Joris Denoo publiceerde poëzie en proza in Yang, De Brakke Hond, DW&B, Nieuw Wereld Tijdschrift, De Vlaamse Gids, Diogenes, Kluger Hans, Het dolpension van de hemel, Hollands Maandblad, Maatstaf, De Gids, Mens & Gevoelens, Writer’s Block, Nymph, Lava. Hij was runner-up voor de Holland Park Press Poëzie Prijs 2013 & 2014 en werd genomineerd voor de Hofvijver Poëzieprijs Den Haag 2014 & 2015. Shortlist Maerlant Poëzie Prijs 2022. Hij was laureaat van de wedstrijd ZKV (Zeer Kort Verhaal) in Nederland (2021). Eregast op Fantasticon-V Nieuw-Vennep 2024 en 2026. Hij was de eerste Stadsdichter van Torhout en won de Gezelle Poëzieprijs Brugge.
In voorbereiding Tussen zadel & zand (dichtbundel bij uitgeverij Archipel).
–
Stardate met de tijd.
Het oog van de maan knipt aan.
Een windklok schilfert
in haar licht.
–
Tijd verglijdt als een trage wolk.
Een zee krabbelt even terug;
vulkanen rochelen –
vurig ijs in een kelk die kolkt.
–
Geruchten over een vervaldatum
doen de ronde
onder aardgenoten –
gefladder van opgespelde vlinders.
–
De maan neemt van de maan
in het rimpelende water een foto
als herinnering voor later –
vergeelde ex voto.
–
Het gestolde nu.
–
O Greta Green,
bewaar de aarde
in je kwade vuist
als je liefste knikker
–
Zijn klare wereld is verdwenen.
Over lange jaren daalt het doek.
Het huis kraakt even in zijn voegen.
De oude boom draagt gouden roest.
–
Ginds veegt tijd een verre vogel uit.
De uren en de muren, altijd daar
en altijddurend, zijn hardnekkig
in de waan van zijn bestaan.
–
Gasten kwamen, vrienden gingen.
Schaduwen zijn hem al voorgegaan.
Vele glazen wijn werden geheven
met woorden van hun schijn ontdaan.
–
Niets viel te stuiten of te staven.
Alles verzonk in de buien van het leven.
Ook boeken bleven dat oud zeer herhalen
zoals de oude boom zijn wederkerend roest.
–
Liever dan een hark heeft hij de wind
om de moeë blaren te vergaren
in een verre uithoek van zijn tuin.
Roest wordt rust; het blijft bladstil.
–
Wat rest, staat niet meer op de kaart.
Is er iemand die daar nog naar vraagt?
Bezinksel, bladerdeeg, röntgen van takken.
Een nieuwe winter, een verse splinter.
–
De stad slaapt. Alles is rustig.
Een rat met zachte vacht vlucht
voor het schijnsel van de nachtwacht.
In alkoven snurken burgers.
Langzaam draait de aarde rond:
blauwe bol, open riool, vergaarbak
van gerochel, kanker en vulkanen.
–
Vrede op het plein. Niets beweegt.
Een oude straathond spert zijn muil
en jankt zijn blues tot op het bot.
Een man verdrinkt in kwijl en kommer.
De maan beveelt de zee, de vrouwen.
In hun dromen zit hun mond vol slijk
en drijven lijkjes op de golven.
–
Zwaartekracht balt onrust samen.
Het gebinte op de appelzolder kraakt.
De splijtstof in de navel sluimert.
De kleine Newton blaast een speekselbel
en draait zich op zijn andere zij.


