Gedichten

De zee is paars bij Piraeus.

Een vlag kruipt uit de klokkentoren
als de wind draait.

Een man stapt over een hond.
Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

Op een smalle tak zit een duif
die erafvalt, fladdert en opnieuw gaat zitten
de bes die te ver op het uiteinde van de twijg zit
de tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.

Een meisje stapt in de metro met een bureaula.

Op het dikke zand aan de branding
schuift een visser horizontaal zijn hengel uit
een fiets staat naast hem op de standaard.

Hij staat wijdbeens alsof hij plast.
Vogelpootafdrukken in het zand.
De hengel kromt boven de zee.
 

In de storm van zo straks
raakt de weg onbegaanbaar

versperringen sluiten achter ons
mistlichten dimmen voor ons

een klein dakraam links
op de hoogte van de dijk

de figuur die daar zit
tikt met een vingerhoed op tafel

het kind draait in zijn slaap
de televisie speelt geluidloos

de hoek van de brandtrap
in het achterraam

ze legt de krant in de mand
steunt op de rugleuning

telt de tegels tot aan de mat
de kurkstrip tegen de deurpost

zingt binnensmonds
valt een gat in de sneeuw.
 

Als ik naar zee loop
kan ik twee kanten op

– uiteinden van een regel
leest ze langs haar wijsvinger mee
zie je, er staat best wel wat er staat

twee vingers en een duim strijken
als ik naar zee loop

het bergje in de handpalm
vingertoppen die korrels afnemen
het net aangebraden vlees insmeren

ik moet het in de hand houden
als het uit een potje komt
kan ik het niet voelen

wijst ze de leesrichting
prikt in het vlees

als ik naar zee loop
kan ik twee kanten op
strijken mijn vingers

zeef ik de zee.
 

Geplaatst in Gedichten.