Een leven als Gesamtkunstwerk

F. Starik is bij het grote publiek bekend geworden door zijn Eenzame Uitvaarten, een initiatief waarbij dichters van de Poule des Doods een gedicht voorlezen op de uitvaart van een eenzame overledene. Het is slechts een van de manieren waarop deze dichter, schrijver, beeldend kunstenaar, zanger en fotograaf van het alledaagse kunst maakt.
 
U schrijft al zeer lang. Uw eerste dichtbundel gaf u uit in eigen beheer. Was het voor u een noodzaak om dichter te worden?
Een jeugdzonde, ik was zestien. Het was me al vroeg duidelijk dat ik ‘artiest’ zou worden. In mijn ouderlijk huis werd des zondags naar een klassiek concert geluisterd. Daarbij werd absolute stilte in acht genomen. Mijn vader savoureerde het gebodene in zijn leunstoel, met gesloten ogen. Oude broer stond midden in de kamer en speelde dirigent. Jonge broer trok malle gezichten. Ik mocht van mama aan tafel zitten, een tekening maken, een verhaal schrijven. Daar verdween ik in, ik kwam terecht in wat met een modieus woord een flow genoemd wordt. Met enige overdrijving kun je stellen dat ik mijn leven in dienst heb gesteld van de poging die oorspronkelijke ervaring te herleven. Deze toestand kan men evenwel op veel verschillende manieren bereiken: schrijvend, lezend, zagend en timmerend, drinkend, zingend, in een donkere kamer, muziekmakend, luisterend, heel lief, liggend in bed, langzaam met uw geliefde pratend, zelfs boodschappendoend, mits men dit met volle aandacht doet. Alle middelen zijn geoorloofd. Ik zie mijn leven als Gesamtkunstwerk. En ik vind het een enorm geschenk dat ik dat mag doen. Dat ik daarvoor & daarvan kan leven. Dat maakt van mij een schandalig gelukkig en in veel opzichten ook bevoorrecht mens. Ik kan zomaar de tijd nemen om een halve dag lang een paar vragen te beantwoorden, die een zekere Maarten Gulden me stelde. Ik google die man even. In een paar minuten heb ik een beeld.

Hoe is uw poëzie in deze tijd veranderd en wat is er hetzelfde gebleven?
Mijn poëzie is voornamelijk veranderd door mijn ervaring als zanger van Willem Kloos Groep: harde muziek op tekst van dode dichters. De canon. Het heeft me geleerd hoe ongelofelijk goed een gedicht in elkaar kan zitten, dat taal voor alles een zingend instrument is. Dat ‘alles’ al gezegd is. Uiteindelijk is mijn poëzie voornamelijk preciezer geworden. Kleiner. Je moet dat ‘alles’ niet tegelijk willen zeggen. Je mag erop vertrouwen dat in het liefdevol geobserveerde detail het grote, het onzegbare, de afgrond, zich kenbaar baart. Noem het God. Maar benoem dat niet, niet zo.

Er stonden enkele foto’s van u in de bloemlezing Maximaal. Wat is uw verwantschap met de ideeën en idealen van De Maximalen?
Jaren tachtig. De opwinding in de stad, in de kunst: we zagen het niet terug in de poëzie. De grote greep, de synthese tussen vorm & vent. De punkmentaliteit. In de jaren voorafgaand aan Maximaal werkte ik op het kantoor van One World Poetry, een festival dat voornamelijk Amerikaanse beat-dichters programmeerde, ouwe hippies, en waar ik op een zij-podium af en toe en voor niks een avond met nieuwe dichters mocht programmeren. Vanuit dat kantoor organiseerde ik tourneetjes, onder de noemer H.J. van der BijL, met Koos Dalstra, die ons in zijn oude brandweerauto door het land reed, Jaap Blonk, Pieter Boskma, ik zou meer namen kunnen noemen maar dat voert in dit verband te ver, ik zou er eens een boek over moeten schrijven: Opa vertelt. Anyway. Naast One World Poetry was er niks dan het deftige Poetry International, met, althans toen, slaperig academisch getrut op de vierkante centimeter. De poëtische pendant van de Nieuwe Wilden ontbrak. Op de Rietveldacademie, waar ik een paar jaar voornamelijk in de kantine studeerde, zaten jongens als Maarten van der Ploeg, Peter Klashorst en Rob Scholte. Bandjes, kraakpanden, audiovisuele discotheken, feest. Koos Dalstra smeedde uiteindelijk met Maximaal! het driftig, vitalistisch verbond. Maximaal heeft de poëzie gered, jawel. Wij vonden de aansluiting met het postmoderne levensgevoel. Wij vonden de weg naar het heftig kloppende hart van de wereld terug. Inmiddels zat ik op de Rijksacademie, ik leerde om te werken, en ik ben er nooit meer mee opgehouden.
Er is geen beweging in de literatuurgeschiedenis geweest, en waarschijnlijk waren we de laatste beweging met een programma, die zo veel weerstand ontmoette, zo smadelijk door alle critici als betekenisloos in de hoek werd gezet, en die toch, vrijwel onmiddellijk, een datum werd, een datum in de poëzie. Dat mag zo langzaamaan wel eens erkend worden. Wij verdienen daar credits voor. Geweldig verhaal ook hoe die generatie uiteindelijk ontplofte, letterlijk, tot tweemaal toe. Dat is allemaal geschiedenis, mevrouw.

