door Hans Franse
We waren weer in Dresden. We zijn daar graag.
Kort na de Wende kwam ik er voor het eerst, en werd hevig aan mijn oorlogsjeugd met bombardementen herinnerd. De stad was nog zo beschadigd. Het centrum was gedeeltelijk herbouwd: de Zwinger, met het museum en de Semper Oper, de katholieke kathedraal, de Kreuzkirche. Er was wat DDR-architectuur, maar er was nog veel zwart geblakerd. Nu is de stad weer mooi, al blijven er littekens. De stad beleeft de lente, langs de rivier is het heerlijk.
Na een vermoeiende dag maakten we een lange tramrit om even te rusten en toch de stad te zien en we belandden op de Albertplatz in de Neustadt, de stadsuitbreiding over de rivier, die zijn landelijke intieme en hier en daar deftige sfeer heeft bewaard. De Albertplatz vormde vroeger de ingang van de stad en was een levendig verkeersplein. In een grote witte villa woonde iets terzijde de oom van een talentvolle jongen: Erich Kästner (1899 – 1974). Deze latere grote dichter, schrijver en tekstschrijver woonde in een kleine woning aan de Königsbrücker-strasse. De villa van zijn oom, een rijk geworden paardenhandelaar en slager, en de tuin grensden aan de Karlsplatz. Erich kwam er als het hem thuis te benauwd werd:‘…und so gehörten Haus und Garten mir. Am liebsten, hockte Ich auf den Gartenmauer und schaute dem Treiben auf dem Albert Platze zu…’, schrijft hij in Als ich ein kleiner Jungen war. Zittend op die muur nam hij het menselijk bedrijf waar.
Als een monument voor Erich Kästner, in het buitenland vooral bekend door zijn kinderboeken, heeft men op de tuinmuur van de herbouwde villa, een beeldje van de jongen geplaatst als een monument voor de dichter van de werkelijkheid.
Het witte huis, waarin hij zoveel kwam is nu ‘Das Erich Kästner Haus für Literatur’ (Museum, Lesecafé, Shop, Veranstaltungen, Mitmachangebote’, prachtig woord overigens). We zijn naar binnen gegaan. Het leescafé.is een plezierige veelkleurige ruimte met veel boeken. Uiteraard is er veel van Kästner, maar ook veel over hem. Zittend in de serre, uitkijkend over het plein, met een boek, een drankje en een stuk huisgemaakte taart, als de jonge schrijver in spe uitkijkend over de Albert Platz, las ik twee gedichtenbundels: Gesang zwischen den Stühlen,als zijn beste bundel beschouwd, waarin hij de ondergang van de Weimarrepubliek becommentarieert, en de onlangs verschenen Die Montagsgedichte die hij tussen 1928 en 1930 schreef voor de Berlijnse krant ‘Montag Morgen’.
Het zijn zeer conventionele gedichten, rijmend, in vier of zes regels, gebruikspoëzie. Men had als publiek misschien genoeg van Trakl, Rilke en expressionistisch schreeuwen. Kästner wilde helder zeggen waar het op stond. Hij was Duitslands hoopvolste pessimist en de meest positieve negativist, de conferencier die zowel moralist als grappenmaker was. Als volksschrijver, zoals bijvoorbeeld Kurt Tucholaky, koos hij niet voor één partij, maar bleef erboven staan. Maar hij nam geen blad voor de mond. Niet voor niets waren zijn cabaretteksten zo mild ironisch. En hoewel zijn werk verbrand werd, overleefde zijn poëzie, nu nog verrassend actueel; het geeft een goed beeld van het Berlijn en de Weimarrepubliek van de jaren twintig. Ook hij leefde in het zogenaamde ‘innerem Exil’ zoals Käthe Kollwitz, maar overleefde, al werd zijn werk voortaan in Zwitserland uitgegeven. Zijn internationale roem leverde hem voldoende op om van te leven. Na de oorlog nam hij de draad weer op en werkte in München voor het cabaret ‚ ‘Schaubude’ als gevoelige en ironische satiricus.
Ik kocht de twee bundels en een cassette met vier Dvd’s met verfilmingen van zijn kinderboeken waaronder de uit 1931 stammende Emil und die Detektiven met een scenario geschreven door Samuel Wilder, de Pools-Joodse filmregisseur, bekend geworden als Billy Wilder (Roman Holiday, Some like it hot, Wittness for the prosecution). Iemand maakte een foto van mij toen ik even op de bank zat met mijn nieuwe bezit naast een grote foto van Erich Kästner. Ik moet aan zijn beroemdste uitspraak denken: ‘Wenn dir das Leben eine Zitrone gibt, mach Limonade draus.’
Marschlied 1945
Prospekt: Landstraße. Zerschossener Tank im Feld. Davor junge Frau in Männerhosen und altem Mantel, mit Rucksack und zerbeultem Koffer.
In den letzten dreißig Wochen
zog ich sehr durch Wald und Feld.
Und mein Hemd ist so durchbrochen,
daß man’s kaum für möglich hält.
Ich trag Schuhe ohne Sohlen,
und der Rucksack ist mein Schrank.
Meine Möbel hab’n die Polen
und mein Geld die Dresdner Bank.
Ohne Heimat und Verwandte,
und die Stiefel ohne Glanz, –
ja, das wär nun der bekannte
Untergang des Abendlands!
Links, zwei, drei, vier,
links, zwei, drei –
Hin ist hin! Was ich habe, ist allenfalls:
links, zwei, drei, vier,
links, zwei, drei –
ich habe den Kopf, ich hab ja den Kopf
noch fest auf dem Hals.
Eine Großstadtpflanze bin ich.
Keinen roten Heller wert.
Weder stolz, noch hehr, noch innig,
sondern höchstens umgekehrt.
Freilich, als die Städte starben …
als der Himmel sie erschlug …
zwischen Stahl- und Phosphorgarben
damals war’n wir gut genug.
Wenn die andern leben müßten,
wie es uns sechs Jahr geschah –
doch wir wollen uns nicht brüsten.
Dazu ist die Brust nicht da.
Links, zwei, drei, vier,
links, zwei, drei –
Ich hab keinen Hut.
Ich hab nichts als:
links, zwei, drei, vier,
links, zwei, drei –
ich habe den Kopf, ich hab ja den Kopf
noch fest auf dem Hals!
Ich trage Schuhe ohne Sohlen.
Durch die Hose pfeift der Wind.
Doch mich soll der Teufel holen,
wenn ich nicht nach Hause find.
In den Fenstern, die im Finstern
lagen, zwinkert wieder Licht.
Freilich nicht in allen Häusern.
Nein, in allen wirklich nicht…
Tausend Jahre sind vergangen
samt der Schnurrbart-Majestät.
Und nun heißt’s: Von vorn anfangen!
Vorwärts marsch! Sonst wird’s zu spät!
Links, zwei, drei, vier,
links, zwei, drei –
Vorwärts marsch, von der Memel bis zur Pfalz!
Spuckt in die Hand und nimmt den Koffer hoch.
Links, zwei, drei, vier,
links, zwei, drei –
Denn wir hab’n ja den Kopf, denn wir hab’n ja den Kopf
noch fest auf dem Hals!
Zie ook Antiwar Songs
foto’s © Hans Franse
–





