‘Sindsdien rijgen woorden mij aan elkaar’
door Yvan De Maesschalck
–

–
‘In de val worden wij gebroken / in de val worden wij vrij’, zo klinkt het slotakkoord van Tania Verhelsts vorige bundel U kunt uw lichaam hier achterlaten (2022). Die verzen sluiten bijna naadloos aan op de openingsgedichten van In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen. De titel parodieert het christelijke kruisteken en is ook die van de eerste gedichtenreeks. Daarin worden de contouren van een patriarchaal, net niet uit elkaar vallend gezin geëvoceerd. Een gezin ‘met een stamboom die teruggaat tot de ijstijd’, waarvan de vader getooid is met een wijdvertakt ‘gewei op het hoofd’, en de moeder stamt ‘uit een lange wolkentraditie’. Een gelovig gezin met twee dochters die elkaars halfzussen zijn en herinneren aan Verhelsts eerste bundel Twee helften (2020): ‘mijn zus is half omdat ze uit een andere moeder is gevallen’. Een gezin ook waarvan de licht ontvlambare vader ‘op een dag als een steen op de stoep’ valt, in de broekzak van de vrouwelijke ik-figuur verdwijnt en daarna ‘tussen scherven glas’ het huis in wordt gekeild. ‘Vallen’ in vele betekenissen van het woord zet de toon van de dertien begingedichten.
De bundel is opgebouwd uit zeven reeksen, waarvan sociale cohesie – of het gebrek eraan – de thematische kern uitmaakt. Het gaat meestal om dezelfde sibbe, waarbij de aantrekking tussen de leden steevast iets dubbelzinnigs of paradoxaals heeft, zoals uit volgende verzen blijkt: ‘toen hij omhoog keek, prikte zijn gewei gaatjes in haar buik / waarop zij zachtjes begon te regenen’. Een meteorologisch beeld dat in de tweede reeks ‘Zodiac rapsodie’ wordt doorgetrokken en als motief fungeert van een compacte, vijfdelige ringcompositie. ‘Huilen is een ambacht / je leert het van dauw’, zo luiden de identieke begin- en slotverzen. De gezinsrelaties zelf staan in een of ander teken van de dierenriem. Gesuggereerd wordt dat de zussen niet zozeer biologisch, als wel astrologisch een ‘tweeling’ zijn: ‘twee lijnen, zij aan zij’. Voor de ouders geldt: ‘vader is boogschutter en moeder vis / op het dak van ons huis liggen schubben / en elke kamer is vergrendeld met een pijl’.
De vissenmetafoor duikt op ingenieuze wijze ook op in de vijfde reeks ‘Piëta’. Daarin legt de versteende moeder – ‘muurbloem, madelief, madeleine’ – volgende bekentenis af: ‘mijn hart past in de hand van een visser / de man in mijn armen ken ik niet’. Zij dient hiermee haar zoon van repliek: hij wordt in de op het Nieuwe Testament gebaseerde poëtische traditie gesymboliseerd door het cryptogram of anagram voor ‘vis’ (o.m. bij dichters als Guido Gezelle, Willem de Mérode en Gerrit Achterberg).* Zij refereert aan het feit dat Jezus in de overgeleverde Bijbelverhalen Maria nooit aanspreekt als ‘moeder’ maar – veeleer afstandelijk – als ‘vrouw’. De piëta-figuur, die ook met ‘vrouwe justitia’ wordt geassocieerd, is verwant met de ‘moeder’ in het gelijknamige prozagedicht, dat deel uitmaakt van de derde reeks ‘Scherven’. Ook daar is sprake van ‘die ene, moeder en maagd’: ‘het is de moeder die het kind in haar armen neemt en in haar armen liggen / de armen van eerdere moeders besloten’. Bovendien refereert die tekst aan de in 2022 gelauwerde Nobelprijswinnares Annie Ernaux. Wellicht doelt Verhelst op Une femme (1988) en “Je ne suis pas sortie de ma nuit” (1996), indringende geschriften over haar moeder, die in 1986 aan de ziekte van Alzheimer overleed. De aantekening ‘impression terrible de dédoublement: je suis moi et elle’ resoneert bij Verhelst als ‘soms bijt de slang in haar staart. ouroboros’.
Dezelfde reeks bevat verder een aantal naar de Griekse of Bijbelse mythologie verwijzende teksten die stuk voor stuk aparte aandacht verdienen. In ‘maan’ wordt het opzichtige ‘kabaal’ van de mens gegispt en zijn machteloosheid onderstreept in volgende ambivalente zin: ‘verder dan een hopeloos tollen rond / de eigen as komen we niet’. Veeleer hilarisch is het beeld van de drie ‘wannes’ hetende ganzen met kortgeknipte vleugels in ‘maternoster’ en dat van de stamelende vader in het spiegelgedicht ‘paternoster’: ‘begerig verzamel ik zijn / woorden, rijg ze als parels aan elkaar’. Even bijzonder zijn ‘wat oedipus niet wist’ en ‘penelope’, waarin de verhouding met de prototypische moeder, dan wel hondstrouw wachtende echtgenote op spanning komt te staan. De onwetendheid van Oedipus illustreert de ironie van het genadeloze noodlot: ‘je weet nog niet (…) dat ook het lot een geschiedenis heeft, dat dit leven / het topje van de ijsberg is’. Penelope van haar kant maakt in haar lyrische weerwoord brandhout van de listige mythische held, die tien jaar zou hebben rondgezworven: ‘weet je wat ik soms denk odysseus? dat jij nooit bent weg geweest, dat je / jarenlang in de achtertuin van kalypso hebt gebivakkeerd – kalypso mijn god’.
