Poëzie / Anti-poëzie
door Peter Vermaat
–

–
‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God’. In de bijbel begint het Evangelie naar Johannes met deze krachtige zin. Wie, vanuit welk geloof of vanuit welke ontkenning daarvan ook, de hoofdletters even wegdenkt, ontmoet hier één van de axioma’s van de poëzie, namelijk dat van de immanente kracht van taal als grondlaag voor het gedicht. Hierbij is de poëzie bij uitstek het werktuig van de sjamaan, die vanuit een domein, dat alleen zij of hij ooit betreden heeft, meedeelt wat hij daarover kan of wil uitdrukken en waarbij – analoog aan een orakel als dat van Delphi – de ontvanger van de boodschap vaker wel dan niet tussen de regels door (of er bovenuit) moet lezen. De poëzie van de Magiër is meestal een krachtige, die de lezer tot in het oneindige blijft uitdagen en die zich nooit in een definitieve slotsom laat vangen.
Min of meer daar tegenover, niet alleen in karakter van taal maar vaak vooral in bedoeling, kan men de poëzie plaatsen die wil ‘zeggen zoals het gezegd moet worden’, waarmee het fundament van het zijn door taal moet worden uitgedrukt. Het zal niemand verbazen dat het hierbij vaak gaat om poëzie met filosofie onder de snelbinders. Ook hierbij kan volledig begrijpen heel goed buiten bereik van de lezer blijven.
Wat moet poëzie met feiten? In een gedicht mag een eland een sorbet eten, een weekdier kijken op een jaarkalender of een brontosaurus knipogen naar Fred Flintstone; het is in poëzie immers niet de algemeen waarneembare werkelijkheid die de regels bepaalt, maar de taal die de lezer overtuigt van wat hij leest en wat hij zich daarbij voorstelt. Persoonlijk heb ik er echter problemen mee wanneer dichters zich evident – en niet voor het gedicht noodzakelijk – bedienen van verkeerde voorstellingen. Wanneer ik bijvoorbeeld lees: ‘(…) als een fragment van zirkonium – / vierenhalf miljard jaar oud / helder kristal (…)’ (jack hills, p. 43), waarbij het mineraal zirkoon bedoeld moet zijn en niet het element zirkonium (Zr), of ‘(…) onder het ijs wrijft graniet tegen zandsteen (…) (lambertgletsjerdal, p. 41), dan irriteert mij zo’n geologische onjuistheid, aangezien het gesteente onder de Lambertgletsjer in Antarctica juist grotendeels metamorf van aard is met sporen van mafische intrusies (relatief arm aan silicium, dus zeker geen graniet) en al helemaal niet sedimentair is (zoals zandsteen).
Dit was voor mij het moment om mij – geheel tegen mijn gewoonte in, ik ‘verorber’ een bundel het allerliefst ‘op de nuchtere maag’, waarbij ik zo min mogelijk voorkennis heb van zowel de achtergrond van de auteur als haar/zijn overige werk – te verdiepen in de achtergronden van Rozalie Hirs, de dichter achter deze bundel vragen naar het begin. Mijn afstuderen als geoloog ligt immers al bijna veertig jaar in het verleden en in die periode kan er voldoende ontdekt en weerlegd zijn om een doctorandus-oude-stijl een modderfiguur te laten slaan.
Rozalie Hirs is dichter en componist en daarnaast MSc Chemische Technologie en deze kennis geeft mij wat meer reliëf bij de gedichten in de bundel. De titel dekt – naar zal blijken – de lading van de poëzie vrijwel volledig: ieder gedicht is terug te voeren op een vraag, een belangstelling, een onbepaaldheid die in de loop van de tekst wordt ontwikkeld, soms bijna letterlijk ont-wikkeld, waarbij vanuit de dichter licht gericht wordt op hoeken of draaiingen die in eerste instantie in de schaduw blijven. Neem nu onderstaand gedicht (uit de afdeling de oorsprong is een vergeten beweging):
–
waar komt alles vandaan?
vroeg niemand want er was nog niets
wat dat vragen kon –
dan komt alles misschien wel goed
zoals dat gaat in dit ongezegde zwijgen –
de paradox zonder waarnemer –
–
in de infraroodtelescoop dijt het heelal uit
aan de rand van een wolk –
daar zweeft sedna –
met haar oppervlak zo rood –
elke draai –
meer ongehaast geheugen
–
[p. 42]
Wie Herschel hier is, is niet geheel duidelijk. Zowel de componist en astronoom Friedrich Wilhelm/William Herschel (1738-1822), zijn zus de operazangeres/astronome Caroline Lucretia Herschel (1750-1848) als zijn zoon de astronoom John Frederick Herschel (1792-1871) komen in aanmerking, William vanwege zijn ontdekking van Uranus, Caroline vanwege haar catalogisering van de dingen die nu ‘deep sky objects’ genoemd worden en John vanwege het in kaart brengen van zowel de noordelijke als de zuidelijke sterrenhemel. In de geest van het gedicht maak ik geen keuze.
