Klassieker 106: Rutger Kopland – Enkele andere overwegingen

door Lambert Wierenga

Meander Klassieker 106

In ‘Enkele andere overwegingen’ zet Rutger Kopland ons gewone denken en waarnemen in elf regels op z’n kop. ‘Hoe zal ik dit uitleggen?’ Lambert Wierenga weet de overwegingen van Kopland op waarde te schatten.

Enkele andere overwegingen

Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom
wat wij vinden niet is
wat wij zoeken?

Laten we de tijd laten gaan
waarheen hij wil,

en zie dan hoe weiden hun vee vinden,
wouden hun wild, luchten hun vogels,
uitzichten onze ogen

en ach, hoe eenvoud zijn raadsel vindt.

Zo andersom is alles, misschien.
Ik zal dit uitleggen.


Rutger Kopland (1934 – 2012)

Uit: Tot het ons loslaat (1997)
Uitgever: G.A. van Oorschot

‘Zit de wereld anders in elkaar dan iedereen denkt? Sterker nog: is de organisatie van de werkelijkheid het tegengestelde van waar we mee vertrouwd zijn?’
Dit gedicht van Kopland gaat niet over een andere wereld. Het gaat over de ‘gewone’ wereld. Maar dan ineens, bij nadere ‘overweging’, lijkt alles er op z’n kop gezet. Niet mensen, met hun kijk, staan er centraal. Maar de dingen. De dichter stelt zich op als een buitenstaander die door ‘andere overwegingen’ wordt gemotiveerd. Na zorgvuldig wikken en wegen is hij ervan overtuigd dat de wereld en het leven anders zijn dan mensen vaak veronderstellen. Wat we zien strookt lang niet altijd met wat we denken te zien. De taak die de dichter zich hier stelt is een ‘uitleg’ te vinden voor die tegenstelling tussen wat we verwachten en wat we ondervinden. Wat we eigenlijk in de wereld ‘zoeken’ en wat we er ‘vinden’: ook dat sluit niet op elkaar aan.
Hoe zit het dan wèl? Hoe verhouden ‘onze (subjectieve) kijk’ en ‘de (objectieve) werkelijkheid’ zich tot elkaar? De wereld lijkt er vertrouwd, overzichtelijk en samenhangend, met vee in de wei, met vogels in de lucht, met wilde dieren in het bos, met ogen die zich kunnen vergapen aan vergezichten. De ‘weilanden’ zijn er voor de koeien, de ‘luchten’ zijn er voor de vogels, de ‘verte’ is er om naar te kijken! Alles wat leeft en beweegt – het vee, het wild, de vogels, onze ogen, de tijd -: in onze ervaring zit de hele schepping op een eenvoudige manier in elkaar. We stellen ons er zelfs geen vragen meer over: de gewenning aan een overzichtelijk leven maakt het ons onmogelijk om nog gevoelig te zijn voor het raadsel van de eenvoudigste verschijnselen.

‘Wie wat vindt heeft slecht gezocht’
Maar is de werkelijkheid wel zo overzichtelijk en vanzelfsprekend? Is het verband tussen de dingen wel zoals we veronderstellen? Is onze taal – ook al zo’n vast gewoontesysteem – wel geschikt om onze kijk erop onder woorden te brengen?
De dichter zelf is ervan overtuigd dat alles niet zo eenvoudig is! In alles, hoe eenvoudig het ook lijkt, zit een raadsel. Hij wil afstand nemen van het bekende en vertrouwde. En dan ‘uitleggen’ (regel 1) hoe het wérkelijk in elkaar zit. Hoe de werkelijkheid écht werkt, als je bestudeert hoe ze is georganiseerd!
Alleen vraagt hij zich nadrukkelijk af hoé hij dat ‘uitleggen’ moet aanpakken: aan een ander – en ook aan zich zelf (‘wij’, regel 2-3) – uitleggen hoe het dan wél is! Maar binnen de filosofie van de dichter, Rutger Kopland, is die zoektocht eigenlijk onbegonnen werk! Eén van z’n bundels, al uit 1972, heeft als titel ‘Wie wat vindt heeft slecht gezocht’. Een rare uitspraak, lijkt het: ‘Zoeken, dat doe je niét om iets te vinden!’ We zouden, net andersom, eerder zeggen: ‘Wie niks vindt, heeft dus niet goed gezocht’.
Het gaat de dichter kennelijk om een mentale levensinstelling: het zoeken zelf staat centraal. Niet om alles te begrijpen. Dan grijp je er naast! Het is als bij ‘Wandelen, daarbij gaat het er niet om ergens aan te komen, maar om het wandelen zélf!’ Om het zoeken naar een route. Om het om je heen kijken. Om het plezier van het wandelen!

‘Dichterlijke uitleg’ over een alternatieve kijk op de wereld 
Geldt voor ‘zoeken’ hetzelfde als voor ‘wandelen’? De dichter heeft hier ‘Enkele andere overwegingen’ (titel) bij. Ik denk dat het woord ‘andere’ hier ‘alternatieve (overwegingen)’ betekent. Het gedicht is een uitnodiging om een alternatief te zoeken voor de standaardkijk op de werkelijkheid. Als hij zélf om zich heen kijkt, naar de gewone dingen, verbaast hij zich erover dat we denken alles te begrijpen. Voor ons, mensen, suggereert hij, is de wereld wat ze lijkt te zijn. Bijna niemand verbaast zich er nog over, totdat hij ineens ervaart dat bijna alles ook ‘andersom’ (regel 10) bekeken kan worden! Niet alleen maar ‘anders’, maar – sterker nog – ‘andersom’!
Bij de dichter ligt het in ieder geval anders! Zelf weet hij het ook niet zo precies. Maar hij zal wél ‘uitleggen’ welke vragen bij hem zijn opgekomen als hij soms anders tegen de dingen aankijkt. Je kunt, lijkt hij te zeggen, er ook van uitgaan dat de wereld om ons heen juist heel anders is georganiseerd dan zoals we die altijd zien.
Aan dit gedicht ligt dus een alternatieve manier van kijken naar de werkelijkheid ten grondslag. De opvatting dat je alles wat je ziet en weet, niet altijd maar voor zoete koek als ‘werkelijk’ hoeft aan te nemen. Je hoeft niét te ‘denken’ wat iedereen ‘denkt’. Misschien is ‘zelf zoeken’ toch wel leuker!

De dichter: kijk eens zoals ík kijk
De dichter gaat er niet van uit dat iedereen zijn opvatting deelt! Hij stelt zich voor als iemand die gaat ‘uitleggen’ (regel 1 en 11) waarom de dingen anders zijn dan ze lijken. Alleen over de methode van uitleg is hij nog niet zeker: ‘Hoe zal ik dit uitleggen?’ (regel 1), vraagt hij zich af.
Maar moet hij dan niet eerst aantonen, dat iedereen het fout ziet, en hij juist goed! Dat doet hij niet. Hij doet alsof hij (‘ik’) namens alle mensen (‘wij’) spreekt. Het gaat hem dan ook niét om ‘wat hij moet uitleggen’, maar ‘hoe hij dat zal gaan doen’. Daar ligt voor hem het échte probleem.
En als een goede pedagoog sluit hij aan bij een ‘gedeelde’ ervaring: hij begint met de vragen die – denkt hij – iedereen wel zal hebben. Vragen die opkomen als je ‘vragend’ om je heen kijkt, zonder je alleen maar te laten sturen door ‘de macht der gewoonte’. Vragenderwijs suggereert hij wat je niet ‘ziet’ en ‘vindt’ als je altijd maar uitgaat van je gewone kijkmanier. Een effectieve strategie, deze compositie van het gedicht:
–    Eerst het eigen probleem noemen (regel 1: ‘… Hoe zal ik uitleggen waarom …?’).
–    Dan allerlei symptomen van het probleem in kaart brengen (regel 2-9).
–    Vervolgens de ernstige conclusie (regel 10: ‘Zo andersom is alles’).
–    Tenslotte de belofte of het plan om alles uit te leggen (regel 11: ‘Ik zal dit uitleggen’).

