LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Kreek Daey Ouwens

13 jun, 2024

‘Schrijven is voor mij een zoeken.’

door Monique Wilmer-Leegwater

 

Kreek Daey Ouwens (Lindenheuvel, 1942) debuteerde in 1991 met Stokkevingers, een bundel verhalen en gedichten. In 1995 verscheen Tegen de kippen en de haan, in 2004 Kinderbed, in 2009 De achterkant (Querido), dat genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs 2009-2010. Daarop volgden in 2014 Blauwe hemel, in 2016 ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen en in 2017 Oefening in het alleen lopen (De Wereldbibliotheek). Jan H. Mysjkin vertaalde in 2019 gedeeltes uit haar werk in het Frans en het Roemeens. In 2020 verschenen bij uitgeverij Vleugels Echo Echo en bij de Wereldbibliotheek Guillaume. In 2023 verscheen bij Uitgeverij De Wereldbibliotheek Mijnwerk, een uitgave met daarin verzameld werk en twee nieuwe bundels. Bij de Stichting Man in de Maan verscheen Haperend Geluk (2020) waarvoor zij een bijdrage schreef. De Leo Herberghs Poëzieprijs werd haar toegekend in 2014. Guillaume werd in 2021 genomineerd voor de Grote Poëzieprijs en de Herman de Coninckprijs. Kreek Daey Ouwens kreeg in 2023 voor deze bundel de KANTL-prijs voor poëzie [Prijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren].

foto © Theo Rikken

 

Voor dit interview gaf u naar mij toe aan het met name te willen hebben over Mijnwerk, het onlangs gepubliceerde verzameld werk van uw hand. Dat gaan we uiteraard ook doen maar toch wil ik niet onvermeld laten dat u in 2023 de KANTL-prijs voor poëzie (Prijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren) in ontvangst mocht nemen voor de bundel Guillaume. Dit is een vierjaarlijkse prijs in Vlaanderen en werd eerder uitgereikt aan onder andere Gerrit Kouwenaar en Leonard Nolens.  In het juryrapport wordt gezegd dat u een groot gevoel heeft voor dosering en theatraliteit van taal en weinig woorden nodig heeft om een complexe wereld te schetsen. Hoe vond u het om deze prijs te winnen?
Ik was diep ontroerd dat de KANTL-Poëzieprijs werd toegekend aan Guillaume. Guillaume is mijn kleinste, meest kwetsbare boek. Over mijn kwetsbare broertje. Ik heb een hekel aan de grote literatuurprijzen, de enorme geldbedragen die ermee gemoeid zijn. Het bevechten. De kritiek die losbarst. Het heeft allemaal niets te maken met het schrijven zelf. De KANTL-prijs is voor mij een hommage aan alle kinderen, mensen, die zich met moeite handhaven in een maatschappij die dwingt tot perfectie. Ik ben de perfectie zo moe…

Naar aanleiding van de stem in deze bundel en het perspectief van waaruit u vertelt, is er een mooi project ontstaan. Kunt u daar iets meer over zeggen?
In een gesprek met Johan Sonnenschein, literatuurwetenschapper en zorgvader van Felix, met het syndroom van Down, stelde Johan de vraag: Heb je wel eens overwogen om vanuit een kind, een mens met een beperking te schrijven. Niet dus zoals in Guillaume over, maar mét zijn stem… Aanvankelijk dacht ik: dat kan helemaal niet, dat zou oneigenlijk zijn. Maar het liet mij niet los. En nu werk ik samen met Johan en de dichteres Emma Crebolder aan een project waarin we meer zichtbaarheid willen geven aan deze kwetsbare groep. Het vraagt om een perspectiefwisseling, het laten varen van mijn eigen logica. Maar ik vind het heel bijzonder en heel fijn hieraan mee te werken.  Wat de vorm gaat worden, daar zijn we nog niet uit. Liefst een verzamelbundel. Misschien een documentaire. Het is nog heel pril.

Uit de twaalf bundels die u sinds 1991 publiceerde, heeft u een selectie gemaakt voor Mijnwerk, kroniek van een familie in scherven, dat in 2023 verscheen. De hoofdrolspelers in dit werk zijn steeds dezelfde mensen: het kind, de vader, de moeder, de grootvader, de broers en zussen maar vooral de grootmoeder.  Waarom speelt juist zij zo’n grote rol in uw werk?
Mijn grootmoeder was het meest nabij – ze woonde met mijn grootvader tot aan hun dood bij ons in huis. Waar mijn moeder verdween in de zorg voor een groot gezin (elf kinderen, waarvan twee broertjes met een verstandelijke beperking) was mijn grootmoeder emotioneel en fysiek het dichtstbij. In het begin van je schrijverschap leun je op die nabijheid, nu is ze veeleer een metafoor voor het tekort, het menselijk tekort. Misschien het hoofdthema in al mijn werk…