U bent ook erg bekend door de Eenzame uitvaarten. Wat zijn uw beweegredenen om dit te organiseren?
Als je de lijn vanuit de beeldende kunst doortrekt, wordt mijn werk bepaald door kernbegrippen als houding en identiteit, massaliteit versus anonimiteit. Daarbij kwam de machteloze ervaring van het overlijden & de bijna eenzame uitvaart van mijn vader. Met een groepje kunstenaars onderzochten we het fenomeen van de uitvaarvernieuwing, er gingen in mijn omgeving verschrikkelijk veel mensen dood, vrienden. Toen Bart FM Droog bij zijn installatie als stadsdichter in Groningen aankondigde in die hoedanigheid de eenzame doden in zijn stad te zullen bezingen, wist ik meteen: dat wil ik hier, in Amsterdam, ook. Bij gebrek aan een stadsdichter, en genomen de hoeveelheid eenzame doden die er hier te betreuren zijn, zo’n vijftien tot twintig per jaar, vergde dat wel enige organisatie. Het is een vorm van minimale beschaving, dat ook de vergetenen met de nodige egards worden weggebracht. En ik ben er trots op dat de ‘dichter van dienst’ een staand begrip is geworden, een ‘ingedaald’ cultuurgoed. In een aflevering van Baantjer werd ooit een stadsdichter opgevoerd die een tenenkrommend vers opzei, staande aan een eenzaam graf. De dichter werd door een acteur gespeeld: de tekst van zijn vers hadden de programmamakers zelf geknutseld.

Wat had u niet verwacht te zullen ervaren door deze Eenzame uitvaarten?
Toen ik er aan begon, voorzag ik niet dat het zo’n groot deel van mijn leven zou gaan innemen. In eerste instantie kreeg ik van het Amsterdamse Fonds voor de kunst geld om twintig eenzame uitvaarten te organiseren, verwachtte half en half dat het daarbij zou blijven, zoals dat met kunstprojecten dikwijls gaat. Maar het concept bleek te werken. Er kwam geld voor nog eens twintig uitvaarten. Toen het Fonds begon te sputteren dat men geen structurele ondersteuning mocht en kon bieden, hebben we doorgepakt met een Stichting, die tamelijk probleemloos voldoende fondsen werft om de dichters voor hun dienst te betalen, wat ik een essentieel uitgangspunt vindt: er wordt geen liefdadigheid bedreven, maar een uitstekend gedicht geschreven, het is gewoon werk, maar dit terzijde. Wat ik dus in aanvang niet verwachtte is dat ik – en sommige van de dichters met wie ik werk – er zo lang mee door zouden gaan. Anneke Brassinga zei eens dat ze het schrijven van eenzame uitvaartgedichten als een life-time-commitment beschouwt, en ik geloof dat ik dat ook zo ben gaan zien. De eerste jaren dacht ik nog wel: dit kan niet gezond zijn, zoveel dood, na twintig, vijftig exemplaren houd ik ermee op, moet iemand anders het maar eens gaan doen. Honderd dan. Maar je vergroeit er mee, het gaat bij je leven horen.

Wat is voor u de verhouding tussen performance en tekst?
Er is geloof ik helemaal geen verhouding, al is het zeker zo dat sommige gedichten zich aanzienlijk beter lenen om voorgedragen te worden dan andere. Alle gedichten die ik schrijf, mompel ik al schrijvend mee, moet ik hardop aan mezelf voorlezen om te weten of het klopt.
Doorgaans zit in een goedgeschreven tekst de ