‘De jazz van poëzie’
door Wim Vandeleene
Taal vormt al jaren de rode draad door de loopbaan van Pol Bracke (Wetteren, 1966). Hij was lange tijd actief als journalist en hoofdredacteur van een HR-vakblad en werkt als communicatiemedewerker en redacteur bij HOGENT, waar hij ook een tijdlang betrokken was bij onderzoek rond sociaal ondernemen – en daar ook een boek over publiceerde.
Naast zijn redactiewerk en onderzoek timmert hij aan de weg als dichter en muzikant. In zijn vrije tijd is hij actief als saxofonist en songschrijver. Muziek waarin compositie, ritme en klankkleur hand in hand gaan met zijn liefde voor poëzie. Hoewel hij zijn werk vooral binnen hield, debuteerde hij in 2021 met de dichtbundel Er is geen plan, die positief werd onthaald en leidde tot een muzikaal-literaire theatervoorstelling.
In mei 2026 werd een bijzondere uitgave bezorgd, een soort van blijven, een doos met gedichten van Pol Bracke en foto’s van Marc De Troyer.
Over de saxofoonsolo, de handpomp en de schuchtere jeugdjaren
Welkom Pol bij Meander .
Haruki Murakami haalt zijn energie uit de dagelijkse gewoonten en de fysieke cadans van het lopen en zwemmen. Hij ziet sport en creativiteit als elkaars verlengstuk, waarbij de opgebouwde veerkracht de ultieme brandstof vormt voor zijn verbeelding. Wat geeft jou energie?
Creëren. Vanuit een waarneming een gedicht schrijven. De dertigjarige geschiedenis van de hogeschool waar ik werk (HOGENT) dynamisch en boeiend in boekvorm weergeven. Al musicerend een melodielijn improviseren en die gebruiken als basis voor een song. Luisteren naar de collega-onderzoeker die nieuwe onderzoeksresultaten uit de doeken doet en die dan vertalen in een behapbaar, helder artikel. In een bijna lege koelkast toch nog enkele ingrediënten vinden die met wat zin voor improvisatie resulteren in een lekkere maaltijd. Wat die voorbeelden verbindt, is de drang om te creëren. En dat maakt me blij.
Of het nu gaat om dichten, saxofoon spelen, onderzoeken of uit een bijna lege koelkast een gerecht tevoorschijn toveren. Scheppen is het motief in jouw verhaal. Laten we even de vraag omkeren. Wat vreet jouw energie?
Onzekerheid, faalangst, de vrees niet goed genoeg te zijn: ik heb er zeer lang mee geworsteld. Het ‘goed is niet goed genoeg’-principe hing zeer lang als een schaduw over alles wat ik deed – en bijgevolg vaak niet deed. De lat hoog leggen is natuurlijk nodig om jezelf te verbeteren, maar werkte bij mij verlammend. Het heeft me zeer veel tijd gekost om te geloven dat mijn gedichten goed genoeg waren om gepubliceerd te worden. En dan nog twijfel ik of over sommige gedichten: moesten ze niet suggestiever, missen ze geen subtiliteit, zijn de beelden niet te vanzelfsprekend, … Zoeken naar de volmaakte vorm is een strenge leermeester die lang op de rem heeft gestaan, maar gelukkig heeft plaatsgemaakt voor de durf om eindelijk te springen!
Voor Ernest Hemingway was niets zo makkelijk als schrijven. Je moet alleen maar aan een tafel zitten en bloeden. Was het maar zo simpel, denk ik dan. Wat betekent schrijven voor jou?
Als ik schrijf zit ik in mijn comfortzone, ongeacht of het een gedicht, een nieuwsbericht of een songtekst betreft. Schrijven – en herschrijven – is al ruim dertig jaar prominent aanwezig in mijn leven, aangezien het mijn broodwinning is: eerst een twintigtal jaren in het journalistieke werkveld en het jongste decennium bij de communicatiedienst van HOGENT. Voor literair schrijven was er weinig ruimte, en nog minder zelfvertrouwen.
Mensen gaan er dikwijls van uit dat wie goed schrijft ook vlot schrijft. Maar dat is, toch wat mij betreft, een misvatting. Schrijven is – ook in non-fictie en niet-literaire context – altijd een gevecht om het juiste woord, het juiste ritme, de juiste opbouw. Maar het is een strijd die ik graag voer en vaak win.
Een ambachtelijk gevecht om de juiste cadans en het woord dat op zijn plaats valt. Welke vonk heeft het vuur voor de taal ontstoken?
Ik wist al vroeg dat ik iets met mijn pen wou doen. Dat heeft ongetwijfeld deels te maken met het feit dat ik een introvert en schuchter jongetje was. Dan neem je liever papier in vertrouwen dan de mensen om je heen. Maar ik herinner me ook nog zeer levendig hoe twee leerkrachten Nederlands in het secundair onderwijs me duidelijk hebben gemaakt dat ik op dat vlak een bijzondere gave had. Een eerste keer was in het tweede jaar, toen de lerares de verbeterde opstellen teruggaf, behalve aan mij. Toen ik haar naar mijn exemplaar vroeg, reageerde ze nauwelijks, maar ging zitten en begon mijn tekst voor te lezen. Voor een schuchtere 14-jarige die de aandacht meed, maakte dat wel indruk. In het vierde jaar suggereerde een andere leerkracht Nederlands -schertsend, natuurlijk – dat ik eigenlijk niet meer naar school hoefde te komen want genoeg talent had om het als schrijver te maken. Die voorspelling is niet uitgekomen, want een literaire auteur ben ik nooit geworden, maar schrijven werd wel degelijk de rode draad in mijn beroepsloopbaan. Literair publiceren bleef een verre droom, tot de uitgave van de bundel Er Is Geen Plan, in 2021.
Wat is voor jou het ideale recept voor een heerlijk gedicht? Wat zijn de smaakmakers?
Er bestaat geen ideaal recept. Wat voor mij telt is: alert zijn voor alles om je heen. Het gaat over serendipiteit: waarde vinden in toevalligheden, in iets waar je niet naar zocht, maar dat je toch op weg zet naar een tekst. Het is al meermaals gebeurd dat een zin die ik ergens lees of een uitspraak die ik ergens opvang als vertrekpunt neem voor een gedicht, al heb ik er op dat moment nog geen idee wat het thema en onderwerp van dat gedicht zullen zijn.
Voorts beïnvloedt het feit dat ik ook muzikant ben mijn schrijfproces: een gedicht schrijven ervaar ik als vergelijkbaar met muziek componeren: ook in de poëzie die ik schrijf, besteed ik zeer veel aandacht aan klank en ritme. Soms sturen die het gedicht zelfs een richting uit die ik eerst niet voor ogen had. Bijvoorbeeld door een woord te integreren dat ik qua ‘geluid’ goed vind passen bij een ander woord in de tekst – en dat hoeft niet altijd rijm te zijn – krijgt het geheel soms een ongeplande draai. Zo neemt de tekst de regie al eens over. Maar dat maakt het schrijfproces extra boeiend.
Als we het dan toch over recepten willen hebben, dan is afstandelijkheid een belangrijk ingrediënt. Ik verklaar me nader: mensen die ‘een soort van blijven’ al lazen, lieten me weten dat de teksten zeer doorleefd aanvoelen, alsof ik over eigen verlieservaringen schrijf. Dat doet natuurlijk deugd want het betekent dat de gedichten betekenisvol zijn voor hen. Toch was de creatie van ‘een soort van blijven’ een zeer rationeel proces waarin ik betekenis, klank, structuur en cadans voortdurend tegenover elkaar afgewogen heb. Het is die berekende afweging die tot een doorleefd resultaat leidt. Ik ben ervan overtuigd dat het resultaat minder sterk zou zijn als eigen ervaring en emotionele betrokkenheid het uitgangspunt waren geweest. Al kan ik dat natuurlijk niet bewijzen.
Geen vast recept dus. Koken met klank en ritme, en elk woord zo afwegen dat het smaakt. Remco Campert liet zich inspireren door de jazz van Lucebert. Bewondering is de vonk die de eigen stem laat rijpen. Heb jij voorbeelden die je bewondert? Geestelijke vaders? Iconen? Idolen?
De poëtica die me aanspreekt, zou ik kunnen samenvatten als deze die het Nieuw Wereldtijdschrift hoofdzakelijk publiceerde toen Herman De Coninck er hoofdredacteur was (jaren 80-90) en waar onder meer Rutger Kopland en Charles Ducal meer dan eens de revue passeerden. Daarnaast vind ik ook de poëzie van Stefan Hertmans literaire fijnproeverij. Maar toch wil ik hier vooral drie andere dichters waar ik naar opkijk, vermelden. Omdat ze elk een heel eigen stijl hebben.
Zo bewonder ik de zeer uitgepuurde stijl van streekgenoot Roland Jooris, die met heel weinig heel veel zegt. Zijn gedichten zijn vaak abstracties van een eenvoudige waarneming waardoor die een diepere betekenis krijgt. Hij schildert als het ware de woorden op een wit blad, als enkele schaarse maar rake penseelstreken die de werkelijkheid naar een hoger niveau tillen. Zijn gedichten associeer ik ook met bepaalde solo’s van Miles Davis, waar die zich beperkt tot een paar goed gekozen noten en daarin, juist door de schaarsheid, enorm veel zeggingskracht etaleert.
