LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Toon Tellegen – Op mijn tenen

27 mei 2026

Ik voel het niet

door Sander Ausems




Op mijn tenen is de nieuwste bundel van Toon Tellegen. Eén van velen. Met talloze prijzen waaronder de Theo Thijssen-prijs voor zijn gehele oeuvre; een grote naam in de poëzie. Hij begint zijn eerste gedicht met ‘Er hoeft nog maar iets te gebeuren’ en eindigt deze met ‘het is bijna zover’. Naarmate de bundel vordert wordt duidelijk waar Tellegen op doelt. O.a. in het volgende gedicht.

Het lijden van een oude man

De slechtvalk heeft te lang gejaagd
hoort hoongelach van ratten en valse profeten

mijn vader heeft zich verdekt opgesteld
mijn moeder is een naald in een hooiberg
mijn broers zoeken naar

de deur waait open
en de porseleinen vaas van de krankzinnigheid valt
uit mijn handen

ik zie de dood,
hij trekt zijn zondagse kleren aan

een oude man is uitgepraat
zijn lijden is te groot

P. 34

De dichter schrijft raak en beschrijft iets wat velen voelen, maar hoe hard het ook klinkt, ik betrap hem ook op iets wat ik een beginnersfout zou noemen. Hij vervalt soms nog in wollige taal, met grote woorden die in mijn optiek weinig zeggen. Bijvoorbeeld: ‘over de zongeblakerde regendoorweekte velden / van mijn verstand / waarin ongeduld en verlangen bloeien / tegenzin en schaamte grazen / en twee aan twee broedt’ [p.8].

Er bestaat een onofficiële regel in de poëzie dat de eerste strofe en de laatste strofe als overbodig beschouwd kunnen worden. Er waren meerder gedichten waarbij het einde niet recht deed aan de rest van het gedicht. De verwondering, ruimte laten voor een lezer diens eigen vervolg, is iets kostbaars. Te vaak wist ik te goed wat er gebeurde en ging gebeuren. Zo ook bij het volgende gedicht.

Een pijnlijke geschiedenis

Iemand kwam op mij af en zei:
‘ik vergeef je’
‘waarvoor?’ vroeg ik,
maar hij was alweer verdwenen

ik wist niet wie het was
misschien een van velen
zijn geur hing er nog,
bittere geur

ik probeerde te bedenken waarvoor iemand mij zou vergeven,
er kwam van alles in me op,
zoveel wat ik verdrongen had…
ik werd steeds verdrietiger,
had hij maar gezegd: ‘ik vergeef je niet’
en hadden overal vandaan anderen maar geroepen:
‘wij ook niet! Wij vergeven je nooit!’,
Dan had ik teruggeroepen: ‘jullie hebben gelijk!’

er werd prikkeldraad om mij heen gespannen
geweren werden ontgrendeld,
het resterende licht gedimd

iemand heeft mij vergeven

P. 11

De bundel beschrijft het ouder worden, de dood en het bijkomende verlies. Het legt met heldere taal bloot hoe fragiel eindes zijn en hoe moeilijk het kan zijn daarmee om te gaan. Tellegen weet zich veelal geen houding te geven hieraan en dat maakt het zo verdomde menselijk. De pijn is niet alleen bij hemzelf, maar overal om hem heen: er wordt pijn geleden om ons heen, / maar zo chronisch en eentonig / dat we er niet meer van opkijken’.

Ik snap deze bundel en ik denk te kunnen begrijpen waarom de thema’s die deze bundel aanhaalt op latere leeftijd veel meer een rol gaan spelen, maar toch denk ik: ik wil het niet begrijpen Toon Tellegen, ik wil het voelen, en dat gevoel dat heb ik niet. Het zijn eerder mijn eigen gevoelens die ik bij de dood heb, die voor mij invullen wat ik zou moeten voelen bij het lezen van Op mijn tenen. Ik mis veel, maar niet in zijn allerlaatste gedicht, daar maakt de dichter het goed, helemaal goed.

Mijn broer

Mijn broer, mijn grote broer,
die maar doodgaat en doodgaat, niet ophoudt met doodgaan
die ’s ochtends doodgaat als ik wakker word
en ’s avonds als ik in slaap val
en die ook midden in de nacht in het donker doodgaat,
en als de zon opkomt opnieuw, als Socrates,
gulzig dollekervel drinkend uit een kruik,
mijn broer die om alle twijfels weg te nemen luidkeels
en breedvoerig doodgaat
en die over een maand op zijn verjaardag,
omringd door wie van hem houden, onder wie ik,
bijna blijmoedig doodgaat
en volgend jaar op een willekeurige zondag in januari
om tien uur ’s ochtends onder klokgelui opnieuw doodgaat –
‘God roept ons, broeders, tot de dood’ zet het orgel even later in –
en die maandag erna midden op straat, Jesaja in winterjas,
om precies twaalf uur doodgaat –
sirenen gillen van de daken: ‘wat dóé je? Wat dóé je?’ naar hem,
vastgeketend aan zijn voornemen –
en die ten slotte vredig naast mij komt zitten als ik doodga,
mijn grote broer,
zijn arm om mijn schouder, nog iets gezegd over mijn moeder,
zijn moeder, onze moeder,
en die dan samen met mij voor de laatste maal doodgaat.

P. 39

____

Toon Tellegen (2026). Op mijn tenen. Querido, 48 blz. € 19,99. ISBN 9789025321086

     Andere berichten