Elke Couchez (Gent) is doctor in de architectuur en onderzoekscoördinator aan de ULB – Faculté d’Architecture La Cambre Horta. Ze schrijft voor zowel academische als kunsttijdschriften, en publiceerde poëzie en proza in Het Liegend Konijn, Elders Literair, MUG Magazine en DW B. Haar debuut Landschapskamer verschijnt in 2027 bij Poëziecentrum.
© Arian Christiaens, 2026, gefotografeerd in Westrand – Cultuurcentrum Dilbeek.
–
zullen we de stilte afrollen
als draad van een klos
wie weet ontwaren we
–
waar de wol rafelt of onze vezels
verknoopt en verstrengeld
van schubben en kroes zijn gesponnen
–
op een weekblauwe ochtend
zullen jij en ik slechts ontwarde knopen
in onze handen houden
–
geen vriendschap is uit één draad gemaakt
zal jij zeggen zie hoe rekbaar
al ons zwijgen is geworden
–
hier, waar weldra geen mens de knieën schaaft
snij ik een thuisland uit een gevonden tapijt
–
wat anderen achterlieten stel ik tentoon
op een vensterbank van isomo:
–
. pluchen superman stressbal zonder rek
–
als ik morgen moet vertrekken
zeem ik het venster van plexiglas
woel ik dit braakland om
zoek in achtergelaten kratten naar een steen
ter grootte van een vuist
–
in de vuist kerf ik een vogel met opengesperde bek
veren verf ik winterhard
–
op de nok van golfplaten lijm ik het dier
zwaai het uit
speur naar stroophout oude luiken lattenbodems
wildgroei waaruit een thuis ontkiemt
–
er was geen horizon
uit de dorre grond groeiden ivoorwitte
botten als jonge zaailingen
–
ik zag de knekels beven
ze hechtten zich willekeurig aan elkaar:
spaakbeen aan ellepijp, vingerkootjes aan rugwervels
–
nieuwe lichamen krabbelden op uit het stofdal:
geraamtes omwonden door vet, bloedvaten, bindweefsel,
samengebonden door pezen, overspannen door huid
–
ik zag de wezens strompelen op kapotte schoenen,
plastieken wanten rond hun stramme knoken,
lijven in lompen – gevonden polkadot en ribfluweel
–
ze kwamen uit dalen, van afgelegen eilanden,
van zolders en achterhuizen,
ze kauwden op gedroogde vruchten,
de smaak van dadelstroop op hun lippen
–
een stoet van pokdalige gezichten,
hechtingen, haperende hartkleppen
–
de eerste bespeelde een driesnarige gitaar,
de anderen schraapten eelt van hun kelen,
ze zongen een canon,
ze zongen voor de honden
verwaarloosd in paarse stormen
–
ik zag het knekelkoor de helling op sluipen,
ze verbrijzelden rozenkransen tussen hun kaken,
hunkerden niet langer naar de aanraking die hen zou helen
–
in hun kielzog de twijfelaars,
zij die nog geloofden,
ze zwommen, zweefden, rolden
–
de gezangen van de blinden werden een stafkaart
voor de verdrevenen, verlamden, voor de vondelingen, ongeborenen, monddood gemaakten
–
ze tekenden een nieuwe horizon
zongen steeds luider