Een ‘overweging’ en een ‘plan ‘
Wat wij zien en weten, daarvan nemen we aan dat het ‘gewoon’ is. Maar voor de dichter is alles ‘andersom’ (regel 10). Alles bekijkt hij alsof het op z’n kop staat. Maar wél zit er een lijn in! Dat blijkt als hij een paar symptomen van dat traditionele kijken ineens omdraait. Daarbij geeft hij de indruk dat bij ‘andersom’ kijken alles ineens écht gewoon wordt. Dit gebeurt er dan:

Regel 1-3: ‘vinden’ en ‘zoeken’

Het doel van ‘zoeken’ is, denken we, dat je ‘vindt’ wat je zocht. Maar de dichter constateert, alsof het een voor ‘ons allemaal’ vaststaand feit is – ‘wat wij vinden, is niet wat wij zoeken’ – dat het eigenlijk andersom is: als we iets vinden, is het niét wat we zochten! De regels 2-3 moeten dan ook wel betekenen dat ‘wij’ altijd ‘slecht’ zoeken. We moéten niets ‘vinden’. Daar gaat het niet om! Het ‘zoeken’, het ‘kijken’, het zelfstandig en oplettend observeren, dáár gaat het om.

Regel 4-5: ‘de tijd laten gaan’

Nog een voorbeeld van dat ‘andersom’ denken. We zeggen altijd ‘de tijd nemen voor iets’. Daarmee suggereren we dat we de baas zijn over de tijd, dat we die naar onze hand kunnen zetten. De dichter stelt als alternatief voor om ‘de tijd te laten gaan waarheen hij wil’. De tijd z’n eigen gang laten gaan. Net ‘andersom’ inderdaad! De dichter lijkt daarmee het begin van alle verandering te suggereren: als jij ‘de tijd loslaat’, dan wil je niet meer alles plannen, in een strakke agenda, met precies bemeten perioden voor elke bezigheid. Dan ontstaat er een nieuw soort vrijheid! Dat je daar zelf niet eerder aan had gedacht!

Regel 6a: ‘en zie dan …’

Ook verder zie je dan ineens alles veranderen. ‘En zie dan hoe …’ (regel 8): een typische, bijna bijbelse manier van zeggen die een plotselinge verandering aangeeft. Voor die verandering wordt alle verbaasde aandacht gevraagd! Maar welke verandering dan?

Regel 6b-8

Vier gevallen somt hij dan eerst op: ‘weiden en vee’, ‘wouden en wild’, ‘luchten en vogels’, ‘uitzichten en ogen’. De dichter draait al die ‘vaste relaties’ om. Want niet het ‘vee’ vindt z’n ‘weiden’, maar nét andersom: ‘de weiden vinden hun vee’. Ook ‘de wouden hun wild’, ‘de luchten hun vogels’ en ‘uitzichten (vinden) onze ogen’. Dat zie je dan ineens: als je niet te erg bent voorgeprogrammeerd en dus ‘zonder nadenken’ dacht dat de ‘weiden’ er voor ‘het vee’ zijn, en de ‘luchten’ voor de ‘vogels’.
Wat er bij deze alternatieve manier van kijken grondig verandert, is vooral dat de relatie tussen de dingen precies ‘andersom’ wordt gezien. Als je meer oog hebt voor ‘zoeken’ dan voor ‘vinden’, en als je maar ‘de tijd (z’n gang laat) gaan’! Dan zie je eindelijk dat ‘de vogels’ er voor ‘hun luchten’ zijn, de ‘wouden’ voor ‘hun wild’, dat ‘onze ogen’ er voor de ‘uitzichten’ zijn!
Heel suggestief, dat gebruik van ‘hun’: het geeft onnadrukkelijk de omkering van de doelrelatie aan!