Van een heel andere orde is Toon Tellegen die iedereen kent van zijn dierenverhalen maar die ook een fantastisch dichter is. Zijn gedichten zijn miniatuurverhaaltjes, vaak in een bedrieglijk-naïeve stijl maar zeer filosofisch geladen. Ze laten je geregeld verbouwereerd achter.
Dat speelse zit ook in de poëzie van Bart Moeyaert maar op een andere manier. Ik bewonder zeer sterk de eenvoud en het schijnbaar terloopse in zijn taal. Het is lichtvoetigheid met zeer veel diepgang.
We lezen drie gedichten uit jouw werk.
–
Vroeger sprak ik alleen
mezelf tegen. Er was nu plots
iemand om tegen te zwijgen
–
Alles was altijd veelzeggend geworden
daar was ik niet aan gewend
–
Je was overbodig maakte je nodig
Je vulde mijn dagen
mijn dromen de kamers
–
vulde mijn lijf gul met verlangen
Het gutste ervan
–
Nu zit ik gevangen. Ziehier uw dienaar
kijk naar uw knecht. Geen zin dat ik vecht
geen zin dat ik wegga
–
Je hebt me gehecht
Zoiets laat littekens na
–
–
–
–
verzoek
–
ik ben graag je gast vind je dat goed?
geef je me geluk in bruikleen
dat in mijn handen past?
dat is mijn verzoek
–
zal ik dan woorden fluisteren
in je schoot? bijvoorbeeld ‘zoet’:
de smaak van kindertijd en onschuld
die blootvoets en uitgespeeld verdween
–
als we die nu eens weer welkom heten en
zoals voorheen samen gretig een begin dromen
en van ons verward beminnen
tekeningen maken met krijt
–
want wat goed doet slijt en
werd ons door de tijd ontnomen
hoe konden we die stamelende start vergeten
en niet meer weten waar thuis te komen?
–
–
–
–
grind
–
wat zijn zoeken was kreeg hij niet meer uitgelegd
wel weet hij nog dat hij het vroeger vond
in het trage van de stappen
en hun krakend fluisteren op grind
–
of in de stiltes van een halve tel
tussen het ritmische snerpen
van de handpomp in de tuin
–
hoe hij toen aan de rivier luisterde naar
de restjes water die de stroom even ontliepen
en met een ingehouden zucht strandden
op de ruwe randen van de dijk
–
geluid van bijna niets
dat hem verhalen toevertrouwde
die hij niet wil vergeten
Laten we even vooruitblikken. We kunnen de wind niet veranderen, maar wel de stand van de zeilen, zei Seneca. Welke plannen liggen er voor jou nog op tafel?
Concrete nieuwe publicatieplannen zijn er voorlopig niet. Wel zijn we met een selectie gedichten uit Een soort van Blijven aan de slag gegaan om een literair-muzikale voorstelling uit te werken. De eerste voorstellingen vinden begin november plaats.’
Daarnaast heb ik het voornemen om mijn twee passies, muziek en schrijven, te combineren in een nieuw project: met de juiste muzikanten de studio intrekken om een album op te nemen met eigen composities die zich muzikaal ergens situeren tussen jazz, rock en hiphop en waar ik dan ‘spoken word’-lyrics in verweef (die ook op zich moeten kunnen staan). Misschien wordt mijn volgende literaire publicatie dus wel een muziekalbum…
Als je al je metaforen zou moeten inruilen voor één enkele, beklijvende melodie op je saxofoon. Voor welk nummer zou je dan kiezen?
Dat is een meedogenloze vraag. Er zijn zoveel prachtige melodieën gecomponeerd en er komen er dagelijks nieuwe bij. Jammer genoeg komen die zelden aan de oppervlakte in de fletse, commerciële brij die de muziekindustrie geworden is.
In de wetenschap dat ik heel veel anderen onrecht aandoe, toch enkele beklijvende melodieën – ik weiger er slechts 1 uit te kiezen: het ingetogen en zeer lyrische ‘Time to Say Goodbye’ van de Franse trompettiste Airelle Besson geeft met telkens weer kippenvel. ‘Halfaouine’ van ud-virtuoos Anouar Brahem mag hier ook niet ontbreken. Of ‘Golden Slumbers’, een Beatles-song die mijn favoriete jazzpianist Brad Mehldau enkele niveaus hoger tilt. En, omdat onze eigen zeer getalenteerde jazzmuzikanten hier een plaats verdienen, vermeld ik graag ‘Dauw’ van Lara Rosseel. Een heerlijk verslavende compositie. Allemaal hebben ze gemeen dat ze zeer poëtisch klinken.
Dat klinkt als een jazzfestival. Bedankt Pol voor het gesprek.




