door Ko van Geemert
Lange tijd schreef ik met veel plezier in Mens en gevoelens, het tijdschrift van Paul Haenen en Dammie van Geest, de laatste jaren stukjes onder de titel Reis mee met de dichter G. Ik vind het leuk nog een paar verhaaltjes met jullie te delen, twee uit 2003, eentje uit 2004. Het eerste speelt zich af op het Griekse eiland Aegina:
“We hadden nog een kleine drie uur te gaan, voordat de boot – op het wonderlijke tijdstip van één minuut voor twaalf, ’s nachts – zou vertrekken. We hadden matige trek, maar om de tijd te doden wilden we wel naar een restaurant.”
Na enig zoeken vinden we een schaars verlicht restaurant. Met achter de bar een lange, slecht uitziende man met zijn rechtervoet in het verband, plus een aan een tafeltje gezeten oudere vrouw. Ze staren ons wezenloos aan. Ze kijken naar een televisie, die keihard aanstaat. Het restaurant is in een belendende ruimte. Er wordt niet gesproken, zwijgend gaat hij ons voor.
Met wat moeite bemachtigen we de menukaart en bestellen snel iets.
“Na een poosje liep hij naar de keuken en haalde, waggelend als op een schip, twee tot de nok toe gevulde borden soep. In uiterste concentratie bracht hij die een voor een, de borden met beide handen stevig omklemd. Daarna dronk hij nog maar eens wat, waardoor het brengen van ons volgende gerecht hem nog meer moeite kostte.
We prikten een beetje ongemakkelijk in een ondefinieerbare massa en vroegen met onze handen of we konden betaalden. […] De man bracht ons met zijn laatste krachten de rekening, nog altijd zonder een woord te zeggen. Verslagen verlieten we het etablissement, we hadden nog ruim twee uur voordat we van het eiland af mochten.”
Over het eiland schreef ik dit:
AEGINA
Er was niet veel te doen;
de boot bracht weinig meer
dan wat volmaakt geluk:
geluid van golven, kinderen,
gerinkel binnen handbereik,
de zon.
Tijd voor spijt –
en daarvan weer de spijt:
een Drosteblik.
Ik kwam er niet veel verder van
dan met de boot terug.
M’n volgende verhaaltje heeft betrekking op ons geliefde Japan, waarmee we begin jaren ’90 kennismaakten en daarna nog vaak terugkwamen. Een belangrijke bezigheid daar is in bad gaan. Men wast zich eerst buitengewoon grondig en stapt dan in een gemeenschappelijk (heet) bad. Mannen bij mannen, vrouwen bij vrouwen.
De eerste keer (in 1992) verliep voor mij zo:
“Ik zeepte me hartstochtelijk in en boende me grondig, met het als washand te gebruiken handdoekje, waarmee je je later ook weer afdroogt, dat is de bedoeling, zo had ik gelezen. Ik spoelde ma af en deed een poging in het gloeiend hete bad te stappen.
Op dat moment verliet, als door een adder gebeten, de een na de ander het bad, ik bleef alleen over. Ik werd daar erg zenuwachtig van.
Wat had ik fout gedaan, waren mijn wasgewoontes onvoldoende Japans, verspreidde ik ondanks alles een onaangename geur, was mijn uiterlijk té stuitend?
Ik wist het niet en weet het eigenlijk nog steeds niet.
Later heeft iemand me verteld dat de baders waarschijnlijk geschrokken waren van de, in mijn ogen toch tamelijk bescheiden, haargroei op het lichaam.
Japanse mannen hebben dat niet.”
Later schrokken de Japanners gelukkig minder van me. Japan bleef ons favoriete land, onder meer hierdoor:
JAPANSE TUIN
Geen droom, maar bij de stad
behorend land. Natuur
brengt ademnood. Maar water-
kringen van grind, een handzame boom
tegen bevattelijke heuveltjes:
schuilplaats op maat
om de hoek.
–
Tot slot: dit schreef ik meer dan twintig jaar geleden over een eiland dat me ook zeer nauw aan het hart ligt: Curaçao.
“We hadden er weer een mooie tijd en ik had weinig zin om naar het kille Holland terug te moeten. Natuurlijk – ik ben ook niet helemáál een dromer – weet ik wel dat het leven op Curaçao voor velen, zeker voor de vele mensen zonder geld, zwaar kan zijn. Die tegenstrijdigheid klinkt [hoopte ik] door in dit gedicht dat ik, weer thuisgekomen, schreef.”
–
HEIMWEE NAAR CURAÇAO
. Droevig eiland droevig volk
. droevig eiland in de kolk
. COLA DEBROT
Verslagen reis ik terug, naar huis,
verpletterd door de zee, zo zilt en zo nabij als nooit,
verschroeid door rum en zon,
gevangen in de hitte van de nacht.
Mocht u er ooit eens komen,
draag dan een strooien hoed, een wit gewaad
van linnen of papier, als pantser
voor de lichtheid van een niet te dragen last.
–
illustratie (1999) © Frank Muntjewerf
–



