LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Stijn van Dalen – Koud buffet

9 okt 2026

Kun je me het zout aangeven?

door Jeroen van Wijk

–

–

Stijn van Dalen (1994) is dichter, muzikant, zorgverlener en twijfelaar. Koud buffet (2026) is zijn debuutbundel. De titel en de tekst op de achterflap nodigen de lezer uit om te bladeren door het buffet dat deze bundel te bieden heeft, op te scheppen, te eten en terug te komen. Thematisch loopt er geen vaste rode draad door de bundel en staan de gedichten op zichzelf. Er zijn wel terugkerende elementen, zoals liefde, doelloosheid en maatschappijkritiek.

Op de eerste bladzijde van de bundel krijgen we een gedicht voorgeschoteld dat grotendeels is zwartgelakt zoals een WOB-verzoek (sinds 2022 is de naam veranderd naar een WOO-verzoek). De eerste strofe: ‘Er is geen enkele terughoudendheid betracht. / Onderstaand voorzie ik u van alle benodigde informatie,’. In de daaropvolgende strofes zijn nog slechts drie woorden zichtbaar: ‘geduld’, ‘Liefde’ en ‘toewijding.’ Wellicht een knipoog naar de elementen waarmee de dichter deze bundel heeft gemaakt.

Van Dalen schuwt het experiment niet. Zo bestaat de bundel uit een mix van ‘normale’, visuele en figuurgedichten. Het gedicht ‘Een gedeelde waarheid’ bestaat uit een versregel waarvan de onderste helft van de letters is weggelaten, waardoor de betekenis en het visuele elkaar versterken: ‘De helft is voldoende’.

In het gedicht ‘Diner voor vijf personen’ bestaat de eerste strofe uit vijf versregels met dezelfde inhoud: ‘Vork, bord, mes.’ In de volgende strofe wordt het woord ‘mens’ toegevoegd. De strofes veranderen langzaam, waardoor een verhaal ontstaat over een persoon die van een diner naar een feest gaat. Daar overschrijdt diegene een grens (of wordt diens grens overschreden), drinkt, huilt, nadenkt en eindigt op bed. Hoe het verhaal exact verloopt, is aan de lezer om in te vullen.

Het omvangrijkste werk is de reeks genaamd ‘Ontmoetingsplaats’. Het is een visueel verhaal waarin twee zwarte vierkantjes elkaar op een raster ontmoeten en samensmelten tot ze niet alleen het hele raster, maar ook de volledige pagina overnemen. Ook hier is het aan de lezer om de details van het verhaal zelf te construeren.

Hoewel ik het experiment kan waarderen en wil toejuichen, missen de meeste gedichten een zekere diepgang en vind ik de experimentele elementen niet bijzonder verrassend. De beelden en woorden zijn regelmatig zo eenduidig dat er weinig ruimte overblijft voor een tweede betekenislaag, zoals in het gedicht ‘Afwezige materie’:

Soms moet er een luikje open
waaronder men niets vindt.
–
_____________/ ______________

We zien een luikje met daaronder een lege pagina. Het visuele zegt hetzelfde als de tekst. Interessanter was het geweest als woord en beeld een ander verhaal vertelden, waardoor ruimte voor iets nieuws ontstond.

Om het volgende gedicht te kunnen lezen moet je er even op  klikken.

Er wordt een gegeven geïntroduceerd: de aarde draait doordat mensen rennen, maar het gedicht doet weinig met de consequenties van dit gegeven. Geef me servieskasten die omvallen, mensen die de lucht in worden geslingerd, bergen die uit elkaar spatten, iets! Diepgang vind je niet in grote uitspraken, maar in de details, de beschrijvingen, het concrete. Het vervagende effect van de laatste strofes is mooi, maar voegt inhoudelijk weinig toe. Ik zou graag willen weten waarom we rennen in de liefde, of op zijn minst een uniek beeld daarvan. Hetzelfde geldt voor het rennen naar ons werk en naar de dood. En waarom zou de aarde stoppen als wij stoppen? Ik wil dat best geloven, poëzie hoeft niet realistisch te zijn, maar het gedicht overtuigt me daar niet van.

