door Rogier de Jong
Poëzie en religie hebben sinds de Tweede Wereldoorlog een wat moeizame verstandhouding met elkaar. De kerk is een klaagmuur geworden voor naoorlogse dichters en schrijvers die hun gereformeerde of katholieke jeugdtrauma’s van zich af wilden schrijven.
Zelf ben ik niet ‘religieus getraumatiseerd’. Ik kom uit een vrijzinnig protestants gezin waarin het Woord niet letterlijk werd genomen. Het geloof diende ertoe om je bepaalde humanistische waarden bij te brengen. Eigenlijk was het een vorm van opvoeding en niet van bekering.
Maar goed: God was dood volgens Nietzsche – niet helemaal trouwens; het evangelische verhaal is in een hoekje teruggedrongen door wetenschap, techniek en allerlei New Age-achtige bewegingen (die alweer uit de mode zijn) en politieke levensbeschouwingen over het hele spectrum.
Ik vind dat jammer, want de Bijbelse geschriften zijn een vat vol boeiende verhalen met beelden en parabels die ondanks de voortschrijdende secularisatie moeilijk uit het collectieve geheugen zijn te bannen. Een goudmijn voor schrijvers en dichters. Daar komt nog bij dat religie zich met levensvragen bezighoudt, net als de literatuur waaronder natuurlijk de poëzie. In de derde plaats zou je het evangelie als een verhaal kunnen beschouwen: een geschiedenis die niet per se echt is gebeurd, maar daarmee niet minder waardevol is. Ook de literatuur en de poëzie bestaan bij de gratie van verhalen, onwaarheden, die door hun verbeeldingskracht de ziel raken en zo toch iets waarachtigs oproepen. In de woorden van Bertus Aafjes: ‘Schrijvers en dichters liegen de waarheid’. Zo kan het gebeuren dat goede dichters soms religieuze motieven in hun werk opvoeren die hun poëzie niet opeens ‘godsdienstig’ maken.
–
In het werk van tenminste drie goede Nederlandse dichters komen religieuze motieven voor. Ik wil beginnen met Ida Gerhardt, de vrijzinnig opgevoede dichteres in wier werk het geloof niet zozeer een thema was, als wel een manier om zich uit te drukken. Dat maakte haar, mede door haar traditionalistische poëtica met soms archaïsche trekjes, tot een buitenbeentje in de wereld van de Vijftigers, die experimentele en spontane poëzie voorstonden. Toch wordt Gerhardt landelijk erkend en geëerd als een belangrijk en groot dichteres – en terecht.
–
De gestorvene
Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.
–
De religieuze motieven in dit beroemde gedicht betreffen het symbolische – en heilige – getal zeven: de zeven dagen waarin hemel en aarde werden geschapen, al nam de Schepper op de zevende dag wel even rust. Maar ‘degene die rouwt kan geen dag rusten. Hij zou zelfs op handen en voeten kruipen om haar of hem terug te vinden en weer met zijn tweeën te staan’. Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week rouwen en lijden. Bijzonder is dat Trijntje Oosterhuis, dochter van dichter Huub Oosterhuis, een muzikale versie van dit gedicht heeft opgenomen.
Iemand bij wie je religieuze poëzie allerminst zou verwachten, is dichter en psychiater Frank Koenegracht. ‘Psalm 12’ is het slotgedicht uit de bundel Lekker dood in eigen land (2011) en oogt als een vreemde eend in de bijt. Ik citeer een quote van de dichter zelf op de site van De Bezige Bij: ‘De wereld van Frank Koenegracht is niet vrolijk, maar er valt gelukkig wel veel te lachen’. Koenegrachts oeuvre kent inderdaad een grote verscheidenheid aan onderwerpen en toonzettingen: van geliefden die elkaar op Oudejaarsavond bevredigen met een stofzuiger tot een gedicht waarin een vader, afgebeeld als onweer, door moeder wordt buitengesloten en de kinderen ‘van angst koffiezetten’. Ik heb ‘Psalm 12’ niet zozeer gekozen vanwege de religieuze motieven, maar omdat het me in zijn gedragenheid raakt en ik het altijd zonder enige gêne of vermoeden van spot of ironie heb gelezen.
–
Psalm 12
Help ons, Heer er zijn geen vromen meer.
Zeldzaam wordt trouw onder de mensen.
Iedereen glimlacht en liegt tegen zijn buurman
met twee gedachten in zijn hart.
De Heer slaat die valse tongen en waardeloze woorden
neer, vooral van hen die zeggen: wij winnen
want wij hebben onze mond
en wie is onze meester.
Vanwege de vervolgden en de armen echter
en het gekreun zal ik opstaan zegt de Heer,
en ik zal beschermen wie daarna verlangen.
Immers de woorden van de Heer zijn zuiver
als zilver dat zevenmaal gesmolten is.
Bescherm hen Heer.
Bescherm hen tegen dat volk.
De goddelozen rennen rond.
In aanzien stijgen de slechte mensen.
–
–
En ja, als je het over religieus gekleurde poëzie hebt, mag Gerard Reve natuurlijk niet ontbreken. Deze ironicus en melancholicus van de vaderlandse letteren die menigeen op het verkeerde been wist te zetten (of toch niet?) heeft veel religieuze gedichten geschreven waarin godsdienstige motieven op de bekende Reviaanse manier worden ingezet om persoonlijke onderwerpen – vaak de dood en de liefde – op een quasi humoristische of ironische manier te versterken. Je ziet de ingehouden grijns voor je als Reve een van zijn Geestelijke liederen bij een knapperend haardvuur voorleest. Dat maakt deze poëzie er echter niet minder poëtisch om: de verzen lezen als gedichten en niet als mystieke of religieuze gevoelsuitingen. Dat komt mede omdat Reves Geestelijke liederen zich door hun tegenstellingen tussen ernst, archaïsche constructies en platitudes onderscheiden van de vaak humorloze ‘officiële’ geloofsgedichten en psalmen.
–
Roeping
(voor de Zusters van Liefde, te Weert)
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ’s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.
–
En laat ik vooral deze niet vergeten:
–
Dagsluiting
Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt,
zoals ik U.
–
Zelfs in een tijd waarin de leegloop in de kerken totaal lijkt – op de biblebelt na – blijven de teksten van de oude geschriften in het collectieve geheugen bewaard. Als ze doorsijpelen in seculiere gedichten, is dat niet alleen verklaarbaar, maar ook goed. Want ze zorgen voor een gedragenheid die zelfs de ongelovige lezer onbewust herkent en aanvoelt. En zo kun je stellen dat God in zijn kleine hoekje dood is, maar niet morsdood.
Bronvermeldingen:
- Martien Brinkman op Theologie
- Ida Gerhardt in De slechtvalk (Bert Bakker & Polak en van Gennep, 1966)
- Ik mis je
- Frank Koenegracht in Lekker dood in eigen land (De Bezige Bij, 2013) en Alle gedichten (De Bezige Bij, 2019)
- Gerard Reve in Verzamelde gedichten (Uitgeverij L.J. Veen, 1973)
Beeldrechten:
–

