met een sonnet drong al snel een nieuwe toon in zijn gedichten door, beïnvloed door Paul van Ostaijen. Hij was niet de enige nieuwe dichter in die stijl en Lucebert gaf ze de benaming ‘Vijftigers’. Andreus’ eerste bundel heette Muziek voor kijkdieren (1951). Hij raakte bevriend met Simon Vinkenoog en ging in Parijs bij hem logeren. Daar ontmoette hij een vrouw om wie hij in Parijs bleef, en met haar vestigde hij zich in 1951 in Rome. Door een aantal complexe oorzaken die deels op zijn jeugdjaren zijn terug te voeren, raakte hij in een ernstige psychische crisis. Terug in Nederland kwam hij onder behandeling van de psychiater Maarten Lietaert Peerbolte, specialist in prenatale oorzaken van psychische problemen. Peerboltes conclusie dat Andreus leed aan het trauma dat door een abortuspoging de helft van een tweeling omgekomen was en hij de schuldige overlevende was, werkte voor deze patiënt als een openbaring. Hij kon dit rijmen met droomervaringen, en het werd de inspiratiebron voor een magistrale bundel met 39 Sonnetten van de kleine waanzin (1957).1 Verwijzingen hiernaar zijn talrijk in zijn gedichten, zoals in Klein boek om het licht heen (1964) waar hij schrijft: ‘De val / uit het lichaam / en de angst / omdat het licht / niet houdt’.
Lucebert koos voor een naam die verwees naar het licht, maar Hans Andreus werd de ware ‘dichter van het licht’. Dat was er al volop in de eerste dichtbundel die hij publiceerde, Muziek voor kijkdieren (1951). Het begingedicht daaruit is een ode aan het morgenlicht, met de slotregel: ‘wij moeten zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht.’ Dat ‘eenmaal’ was dichterbij dan hij toen dacht. Andreus is niet oud geworden, hij stierf op 9 juni 1977 aan kanker. Kort voor zijn dood schreef hij zijn ‘Laatste gedicht’:
–
–
Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,
nu het met mijn leven bijna is gedaan,
de scheppingsdrift me ook wat is vergaan
met letterlijk de kanker in mijn lijf,
–
en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,
ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,
maar ik praat liever tegen iemand aan
dan in de ruimte en zo is dit wel
–
de makkelijkste manier om wat te zeggen), –
hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht
van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in
–
het onverhoeds onnoemelijke begint?
Of is het dat jíj me er een onverdicht
woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?
–
–
Het is een brede lichtende draad die door heel zijn poëzie loopt en waarin de zintuigelijke ervaring van het licht maar ook de existentiële en de religieuze of mystieke betekenis vorm krijgen, naast Andreus’ fascinatie voor de fysica van de kleinste deeltjes, die er kunnen zijn en tegelijk niet zijn. Wie heeft ooit die ondoorgrondelijke paradox zo lichtvoetig tot een psychische wensdroom kunnen verheffen, als Andreus in zijn bundel Syntropisch (1965): ‘Ach, ware ik een foton / of ware ik een neutrino, / dan ware mijn rustmassa nul.’ Verscheidene titels van latere bundels, van het genoemde Klein boek tot Holte van licht (1975) verwijzen naar het licht. Hoe kun je, als het licht zoveel voor je betekent, de gedachte aan een zwart gat (holte van licht) verdragen?
Door die brede band van licht weven zich andere thematische lijnen. De liefdesgedichten die hem een tijd lang de meest geciteerde dichter van de Vijftigers maakten. De onzekerheid over eigen identiteit die er al is in de eerste bundel: ‘Ik weet niet wie ik ben / ik weet niet wie ik was.’ Dit spitst zich toe in het laatste van de Sonnetten van de kleine waanzin, in de tegenstelling tussen ‘Herinner mij. Ik heb mij neergeschreven’ en ‘Vergeet mij – want die het schrijft is het niet’.
Andreus schreef een poëzie die ertoe doet, die niet vergeten mag raken. Dat de toon vaak speels is, betekent niet dat de dichter zichzelf wegrelativeert, maar dat hij de implicaties draaglijk wil maken. Het is een poëzie die van begin tot eind een levensverhaal niet vertelt, maar aanwezig laat zijn.2
Aantekeningen:
- Van mijn biografie Hans Andreus kan de 2e herziene druk (De Bezige Bij, 2006) nog via Printing On Demand bij de boekhandel besteld worden.
- De poëzie van Andreus is nog in de boekhandel verkrijgbaar in enkele bloemlezingen. Zijn Verzamelde gedichten kregen van 1983 tot 2004 zeven drukken maar zijn nu alleen antiquarisch te koop.
–


