Van spinrag tot tegenlicht
door Yvan De Maesschalck
Nog altijd liggen ze in mijn geheugen verzonken: de woorden van twee gedichten die me als kind bekoorden, ja betoverden. Het allereerste moet ‘De spin Sebastiaan’ geweest zijn, vrij vroeg op de lagere school. De betovering ging zowel uit van de spinnennaam als de dichtersnaam: Annie M.G. Schmidt. Wie met zo’n verheven naam begiftigd was, moest wel meeslepend en welluidend kunnen schrijven. Intussen weet ik allang dat het om een enigszins tragisch, perfect uitgebalanceerd gedicht gaat dat je onmogelijk niet kan beroeren: ‘de spin Sebastiaan / Het is niet goed met hem gegaan’! Maar toen – enkele decennia geleden – wist ik van niets en waren mijn ontroering en gevoel van medeleven met de spin totaal.
Het tweede, voor mij even welluidende gedicht was ‘Heete pootjes’ en bracht me voor het eerst in contact met Guido Gezelle. Het korte gedicht over een gevangen bij en een wat naïeve jongen, werkte aanstekelijk. Het deed me voor het eerst aanvoelen dat poëzie best geestig kan zijn en toch serieus. Vooral het beginvers ‘Een schalkaard had een bie gevaan’ en de waarschuwing ‘pas op maar van ‘t niet dood te doen’ maakten indruk op mijn jongere zelf. Uitleg over de dichter was er niet bij, maar de verzen sloegen aan. Misschien ook omdat in ‘schalkaard’ (deugniet) een deel van mijn eigen familienaam weerklonk? In ieder geval weet ik wel dat toen op de dorpsschool – in twee tellen als het ware – de eerste vonk is overgeslagen.
Daarna verdween de poëzie voor ettelijke jaren uit mijn leven, althans op school. Thuis werden wij op geregelde tijden vergast op live gezongen psalmen die mijn moeder moeiteloos uit het hoofd debiteerde. Met hoge, heldere stem. Wij vonden het normaal en bizar tegelijk, maar eigenlijk zorgden die muzikale verzen voor intense momenten. Ik koester ze nog altijd dankbaar. ‘Evenals een moede hinde / naar ’t klare water smacht’ en ‘De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken’ klonken op als moeder de vaat deed of zich ontfermde over de was in het ‘pomphuis’. Ze kon ook hele gedichten van de toentertijd nog altijd populaire Alice Nahon opzeggen. Die maakten tijdens moeders tijd op het internaat (de kostschool) deel uit van het hooggestemde pedagogische project. Pas later heb ik dankzij het onderzoek van Manu van der Aa en Ria van den Brandt begrepen dat Nahon niet alleen een ziekelijk ‘kwijnmeisje’ was of de leverancier van gevoelslyriek, maar ook een ‘turbulent liefdesleven’ had beleefd. En dat sommige van haar ‘zachte vooizekens’ zelfs een erotische ondertoon hadden.
Van de daaropvolgende eerste drie jaren op de middelbare school kan ik me weinig poëtische momenten heugen, behalve een enkele les in het derde jaar waarin Bertus Aafjes’ Een voetreis naar Rome ter sprake kwam. Over het leven van de dichter vernamen we – alweer – helemaal niets, maar ik herinner me wel dat ergens in het leesfragment een definitie van ‘reizen’ voorkwam: ‘zijn hart losmaken / van het anker der kleine vaart / om het los te laten geraken / op de zeeën der wereldkaart’. Alweer veel later ben ik over Aafjes allerlei smeuïge biografische details te weten gekomen, die natuurlijk niets te maken hebben met deze verzen. Maar ze hebben me wel doen inzien dat authentieke dichters, willens nillens, hun eigen ervaringen dicht op de huid zitten. Of dat ook gold voor de naar Tomi verbannen Romeinse dichter Publius Ovidius Naso, die we moeizaam leerden vertalen, zou ik betwijfelen. Maar de aandoenlijke verhalen over Daedalus en Icarus, Orpheus en Eurydice, Philemon en Baucis hebben me bij de lectuur van moderne of hedendaagse dichters (als Ad Zuiderent, Paul Demets, W.H. Auden, R.M. Rilke) veel diensten bewezen.
In de daaropvolgende jaren had ik het geluk les te krijgen van twee leraren die zich met enthousiasme wentelden in de grote literatuur. Ze gaven de hun toevertrouwde pupillen de volle laag. J.G., leraar Nederlands in het laatste en voorlaatste jaar van de oude humaniora, was uitgerust met een even speelse als sprankelende geest. Hij paarde een verbluffende belezenheid aan een bijna volslagen gebrek aan didactische methodiek. Maar zijn zin voor humor, ironie en anekdotiek, en zijn afkeer voor alles wat naar conventie of dogma rook, hielden ons (meestal) bij de les. Hij vergastte ons steevast op teksten die het establishment in vraag stelden. We lazen alleen de scabreuze en antiklerikale verzen uit Van den vos Reynaerde, verdronken – tijdelijk – in de wazige minnemystiek van Hadewych (‘Ic ben so wijt / Om een ongescepen / Hebbic begrepen / In ewegen tijt’) en bleven onwaarschijnlijk lang stilstaan bij het doodsbesef in de late middeleeuwen (‘Egidius, waer bestu bleven’; ‘Van der mollenfeeste’ [Anthonis de Roovere]*, ‘Mais où sont les neiges d’antan’ [François Villon]). Althans in mijn wellicht niet altijd even feilloze herinnering, al staan de hier geciteerde verzen tot vandaag zo in mijn geheugen gegrift.
