‘We gaan wel met die boot’
door Hans Puper
Na de verschijning van Guillaume (2020), over het overleden broertje van Kreek Daey Ouwens, vroeg de literatuurwetenschapper Johan Sonnenschein haar of zij er weleens aan had gedacht om niet over een kind met een verstandelijke beperking te schrijven, maar vanuit zo’n kind. Dat hij die vraag stelde ligt voor de hand: hij is de zorgvader van Felix, een jongen met het syndroom van Down. Ze vroeg zich af of ze dat wel op een geloofwaardige manier kon doen, maar het idee liet haar niet los. Het resultaat was haar bundel Daun, verteld vanuit het perspectief van een ‘ik’. Een waagstuk, want juist wanneer je vanuit een kind met een beperking schrijft, ligt sentimentaliteit levensgroot op de loer. Maar Daey Ouwens weet wat zij doet en bovendien heeft zij vooraf ongetwijfeld een uitgebreid onderzoek gedaan naar de belevingswereld van kinderen met het syndroom van Down – zie haar interview in Meander. Ze zal ook de documentaires hebben gezien die de afgelopen jaren zijn verschenen. Daar zaten zeer goede tussen.
Daun klinkt als Down, naar het syndroom, maar het is ook de naam van de hoofdpersoon, die we leren kennen van kleuter tot volwassene. Hij wordt echter nergens bij naam genoemd. Dat is functioneel: voor de buitenwereld is hij ‘Daun’, een jongen met het syndroom. In zijn binnenwereld is hij gewoon wie hij is: ‘Ik ben mij ik ben een jongen’. Het zijn de mensen in zijn omgeving die hem doen beseffen dat hij anders is dan anderen. Steeds opnieuw laten zij hem onbedoeld weten dat hij tekort komt. Hij is ‘spe-ci-jaal’ volgens zijn oma en later zijn begeleidster Bernadette; ze denken hem een steun in de rug te geven, maar ze zetten hem daarmee evenzeer apart. Als zijn moeder hem vertelt over zijn geboorte, schemert haar teleurstelling daar doorheen.
‘Toen jij geboren werd’, zegt mamma, ‘waren vader en ik zó blij!’
Ik kleur in mijn tekenboek
‘Toen kwamen de dokters
Ze keken se-rie-jeus’
Toen was ik verkeerd …
Ik kan heel mooi kleuren
De lucht en de wolken en zo
De reactie van Daun lijkt neutraal, maar dat is schijn. Dat blijkt uit de laatste twee regels. Het kleuren, de lucht en de wolken vormen een motief in de bundel: beide doen hem even vergeten dat hij ‘daun’ heeft.
Kleuren is hem niet altijd gegund: een begeleider in een van de tehuizen waarin hij wordt geplaatst beveelt hem bijvoorbeeld eerst zijn bed op te maken en zijn kamer op te ruimen. Pas dan mag Daun ‘lui’ zijn, dus datgene doen wat voor hem van wezenlijk belang is. Ook hier zien we weer het verschil tussen de binnen- en buitenwereld. Op veel begrip van volwassenen hoeft hij niet te rekenen.
Mooi is, dat in de bundel een aantal veelkleurige tekeningen is opgenomen. Ze zijn van Felix Sonnenschein, lezen we in het colofon. Er komen meer kleuren voor in de bundel: witte pagina’s worden afgewisseld met gekleurde. Die gekleurde pagina’s hebben een titel en vallen binnen de drie afdelingen met romeinse cijfers. Die tussentitels geven de kern van die afdelingen aan.
Het leven van Daun speelt zich af in kleine kring, iets wat we kennen uit eerdere poëzie van Daey Ouwens. Dat wereldje bestaat uit het gezin, waarin ook in deze bundel grootmoeder een prominente plaats inneemt (voor Daun zelfs nog na haar dood), de school en de tehuizen waarin hij wordt geplaatst. Als Daun moet gaan werken, wordt dat genoemd – hij lijdt onder het lawaai op zijn werkplek en het is ongezond -, maar scènes die zich op zijn werk afspelen zijn er niet.
Juist door zijn kleine wereldje staat het leven van Daun voor de lezer onder extra spanning. Iedere figuur is voor hem van levensbelang, echte rustmomenten zijn er niet.
De scènes, die samen het verhaal vormen, zijn weliswaar geschreven vanuit Daun, maar we ervaren ook de sturende hand van de dichter. Zij maakt de scènes soms extra schrijnend door het gebruik van dramatische ironie: de lezer snapt of ziet dingen waarvan de hoofdpersoon geen weet heeft. Een voorbeeld: Daun wordt geplaatst in een katholieke instelling, bestierd door fraters. Hij voelt zich eenzaam, maar heeft wel een vriend, met wie hij kennelijk in één kamer slaapt: ‘Jossie heeft bloed in zijn onderbroek / Hoe dat komt vraag ik / Jossie zegt: ‘Ssttt’
Daun beseft niet wat er aan de hand is, en Jossie vertelt het niet. Vrijwel zeker heeft de frater hem verboden om over het misbruik te praten en Jossie lijkt dat te hebben geïnternaliseerd.
De dichter werkt op een effectieve manier met leestekens. Vooral die aan het eind van een gedicht vallen op, en dan met name de komma in combinatie van het vele wit op de pagina. Door zo’n komma weten we dat het vertelde doorgaat en we mogen dat zelf invullen:
Ik kan niet horen
Ik kan niet horen
Mama is niet blij
Ik hoor niet,
Daun wordt ouder en in het huis waarin hij op dat moment verblijft ontmoet hij Jolanda. Ontroerend is de liefde die tussen hen ontstaat, maar ook daarin worden zij geconfronteerd met hun anders zijn. Ronduit pijnlijk is reactie van begeleidster Bernadette als Jolanda aangeeft kinderen te willen. (Let ook in dit gedicht op komma’s aan het eind van een regel).
Jolanda is ook boos omdat ze geen baby kan
Bernadette praat goed met ons
Bernadette is onze begeleiding
‘Als de baby daun heeft,’ zegt Bernadette, ‘wordt het
allemaal heel moeilijk en als die geen daun heeft ook,’
Ik wil zó graag een hond maar dat kan ook niet zegt Bernadette
daar moet je heel goed voor zorgen,
‘We gaan wel met die boot’, zeg ik tegen Jolanda.
Daun wil nog zoveel meer: een eigen huis, de hele dag spaghetti, porno kijken, een brommer, maar dat gaat allemaal niet – het enige waarin hij slaagt is het kopen van mutsen; hij houdt daar zo van. Ook de relatie met Jolanda beklemt hem soms. Het gevolg is dat hij zijn frustratie en verdriet wegeet en obees wordt.
Daun is een aangrijpende bundel, en meer dan dat. Als je hem herleest, ervaar je hoe goed hij is geschreven. De dichter geeft nergens commentaar, zij geeft uitsluitend de gedachten van Daun weer, maar daarmee ondervang je het gevaar van sentimentaliteit niet: als volwassene zie je immers het geworstel en de tegenwerking die hij ondervindt. Maar Kreek Daey Ouwens heeft genoeg ervaring om niet in die valkuil te stappen. Knap.
____
Kreek Daey Ouwens (2026). Daun. PoëzieCentrum. 110 blz. € 23,00. ISBN 9789056554835