Van filosofisch wordt de stijl hier ineens poëtisch! Die brede alliteratie in ‘weiden hun vee vinden / wouden hun wild’ (regels 6-8)! Drie keer een ‘w’, twee keer een ‘v’. Het lijkt zelfs een beetje een rijm te worden, met die ‘i’ in ‘vinden’ en ‘wild’. Het is alsof de dichter, door alles om te draaien, ineens door krijgt hoé mooi alles dan wel niet wordt! Z’n visuele indruk vertaalt hij in klankrijkdom!

Regel 9: ‘eenvoud’ en ‘raadsel’

Z’n laatste ‘overweging’ lijkt voor de dichter fundamenteel te zijn. Hij slaakt er als het ware een zucht van opgeluchte verbazing bij: ‘en ach, (dan zie je eindelijk) hoe eenvoud z’n raadsel vindt’. Daar ligt voor hem kennelijk het centrale punt: er bestáán geen eenvoudige, vanzelfsprekende wetten voor de dingen en voor het verband ertussen.
Die zijn er alleen voor luie kijkers. Mensen gaan graag uit van ‘eenvoudige’ verklaringen en oplossingen – natuurlijk is de lucht er voor de vogels! Maar de dichter verklaart hier dat er geen ‘eenvoud’ bestaat, geen ‘raadselloosheid’. Als je wat dieper kijkt, merk je dat ‘de luchten’ altijd ‘hun vogels’ vinden. Die zochten ze natuurlijk niet: ook voor ‘vogels’ geldt dat ze, als ze iets zoeken, altijd iets anders zouden ‘vinden’! Bij elke ‘eenvoud’ hoort dus een ‘raadsel’. Zoek maar niet naar een oplossing, die vind je toch niet! Hoe gek het ook klinkt: ‘eenvoud’ en ‘raadsel’ horen bij elkaar. Zelfs ‘eenvoud’ heeft ‘zijn (eigen) raadsel’! Het raadsel heeft als geheimzinnig kenmerk dat het ‘eenvoudig’ is!

Regel 10-11: ‘andersom is alles’ – ‘misschien’

‘Andersom is alles’. Kun je dat nog wel uitleggen, zoals de dichter van plan was (regel 1)? Als ‘eenvoud’ en ‘raadsel’ zo hecht bij elkaar horen, loopt dan niet elke uitleg uit op een mislukking? Op een nieuw ‘raadsel’? Juist het wezen van de ‘eenvoud’ immers? Maar is de dichter er eigenlijk wel zo zeker dat z’n alternatieve kijk te verantwoorden is? Waarom zegt hij ‘misschien’ (regel 10)? Daardoor ontstaat immers vooral na de bedachtzame én stellige beginvraag (regel 1): ‘Hoe zal ik dit uitleggen?’ de indruk dat het raadsel toch weer het laatste woord krijgt. Hij zegt dan wel (regel 10): ‘Ik zal dit uitleggen’. Maar die zin suggereert meer stelligheid dan hij eigenlijk heeft! Z’n overwegingen kunnen bijna weer opnieuw beginnen! Maar er is in het parcours van het gedicht toch iets omgegooid: de ‘ik’ begint niet helemaal opnieuw!