Voor zijn lessen over poëzie en geestverruimende middelen (psychedelica) ben ik hem bijzonder erkentelijk. Ze waren gewaagd, heerlijk ambigu en grensverleggend, met aandacht voor o.a. S.T. Coleridge, Thomas De Quincey, Charles Baudelaire, Jean Cocteau, Aldous Huxley, Rimbaud & Verlaine en de Vijftigers. Op geen enkel moment stak hij een belerend vingertje op of waarschuwde hij voor het gevaar van soft of hard drugs (wat toen uiteraard bon ton was). Zijn ogenschijnlijk gebrek aan systematiek om ons aan het lezen te krijgen, bestond erin bij aanvang van het schooljaar een aantal romans tot verplichte lectuur te promoveren – met bijbehorende ‘vergelijkende’ opdrachten – en die gaandeweg een voor een af te voeren. Maar gelézen hadden we ze intussen – althans sommigen – meestal wél.
Een onuitputtelijke bron was verder E.E., onze onvoorstelbare leraar Grieks en Latijn, die zijn haar op Romeinse wijze pommadeerde. Dankzij zijn eruditie werd mijn liefde voor de oude letterkunde blijvend gewekt. Hij zag er wat burgerlijk uit, gaf erg gewoon les, met het boek in de hand, maar insisteerde op een indringende lezing van elke tekst, van Homerus tot Vergilius & Horatius, van Plato & Socrates tot Seneca & Sophocles, van Sallustius tot Tacitus, van Cicero tot de fulminerende redenaar Demosthenes, die zijn spraakgebrek bestreed met kiezelsteentjes in de mond om het geluid van de branding te overstemmen. Na één les Homerus, waarin we de proloog van de Ilias ‘lazen’, waren we amper zes verzen opgeschoten en had ik bijna evenveel bladzijden notities! De traagheid waarmee de homerische honing werd opgelepeld was overrompelend. Aan de lectuur van Plato – fragmenten uit De Staat, het Symposium en Socrates’ Apologie – ging een beknopt overzicht van de presocratische filosofie vooraf, de stellingen van Pythagoras en Euclides incluis. Een kostbaar geschenk dat je levenslang koestert.
Aan de lectuur van enkele snippers Sappho knoopte hij een overzichtje van de Oudgriekse lyriek vast, niet zozeer met de nadruk op het metrum als wel de soms tragische thematiek en eufonische klankpatronen, die overigens ook de Ilias en Odyssee onweerstaanbaar maken. ‘Nachtlied’ van Alcman (zevende eeuw v.o.t.) herinner ik me nog altijd en dat begint – uiteraard omgespeld – zo: ‘Heúdousin d’oréoon korufaí te kai fáranges / próó-onés te kai charádrai’.** Hij verbond de bespreking ervan met ‘Wandrers Nachtlied’ van J.W. von Goethe (Über allen Gipfeln / Ist Ruh’) en opende daarmee voor het eerst de deur van de Duitse poëzietuin. Het inzicht dat poëzie in hoofdzaak een kwestie is van thema’s, motieven, klank en ritme, heb ik aan E.E. te danken.
Toen ik jaren later zelf voor de klas mocht staan, kwam ik gelukkig op een non-conformistische school terecht. René Van Daele, een van de oudere collega’s, bleek een globetrotter, levensfilosoof, dichter, én fan van Achterberg en Kavafis: hij werd in de loop der jaren een bijzondere vriend. Renés gedichten waren gebald en gistten lang in hem voor hij ze op papier zette. Toen hij zijn (vijfde) bundel Tegenlicht (1994) publiceerde, schreef ik mijn eerste officiële recensie. Tot mijn verbazing werd ze opgenomen in Poëziekrant, zij het met een storende drukfout (‘uw afwezigheid’ werd ten onrechte veranderd in ‘uw aanwezigheid’) en die is nog altijd raadpleegbaar op de DBNL). Sindsdien schrijf ik af en toe een stuk over een of andere dichtbundel, liefst met oog voor thematische en formele bijzonderheden. Zoals me eigenlijk op school is aangeleerd.
____
*Zie ook de podcast van Bas Jongenelen,
**Opgenomen in The Oxford Book of Greek verse, Oxford University Press, 1966, p. 156. In vertaling: ‘Slapen doen de toppen van de bergen en de kloven / alsook de ravijnen en rotspunten’.