Ver weg is mijn moeder
Ze is jong en verlegen
Ze ligt in haar kist als een kleine viool

Ik wil een wiegeliedje zingen
Ik wil niet weg meer uit haar armen
Ik wil de sneeuw bewaren
Het stof ophopen in een dichte doos

Ik wil haar iets geven

De dood is geen heeroom met leerbruine lippen
De dood heeft een ernstig gezicht
Het kind is zo bang als een blad in de winter
De moeder, de dood dragen samen het kind

Uit Tegen de kippen en de haan (Querido, 1995)


Kunt u iets zeggen over de andere thema’s in uw werk en hoe deze zich verhouden tot het hoofdthema?
Er is altijd een verweving van de onschuldige observaties van een kind met de beladen werkelijkheid van de volwassenen. Het onvermogen van mensen elkaar te bereiken. In de taal. De woorden. Iedereen zal zich hierin herkennen. Soms lijken de woorden – als het erop aankomt, als het er wérkelijk op aankomt dat de ander je begrijpt – te worden teruggekaatst. Als zou daar een muur…. een denkbeeldige muur…In Kleine dieren  wordt die muur bijna een derde persoon. Het kind?

De gelatenheid waarmee mijn grootmoeder (vrouwen van haar generatie) hun lot, hun leven ondergingen; het is zoals het is…Ik voel hierbij een grote verwantschap met de Roemeense Duitstalige schrijfster Herta Müller. Ook in haar werk wandelt voortdurend de grootmoeder. Zijn er de grootvader, de vader, de moeder, het kind. In haar Lage Streken beschrijft ze haar kindertijd, het Roemeense platteland, de schoonheid van het lelijke.

Kunt u een voorbeeld noemen van de schoonheid van het lelijke, of dit omschrijven?
De schoonheid van het lelijke… bij Herta Müller letterlijk de lelijkheid van de mensen, het land. De armoede. Maar een lelijkheid die echt is.  De mens in zijn kaalheid. Maar méns.  

Als toevoeging op de voorkant staat er ‘kroniek van een familie in scherven’. Waarom wilde u dit op deze manier erbij vermelden?
Kroniek van een familie in scherven’ heeft een dubbele betekenis. Literatuurcriticus en vertaler Erik de Smedt omschrijft mijn werk als ‘splinters’, en de letterlijke betekenis van een gebroken familie: de grote en de kleine scherven.

Het boek Mijnwerk is maar liefst 600 pagina’s dik; is de opbouw chronologisch of werkt u ook met terugblikken?
De opbouw is niet chronologisch. Ik heb gekeken naar de leesbeleving, hoe de verhalen zich tot elkaar verhouden. De ontwikkeling naar aanvankelijk nog proza naar de poëzie. In mijn werk lopen heden en verleden altijd door elkaar. Een terugblik soms als heet van de naald. Omdat ik die dan zelf ook zo ervaar.

Heeft het schrijven van Mijnwerk eraan bijgedragen dat u de dingen, uw omgeving en de gebeurtenissen beter begreep en/of een plek kon geven zoals dat vaak zo mooi gezegd wordt?
Schrijven is voor mij een zoeken. Mijn redacteur Matthijs de Ridder vroeg ooit: hoe zou je het liefst herinnerd worden. Mijn antwoord: Iemand die zoekt. En af en toe vind je een scherf.

Denkt u dat lezers zich zullen herkennen in Mijnwerk en de tijdgeest waarin deze geschreven is? Is dat iets wat u graag zou willen?
Ik hoop dat mensen zich herkennen in dat tekort, het onvermogen. En dat dat niet erg is…

Kunt u iets zeggen over het gezin waarbinnen u opgroeide en waarom zij en de gezinssituatie zo’n inspiratiebron zijn voor u?
Dichterbij mensen dan in je kindertijd, in je eigen omgeving, kom je nooit.
Het is natuurlijk een enorme voedingsbodem voor een schrijver, de onbegrijpelijkheid van volwassenen die universeel is, een onbegrijpelijkheid die de fantasie van een kind voedt, bijna ondraaglijk…

Maar, vogeltje!

Sneeuw is er, sneeuw
De wind over de wegen
De wind wil jou rechtop
Soldaat op stille voeten
Streng schittert blauw
Allee! Vooruit! Sta op!
Eén nachtje slapen maar
Zodat ik lieve woordjes zeg

Wie denk je wel verdomme dat je bent
Om te gaan slapen zonder kleren aan je lijf!

