‘Doorzichtige strepen’
door Ivan Sacharov
(Zoals de dageraad soms is.)
–
In het midden van de vlam
lag een ronde verlatenheid.
Dit is het voorwoord van de bundel Ik leg de avond in een la, van de Koreaanse schrijfster en Nobelprijswinnares Han Kang. In de vertaling van Mattho Mandersloot, moet ik er bij zeggen. Zonder vertaling zou ik er zeker niets van begrijpen. En zelfs nu, vertaald als het is, voel ik iets bevreemdends, iets dat het on-Nederlands maakt wat ik lees. Van alle bestaande (niet weggelaten) ‘voorwoorden’ is dit wel de kortste die ik ooit gelezen heb. Het laat me afvragen waarvoor een voorwoord nu eigenlijk dient.
Het eerste gedicht van de bundel, luidt zo:
–
Laat
op een avond keek ik
naar de kolkende damp die opsteeg
van de rijst in mijn witte kom
Op dat moment wist ik
dat er iets voor altijd voorbij was gegaan
en dat het heden voor altijd
voorbijging
–
Ik moest iets eten
–
Ik at mijn rijst
Het voorwoord legt een link tussen ‘avonden’ en ‘dageraad’: ze zijn beide soms ‘doorzichtig’. Is dat hier het geval? De ik-persoon kijkt naar een kolkende damp die opstijgt en weet op dat moment dat iets voorgoed is voorbijgegaan. Dat ‘weten’ suggereert doorzichtigheid. Het maakt attent op de situatie: men moet het eten tot zich nemen als het op temperatuur is. Maar er zit meer in deze tekst. Een besef van verlies. De kolkende damp heeft ook nadelen: hij belemmert het zicht en komt nooit meer terug. Het is een damp die staat voor alles wat ongrijpbaar is. Men moet het doen met wat wél grijpbaar is, het restant van de gang van de tijd: de rijst. De laatste twee regels suggereren een uiterst pragmatische levenshouding. Ik zou zelfs zeggen: fatalistisch. Een houding die ons hier in het Westen (waar alles ‘maakbaar’ wordt voorgesteld) enigszins vreemd is. Een Oosterse houding?
Een andere vorm van doorzichtigheid biedt het gedicht ‘Mark Rothko en ik’ (pag. 13):
– De dood in februari
–
Al is het overbodig om toe te lichten
er bestaat geen enkel verband tussen Mark Rothko en mij
–
Hij werd geboren op 25 september 1903
en stierf op 25 februari 1970
Ik werd geboren op 27 november 1970
en ben nog in leven
En toch
komen de negen maanden
die zijn dood en mijn geboorte van elkaar scheiden
nu en dan bij me op
–
Een paar dagen voor of na
de vroege ochtend waarop hij in het keukentje van zijn atelier
zijn polsen doorsneed
bedreven mijn ouders de liefde
en niet veel later
vormde een stipje leven zich
in de warmte van een baarmoeder
aan het einde van die winter, zijn lichaam nog intact
op een begraafplaats in New York
–
Niets om je over te verwonderen
maar iets om droevig over te zijn
–
Als niets meer dan een stip zonder hartslag
een stip die geen taal kent
geen licht kent
geen tranen kent
vormde ik me tegen de wand
van een vaalrode baarmoeder
–
Februari, de kier die dood en leven
van elkaar scheidde,
hield stand, hield vol
tot de opening begon te dichten
–
terwijl zijn hand nog niet ontbonden was
in de ijzige, half ontdooide aarde
Mark Rothko, o.a. bekend door ogenschijnlijk eenvoudige schilderijen, die een horizon lijken voor te stellen. Een horizontale kier, misschien ergens naartoe. Ik besefte bij het lezen van deze ‘ontmoeting’ tussen twee kunstenaars eigenlijk voor het eerst dat we als embryo (maar toch ook als klein mensje) een tijdje zonder kloppend hart in leven moeten zijn geweest. De dichter gebruikt dit gegeven geniaal om haar leven aan dat van Rothko te koppelen, wiens hart op het moment van haar conceptie óók niet klopte, maar door de koude, winterse omstandigheden waarschijnlijk wel intact was. Er is geen verband tussen Rothko en de dichter, maar net als op de schilderijen van Rothko, waar twee zijden aan weerskanten van een horizon elkaar lijken te naderen, nadert zij in haar gedicht heel subtiel de andere kunstenaar. Ze vormde zich ‘tegen de wand van een vaalrode baarmoeder’, vertelt ons haar gedicht. Een wand zo ‘vaalrood’ als de horizon van sommige Rothko-schilderijen?
Februari, de kier die dood en leven van elkaar scheidde, hield stand: doordat de dichter lééft. De opening ‘begon te dichten’, staat er zelfs nog bij. Maar dat is nog niet alles. De werkelijke diepte van deze tekst wordt ontsluierd in de laatste strofe. Rothko’s hand was nog niet ontbonden, in de ijzige, half ontdooide aarde. Het is haast alsof dit gedicht wil laten zien dat twee levens – dat van hem en dat van haar – in één laatste schilderij van zijn hand worden samengebracht. Een kunstwerk zo groot als het leven zelf! Schitterend! De paradox van een Rothko-schilderij – een schilderij dat ondanks dat het is gesplitst in twee helften, toch één schilderij blijft – wordt goed weergegeven in dit gedicht. Uiterst actueel in een digitale wereld als de onze, deze reïncarnatie door kunst.