De Oortwolk is een veronderstelde wolk van vele miljarden komeetachtige objecten rondom het zonnestelsel, een hypothese van Jan Hendrik Oort (1950) om te verklaren waardoor er nog steeds kometen zijn. Kometen vallen immers uit elkaar na een aantal omlopen door het binnenste deel van het zonnestelsel. Sinds het begin van het zonnestelsel, ongeveer vijf miljard jaar geleden, zouden alle kometen allang uit elkaar gevallen moeten zijn. (90377) Sedna is een zich buiten de baan van Neptunus bevindende planetoïde. Sedna was bij haar ontdekking het verst gelegen lid van het zonnestelsel. Op dit ogenblik bevindt Sedna zich op 88 AE van de zon. Op die afstand moet Sedna wel erg koud zijn; daarom werd ze genoemd naar de zeegodin van de Inuit, die in de koude diepten van de Poolzee zou leven. Deze afstand kwam voor astronomen als een complete verrassing; men vermoedde hier geen objecten. De ontdekkers vermoeden dat Sedna een object is in de binnenste Oortwolk, maar dat zou betekenen dat deze wolk veel dichterbij begint dan tot nog toe gedacht. Als dusdanig zou Sedna het eerste object zijn dat daarin wordt waargenomen. Het is echter ook mogelijk dat Sedna oorspronkelijk van buiten het zonnestelsel afkomstig is (Wikipedia).
Het gedicht geeft een dubbele paradox: zowel de kwestie of iets ‘bestaat’ zonder dat het wordt waargenomen (eerste strofe) als de kleur rood van sedna, die door een zuiver-infraroodtelescoop (net) niet wordt gemeten – en met ‘dit ongezegde zwijgen’ (r. 5) misschien wel een derde. De vraag ‘waar komt alles vandaan?’ (r. 1) heeft betrekking op de oorsprong van het universum, evenals ‘meer ongehaast geheugen’ (r. 12), waarvan de uitdijing van het heelal een teken is en die zou wijzen op een beginpunt van bijna 14 miljard jaar geleden (de ‘big bang’, overigens een door Fred Hoyle bedacht pejoratief). Maar meer dan deze mogelijke paradoxen blijft voor mij van dit gedicht niet over.
Een ander, meer associatief en impressionistisch gedicht, vinden we in de afdeling zinspelingen:
–
ik ken je niet gezel – wees welkom – geleidelijke
hemelboog met verf bezift als je wilt ontwaai al
–
ben je dichtbij – god – als ze al bestaat – zo goed
ontstoken zonnevonk in meigewas zonder spraak
–
lees de wereld dan – leg je hand in mijn hand
goudware bliksem schoon regenbeeld tekenend
–
langs lijnen van gastvrij heden die als ademhalen
helder – tussen volarmse wij – in schitter raakt
–
[p. 31]
De titel ‘es aei’ is als onderdeel van ‘ktēma es aei’ (‘een verworvenheid voor eeuwig’) afkomstig uit Thucydides’ werk de Peloponnesische Oorlog en zou als titel zowel kunnen duiden op de wetmatigheid – via de prismawerking – van het ontstaan van een regenboog door zonnestralen op vallend water als op de aard van dit verschijnsel – geen tijdelijke waarneming, maar een blijvend symbool met de lading van een kunstwerk. Het gedicht bevat met ‘bezift’, ‘ontwaai’, ‘goudware’ en ‘volarmse’ een vrij groot aantal neologismen, die mij – in combinatie met ‘zonnevonk’ en ‘meigewas’ een sterke associatie met het vroege werk van Herman Gorter geven en heel even, via ‘geleidelijke’ (r. 1) en ‘langs lijnen van’ (r. 7) ook aan de taal van Louis Couperus, beiden vertegenwoordigers van de impressionistisch-symbolistische traditie van Tachtig.
In de derde afdeling wittgensteins ladder, ongeveer even groot als de andere afdelingen samen en met de ondertitel (meditaties), gaat het over taal, teken, gedachte en gedicht, hun onderlinge verhouding, de verhouding tot de werkelijkheid en de waarheid, wat is, wat kon zijn en wat werd en draagt waarschijnlijk opzettelijk de verwijzing naar Ludwig Wittgenstein (1889-1951), die je de aartsvader van de linguïstische filosofie (de ordinary language philosophy) zou kunnen noemen. Die stroming in de wijsbegeerte gaat er onder meer vanuit dat filosofische problemen voornamelijk worden veroorzaakt door verkeerd en vervreemd gebruik van alledaagse concepten.