Uit Mijnwerk (Wereldbibliotheek, 2023)

Niet iedereen zal zo gedetailleerd herinneringen hebben aan zijn jeugd of deze kunnen beschrijven, was u bedachtzamer en opmerkzamer dan het gemiddelde kind?
Ik weet niet of ik opmerkzamer was dan het gemiddelde kind. Ik was vooral erg verlegen. Durfde nauwelijks te praten. Hardop. Ik luisterde vooral. Ik kan me nog gesprekken herinneren, bijna letterlijk – onbegrijpelijke gesprekken over onbegrijpelijke dingen. Er werd vooral gezwegen.

Waarom heeft u in Mijnwerk voor deze vorm gekozen?
De vorm in mijn werk, een vorm die het midden houdt tussen proza en poëzie, heeft zich aangediend. Na mijn debuutverhaal in Hollands Maandblad, mijn enige verhaal met een kop, een midden en een staart, merkte ik een lichte weerzin tegen dit schrijven. Invoelend. Mooie zinnen. Ik liep daarna onmiddellijk vast. Zocht naar een directheid, De essentie van de dingen. Oprechtheid. Vrij.

Tot slot zijn er in Mijnwerk twee nieuwe bundels opgenomen: De Bloemenmarkt en Kleine dieren. Wat zijn de thema’s van deze bundels?
In De Bloemenmarkt, naar mijn idee een filmische tekst, bevind ik me letterlijk weer op de stoep met mijn zusjes voor het grote huis. We zagen en hoorden de levens van de grote mensen – het grote onbegrijpelijke…

Kleine Dieren is het verhaal van mijn grootouders. Een verborgen verhaal. Een geheim, een letterlijk onuitsprekelijk verdriet. We wisten niet wat, er was enkel een foto. Mijn grootmoeder liep ervan weg. Mijn grootvader is toen het gebeurde opgehouden met praten.

Wilt u de gebeurtenis die zo’n grote impact heeft gehad op de familie toelichten?
Over de gebeurtenis wil ik liever niet uitweiden. Wat er werkelijk gebeurd is, zal nooit bevestigd worden. Wat blijft is dat mijn grootouders elkaar zijn kwijtgeraakt. In de bundel Guillaume schrijf ik: Er is zoiets als rouw en er is zoiets als schuld… Een leven leven met die schuld, met die pijn –
het heeft hen getekend.

De hemel boven de dikke man is dezelfde
hemel als die boven de zee.
De dikke man zegt: Rechts. Rechts. Rechts.
Hij steekt zijn hand op.
Hij steekt zijn hand op boven zijn land.
Melania heeft een dichtgestopte mond.
Aan haar hand fonkelt een ring.
De schoenen van de dikke man marcheren
tussen het fonkelen over de stenen.
Melania kijkt naar de zee.
Melania kijkt net zo lang naar de zee tot
die ijs ijskoud wordt.
De dikke man pakt haar hand.
Melania voelt zichzelf aan die hand.
Melania voelt zichzelf helemaal alleen aan
die hand!
Melania voelt zichzelf aan die hand
op de televisie staan.

Uit Mijnwerk (Wereldbibliotheek, 2023)

Wat was voor u het grote onbegrijpelijke? Bent u van binnen altijd het kind gebleven dat naar de levens van grote mensen kijkt?
Een kind registreert. Begrijpt niet. Ervaart het grote bij de grote mensen….Hoe ze elkaar zoeken, willen vinden.  Kwellen. Leugens en bedrog, en tegelijkertijd een wanhopig verlangen naar gezien te worden. Mag het woord liefde zijn?

In zekere zin blijf je altijd dat kind. Ik ga ernaar terug. Naar de onschuld. Alles in je kindertijd heeft een eerste keer, nog niet gekleurd door de herhaling. Natuurlijk is het een onmogelijk verlangen, maar ik wil er telkens naar terug. Het niet-weten. In mijn schrijven wil ik ook het niet-weten… Jezelf nieuw maken. Bijna onmogelijk. Maar het moet wel. Telkens opnieuw.

 

     Andere berichten

Interview Sytse Jansma

‘Ik heb ervaren wat de kracht van poëzie is bij zo’n onderwerp als rouw.’ door Jeanine Hoedemakers - Sytse Jansma (1980) woont in...

Interview Silke Peeters

Interview Silke Peeters

‘Vaak is het juist omdat poëzie niet van nut moet zijn, dat ze zoveel kan betekenen.’ door Alja Spaan     Silke Peeters volgde...

Interview Piet Gerbrandy

‘Poëzie is in de allereerste plaats taalmuziek.’ door Monique Wilmer-Leegwater   Piet Gerbrandy (1958) is dichter en classicus. Hij...