Er staan ook gedichten in de bundel waar ik wel overtuigd word dat het gedicht mij iets belangrijks wil vertellen, zoals in het onderstaande stuk:

Gebuurte
–
Ik vind de straten niet meer leuk,
ze lijken zo gespannen.
Een strak regime houdt de tegels in bedwang,
zelfs de bochten worden rechtgezet.
–
Soms zit er een kapje los
van een lantaarnpaal.
–
De dag erna zit het vast.
–
Wie het doet?
–
Weet ik niet.
–
Maar ik tik nu iedere dag
een fles stuk op de stoeprand,
neem een van de scherven mee naar huis
dan kan het nooit volledig worden opgeruimd.
–
Het kost enkel
één bebloede hand.

Dit gedicht vertelt mij iets zonder té letterlijk te worden. De gespannen straten die geen bochten mogen zijn vind ik geestig. Ook het voorkomen dat de stukgeslagen flessen worden opgeruimd vind ik sterk, omdat het meer betekent dan wat er staat. Voor mij gaat het zowel om bewaren als om de onmogelijkheid van volledigheid. Er blijven altijd sporen achter. In combinatie met de voorgaande strofes ontstaat een groter verhaal over een regime dat controle probeert uit te oefenen en alles perfect wil maken. Zelfs het opruimen of vervangen van spullen moet volledig zijn. De ik-figuur voorkomt deze volledigheid door een stuk gebroken flesscherf mee te nemen. Een kleine anarchistische daad die veel betekenis draagt. De laatste strofe was voor mij niet nodig geweest, maar biedt nog een ander perspectief, namelijk dat het stukslaan van de flessen ook een pijnlijk offer is voor de ik-figuur.

Paplepellende
–
Dit land
is een klein, dik, verwend kindje
dat stampt,
dat gromt,
dat wijst naar vettigheid
en geen delen kent.
–
‘Nog een hapje?’
‘Nog een slokje?’
Tot het naveltje onzichtbaar is
wanneer het lacht.
–
Met bevlekte handjes
zwaaiend naar de ielen
tot zij platgaan
van de honger
–
en het kleine dikke kindje
onverstoord zijn pap verorbert
tot het niet meer in zijn zitje past,
voeden wij het.

Dit gedicht beschrijft een land als een infantiel, dik, egocentrisch kind. We voeden het en voeden het, terwijl de rest van het volk sterft van de honger, totdat het kindje niet meer in zijn zitje past. Het is een gedicht over hebzucht en maatschappelijke ongelijkheid met weinig subtiliteit. Het is bovendien de vraag of ‘dik’ hier een betekenisvolle keuze is. Het koppelen van lichaamsomvang aan gulzigheid, domheid, hebzucht en moreel verval is een hardnekkig stereotype waar mensen en schrijvers maar al te vaak (onbewust) gebruik van maken.

Van Dalen heeft met Koud buffet een bundel samengesteld waarin van alles op ons bord ligt. Er is ruimte voor experiment, maatschappijkritiek, doelloosheid en visuele poëzie. Dat maakt de bundel afwisselend en toegankelijk, maar een buffet moet meer kunnen bieden dan alleen verschillende gerechten. Gedichten mogen de lezer verrassen, ontregelen of dwingen om anders te kijken. Daarvoor hoeft een dichter niet per se ingewikkelder te schrijven. Een onverwacht detail kan genoeg zijn. Een beeld dat nog even blijft knagen. Iets scherps, iets bitters, iets dat onder de tong blijft zitten. Een toevoeging van een diepere laag, subtiliteit of juist grofheid: ingrediënten die het spannend of ontroerend maken. Dat is wat ik wil proeven.

____

Stijn van Dalen (2026). Koud buffet. Stichting Procs-Verbaal, 76 blz. € 15,00. ISBN 9789493433045

     Andere berichten

Margreet Schouwenaar – Route K

Margreet Schouwenaar – Route K

Door lijfliefde en dodelijke bestraling heen door Johan Reijmerink - - Margreet Schouwenaar debuteert in 1991 met enkele gedichten in...

Rob Theys – In het grote meer

Rob Theys – In het grote meer

'Dichten blijft half werk' door Jac. Janssen - Ongeveer halverwege Theys’ bundel staat ‘Kort humanistisch manifest’. Het thema is de...