Van Penelope naar de historische en paleontologische ‘Lucy’ is een enorme sprong, al is de naam van de tweede ontleend aan het iconische Beatles-nummer ‘Lucy in the sky with diamonds’. Aan haar tweevoudige aardse verschijning – een onderhuidse knipoog naar het tweelingmotief? – wijdt Verhelst enkele gedichten in ‘Requiem voor L’. In het eerste gedicht gaat de ik manmoedig de strijd aan met filosoof, pacifist en activist Bertrand Russell over hoe de wereld te begrijpen – al dan niet met behulp van negatieve proposities. Maar die wijsgerige denkoefening wordt in de kiem gesmoord door de herinnering aan de zelfmoord van Lucy Catherine Russell op 15 april 1975: ‘zijn kleindochter steekt zichzelf op een kerkhof in brand’. Het ongerijmde van die daad schrijnt met de rationele inzichten van de filosoof. Wat zij uitricht, valt niet zomaar te categoriseren, zoals uit de wrange slotregels blijkt van het derde gedicht: ‘of de ziel ook hoeken heeft vraagt ze zich af / wanneer ze met een lading kerosine naar het dorpsplein loopt’.
In de voorlaatste reeks ‘De dag dat god zijn tape verloor’ keert de ik terug naar de familiale constellatie van haar kindertijd. De tijd waarin zij (de) taal ontdekt: ‘sindsdien rijgen woorden mij aan elkaar’. Maar ook de tijd waarin haar bevattingsvermogen op de proef wordt gesteld, onder meer wanneer zij bij het woord ‘ballingschap’ deze associatie maakt: ‘ik zie een balzaal vol kerstballen, wil voor altijd een balling zijn’. Of wanneer de vader zegt dat ze zich ‘geen zorgen hoeft te maken’ en zich daarbij afvraagt: ‘hoe maak je een zorg?’ Iets waar ze pas later achter komt, wanneer ze haar schildpad ‘roerloos op het eiland’ ziet liggen, waardoor de betekenis van in de kerk vaak aangehoorde woorden ‘wij verkondigen uw dood’ plots oplicht: ‘ik denk dat het een zorg is’. Behalve de ironiserende manier waarmee de dood zijn intrede doet in deze verzen, is er de imminente dreiging van de (tweeling)zus, die haar ertoe aanzet van de hoogste trede te springen: ‘dan zet ze mij op de hoogste noot van de trap, gaat zelf / onderaan op de do staan, spreidt haar armen en roept / toe maar, spring!’ Een op de notenbalk gemoduleerde aanmoediging, die samen met haar fascinatie voor de ‘krab’ (de kinderversie van ‘kreeft’ in de dierenriem en ‘Cancer’ in het motto van Yoni Mitchell), ‘de kleine waterschildpad’ en ‘ballingschap’, terugkeert in een angstdroom, geëvoceerd in het slotgedicht van de reeks: ‘als een gulle gitzwarte madonna spreid je je armen en roept / toe maar, spring!’
Er volgt nog een korte zevende reeks (‘Phoenix Eye’), waarin de doodsverachting van vluchtelingen op weg van de ‘Karpaten’ naar het (bevrijdende) kapitalisme aangrijpend in beeld komt. Alleen kun je je afvragen of die gedichten thematisch in deze bundel thuishoren. Maar op die bedenking na, valt op Verhelsts vakmanschap nauwelijks iets af te dingen: ze trakteert de lezer aanhoudend op lichtvoetige, subtiele, ambigue verzen die grote vragen oproepen. Altijd rakelings, vanuit een klein, kwetsbaar of ingetogen perspectief, misschien met de volgende gedachte in het achterhoofd: ‘ik weet niet of kinderen groot worden / dan wel ouders klein’. Volgend gedicht is daar een prachtige illustratie van:
twintig jaar later huilen wij opnieuw
wanneer zij ontwaakt uit coma
–
ik wil erover schrijven
maar raak niet verder dan een titel
de dag dat god zijn tape verloor
god brengt niet thuis uit ballingschap
hij kan amper de dagen aan elkaar lijmen
(* Klik op de link voor meer info)
___
Tania Verhelst (2026). In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen. Uitgeverij De zeef, 72 p. € 19,50. ISBN 9789493534032