Het raadsel van het ‘andersom’ uitleggen? 
Het woord ‘uitleggen’ staat niet voor niets in de eerste én in de laatste regel. Maar na de vraag naar het ‘hoe’ in de beginregel, komt nu in de slotregel (regel 11) eindelijk het plan tot beantwoording ervan: “Ik zal dit uitleggen”. Alles begint én eindigt met ‘uitleggen’. Met de hoop op het doorgeven van een ‘gevonden antwoord’ dus.
En dat in een gedicht dat als thema heeft dat niet ‘vinden’ het belangrijkste is, maar het ‘zoeken’. Is ‘uitleg’ wel nodig? Of mogelijk? Gaat het niet vooral om ‘eenvoud’ die eigenlijk een ‘raadsel’ is? En ook ‘andersom’: om het ‘raadsel’ dat de ‘eenvoud’ is? De dichter wil duidelijk maken dat inderdaad alles andersom is. ‘Alles is een raadsel! Maar vooral de vanzelfsprekendheid waarmee we naar de dingen kijken, is eigenlijk ‘niet uit te leggen”. Als je die ‘gewone’ zekerheid loslaat, dan kom je dicht bij de eenvoud van het raadsel. Daarvoor moet je enkel ‘de tijd z’n gang laten gaan’. Dan ga je geleidelijk ontdekken dat de weiden er zijn voor ‘hun’ vee, het wild voor ‘hun’ woud, de vogels voor ‘hun’ lucht. Het ‘raadsel’ en ‘zijn (eigen) eenvoud’ (regel 9) horen bij elkaar. Sterker nog: ‘eenvoud’ vindt altijd ‘zijn raadsel’. Z’n ‘eigen’ raadsel. De zogenaamde eenvoud van de dingen bestaat, volgens de dichter, niet. De werkelijkheid, zoals ‘wij die vinden’, is pseudo-eenvoudig! Juist ‘eenvoud’ is raadselachtig.

Anders kijken 
Die eenvoud begrijpen we niet. We stellen ons niet de goede vragen. We ‘zoeken’ (regel 3) eigenlijk niet meer écht. Als we denken dat wat we ‘vinden’, altijd is wat we ‘zoeken’ (regel 2-3), zijn we te gauw tevreden!
Het middel – ‘zoeken’ – en het doel ervan – ‘vinden’ – zijn omgedraaid. Niet in volgorde, maar in rangorde. Het gaat, volgens de dichter, niet om ‘vinden’, maar om ‘zoeken’. We stellen ons tevreden met ‘antwoorden’, terwijl de ‘vragen’ vaak niet de goede vragen waren! Het is een bijna wetenschappelijke houding: niet te gauw aannemen dat wat je dénkt te weten, ook waar is! Zelf observeren, alsof je voor het eerst de alledaagse dingen ziet, zelf oordelen, nauwlettend controleren. Dat levert de échte kennis op. In ‘De plek’, een van zijn bekendste gedichten, schreef Herman de Coninck:


Je moet niet alleen, om de plek te bereiken,
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.


(uit: Schoolslag,1994)


Nog een voorbeeld van ‘andersom’
Een conclusie vraagt deze analyse niet: er is niets ‘gevonden’. Daarom als slot een kort gedicht van K. Schippers. Het gaat uit van ongeveer ditzelfde idee: ‘onze kijk’ op de werkelijkheid, maar dan ‘op z’n kop’. Het is een ‘liefdesgedicht’. Het laat nog eens zien hoe je in poëzie raadsels construeert:


Liefdesgedicht

Jij hebt de dingen niet nodig
om te kunnen zien

De dingen hebben jou nodig
om gezien te kunnen worden


(uit: Een leeuwerik boven een weiland, 1980)

Hier zijn de vertrouwde relaties resoluut omgedraaid. Demonstratief tot in de parallelle vormen van de taal: ‘jij – de dingen’, ‘de dingen – ‘jou’, ‘niet nodig – nodig’, ‘zien – gezien worden’.
Poëzie kan je leren goed te kijken, beter te zien, in te zien, te doorzién. Alles ziet er dan ‘anders’ en ‘als nieuw’ uit! Je mag natuurlijk best iets ‘vinden’. Als de ‘vondst’ je er maar niet van weerhoudt om de – zogenaamd – bekende dingen altijd nieuwsgierig en kritisch te blijven observeren.

Geplaatst in Klassiekers.