Ondanks de ondertitel ‘meditaties’, hebben alle teksten in deze afdeling meer het karakter van uitleggingen – soms zelfs stellingen – dan van een onderzoek. Dit kan ik het beste illustreren met een tekst, meditatie [32]:
–
een gedicht onthult zichzelf nooit volledig –
zoals een uitdrukking zichzelf niet volledig verklaart –
–
het verwijst naar iets wat buiten ligt – zijn structuur begrenst
wat het kan zijn – juist die grens maakt betekenis mogelijk –
–
het wezen van een gedicht is wat het deelt met alle gedichten
die betekenis scheppen – zijn vorm ontstaat door keuzes –
–
elke keuze sluit andere uit en legt zo structuren bloot –
geen gedicht kan zichzelf volledig omschrijven –
–
geen functie kan zichzelf bevatten – het gedicht draagt
zijn eigen vorm – niet zijn volledige uitleg –
–
een gedicht onthult wat erin besloten ligt –
niet zichzelf
–
[p. 84]
Deze meditatie lijkt te verwijzen naar een argument van Wittgenstein dat stelt dat er niet eerst een bepaalde privétaal is, maar dat een woord getoetst moet worden aan een regel en dat zo’n regel alleen functioneert waar verschillende mensen zo’n taal bezigen en kunnen zeggen of hij goed wordt toegepast. Daarnaast gaat hij in op het onderscheid tussen vorm en inhoud, waarbij een gedicht alleen zijn eigen verschijningsvorm uitdrukt, maar niet zijn totale zelf. Dat is tot op zekere hoogte logisch, aangezien taal bij gemeenschappelijk gebruik uitsluitend tot het intersubjectieve niveau begrepen kan worden – alles wat persoonlijker is dan dat, zal verborgen blijven voor de lezer die een ander dan de auteur is.
Hierop vallen twee zaken af te dingen. In de eerste plaats is het goed mogelijk dat een uniek persoonlijk woord in een groep begrepen wordt zonder dat het deel gaat uitmaken van de collectieve woordenschat: wanneer Gijs geen ‘hond’ zegt maar ‘zmorn’, zal zijn omgeving steeds weten wat hij bedoelt, zonder dat ooit iemand anders een hond een zmorn noemt. Hiermee heeft zmorn zich onttrokken aan de regel van de lokale taalgemeenschap zonder zijn begrijpelijkheid te hebben verloren. In de tweede plaats is het – waar het om een gedicht gaat – goed voorstelbaar dat een lezer in het gedicht zaken opmerkt waarvan de auteur zich niet bewust was. Wie besprekingen schrijft, heeft dat vaak meerdere keren ervaren.
Ik noem de geciteerde tekst opzettelijk ‘meditatie’ en niet ‘gedicht’, omdat hij naar mijn mening weinig tot niets in zich draagt wat volgens mij een gedicht kenmerkt: klank, ritme, suggestie van betekenis boven het letterlijke uit, kortom een muzikaal ‘ding van taal’. Dat betekent niet dat deze tekst – en daarmee de gehele afdeling – verstoken is van waarde. Zeker niet: de meditaties intrigeren vrijwel allemaal en ondanks het ogenschijnlijke ‘gewone’ taalgebruik zijn ze geen van alle ‘gewoon’ verstaanbaar. Maar dat maakt ze daarmee nog niet tot gedichten. Mogelijk zou je ze zelfs als ‘anti-gedichten’ moeten kenschetsen, juist omdat ze zich – ondanks dat dat onder de streep nergens echt lukt – richten op ‘lezen wat er staat’ of ‘schrijven zoals het is’.
Er zit veel denkwerk achter deze bundel en vrijwel zeker ook het nodige sloop-, breek- en schaafwerk. Ook liggen er aardlagen van kennis en intellect onder: merk op hoeveel zoekwerk er nodig is om een gedicht als ‘herschel en de oortwolk’ te kunnen duiden. Dat hoeft op zichzelf geen bezwaar te zijn, maar het maakt deze bundel sterk gevoelig voor smaak en waardering, in plaats van liefde en overrompeling. Dat laatste zie ik niet veel lezers overkomen. De liefhebbers van Wittgenstein mogelijk uitgezonderd dan.
____
Rozalie Hirs (2026). vragen naar het begin. Querido, 110 blz. € 22,99. ISBN 97890 25321673