Het is misschien geen toeval, dat de dichter zo scherp kijkt naar een schilderij. In opvallend veel gedichten speelt kijken een rol. Het volgende komt uit het derde hoofdstuk, ‘Avondbladeren’ (pag. 66):
–
Ik ben het niet vergeten
–
Alles wat leeft in mij
De delen die zullen vergaan
–
Mijn tong, mijn lippen
mijn warme vuisten die zullen vergaan
–
Met mijn heldere ogen die zullen vergaan
–
zie ik hoe een uitzonderlijk grote sneeuwvlok
neerstrijkt op de dunne laag ijs over een zwarte poel
–
—–Iets
—–glinstert
–
Totdat het glinstert
De overgang van ‘Iets’ dat glinstert, naar ‘het’, is een meedogenloze. Bij de dood verliezen we onze individualiteit. De dood ontneemt ons alles, behalve een zekere glans, aldus dit gedicht. Opmerkelijk daarbij is dat de ‘heldere ogen’, die dit alles waarnemen, óók glanzen. Alsof de dichter wil zeggen dat de doden naar ons kunnen kijken! Ogen hebben in deze poëzie iets dat over de dood heen gaat. In het gedicht ‘Anatomisch theater’ (pag. 36), lijken twee schedels elkaar aan te kijken. De laatste regels van dat gedicht maken een surrealistische indruk: ‘Twee uitgeholde oogkassen strak gericht / op twee uitgeholde oogkassen // (We hebben geen ogen om elkaar mee aan te kijken. / Geeft niet, laten we nog even zo blijven.)’. Intussen zijn in ‘Avondschets 4’ de ogen strak gericht op een ‘grote sneeuwvlok’, waarmee de ik-persoon zich enigszins identificeert. Geen toeval, waarschijnlijk. Eerder in de bundel, in het gedicht ‘Bloedende ogen 2’ (pag. 42), vertelt de dichter dat haar zoon van acht haar een indianennaam gaf: ‘Verdriet van Dwarrelende Sneeuw’.
En zo lopen er meer draden door deze bundel (ik besef dat ik veel onbesproken laat), die met vijf delen (respectievelijk: ‘Liederen bij dageraad’, ‘Anatomisch theater’, ‘Avondbladeren’, ‘Winter aan de overkant van de spiegel’, en ‘Het huis dat zwom in donker licht’), zorgvuldig is gecomponeerd en een weemoedige sfeer ademt. Valt het hart van de dichter samen met de avond? Ergens schrijft ze: ‘op avonden als deze / ligt mijn hart in een la’. Bijna de titel van de bundel. Deel 5 wordt voorafgegaan door vier pagina’s, waarvan er twee opengevouwen volkomen grijs zijn, gevolgd door twee pagina’s die opengevouwen pikzwart zijn. Een soort ‘aanschouwelijk avondgedicht’, dat in treden afdaalt naar volslagen duisternis. Wie zegt dat gedichten uit woorden moeten bestaan? Mogelijk bereiden deze pagina’s het ‘donker licht’ voor, van het huis (het lichaam?) dat daarin ‘zwom’. Zoals ik al zei: het visuele aspect wordt in deze bundel sterk benadrukt. In alle gedichten die ik geciteerd heb wordt er gekeken (of ís er ooit goed gekeken). De titels van de hoofdstukken en het voorwoord ondersteunen dit. De ochtend en vooral de avond begrenzen de bubbel van het leven, en vormen daar de kwetsbaarste plekken van (de plekken waar de kans op communicatie het grootst is). Het leven dat een vlam is. ‘In het midden van de vlam / lag een ronde verlatenheid’, lijkt een diepe eenzaamheid uit te drukken, een existentiële eenzaamheid, zou ik zeggen, die pas in de avond van het laatste hoofdstuk enigszins wordt doorbroken. Het laatste gedicht van de bundel (pag. 112) luidt als volgt:
–
Een zwarte boom waarvan ik dacht dat hij dood was
zag ik weer tot leven komen
–
Terwijl ik toekeek viel de avond
–
Zijn grasgroene ogen begonnen te bloeden
en zijn tong zonk weg in de duisternis
–
Het verdwijnende licht
trok doorzichtige strepen
–
(Levend als ik ben)
strekte ik mijn hand naar de stam
Dit is wel een hoogtepunt. Een communicatie met een boom. En wat voor één! Door níet te spreken: ‘zijn tong zonk weg in de duisternis’, en door níet te kijken: ‘het verdwijnende licht trok doorzichtige strepen’, kan men pas echt horen en zien! Een communicatie die de boom perfect verstaat en zelfs empathisch maakt. De horizon, die in het eerder geciteerde Rothko-gedicht een zowat absolute grens betekende, opent zich! Hier vindt de dichter dan eindelijk aansluiting bij wat ons wellicht allemaal een takje zijn doet van iets groters. Hier wordt het doorzichtig, wordt het (metafysisch) fundament van deze fenomenale poëzie zichtbaar.
____
Han Kang (2025). Ik leg de avond in een la. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 118 blz. € 20,00. ISBN 9789038816302




