Gedichten

Stroomlijn

Er waadt een vrouw in de rivier,
door water waar ze ieder woord verstaan
en drinken kan, de taal van uiterwaarden,
traag van de oever glijdend, op de
smalle handen wegend. Wat te zwaar
lijkt, glijdt haar door de vingers.

Ze streelt de kleine golfslagen, haar
voeten vinden de oeroude beddingen
als vroeger, voorvaders in armen
en krommingen, een ver familielid
met naam noch toenaam in het achterland.

Sporen van meer of minder, deel
en veelvoud nemen op haar tong
de vorm van voorgeslacht met nakroost aan:
de uitgesproken daden van voltooiing.

Oorlogsverklaring, heesheid en twijfel
vallen als windhoos uit de grauwe lucht
en slaan adem en water in elkaar.

Vijfduizend tinten grijs volgen haar stem
tussen zandbanken door naar zee. Het schemert.

Ze kust zich op de mond en zingt.
 

Krijt

Door avondmensen voortgestuwd in stegen
sta ik opeens bij Christus in het krijt
zoals hij ons door Dürer werd gegeven.

Uit zijn gezicht ligt kleingeld op de tegels
van haastige passanten met het hart
balkonhoog op de tong, het vocht
tussen de dijen, geestrijk op de lippen.

Ik volg zijn ogen langs de fiere treden
die leiden naar de plaats waar nu zijn woord
de drieëenheid van wierook, goud en mirre
ondergaat, zich zonder handen vindt.

De priesters van de liefde maken de fontein
van levend water tot een bron van leedvermaak.
De onvolwassen meisjes slaan ze aan de haak.
 

Hotel

Drie trappen op. De lift is neergestort.
Marmer rondom weerkaatst het zwoegen
van kaal gelopen voeten uit de straat.

De eetzaal, zoals elke dag bevolkt
door dode britse dichters en hun hertoginnen,
levend van dividend op rentevoet,
twee eeuwen roest op hun vermogen vastgezet.

Of ik Lord ** ken, slist uit de hoek
de Ahasveros met de overbeet, een rijtuig
overreed hem onweerlegbaar voor
het bankgebouw waar hij werd uitgeworpen.

Het donker in, denkend aan blijven dolen,
zoals het water de fonteinen uitgespuwd,
waar alle licht weer uit de vingers glipt.
 

Geplaatst in Gedichten.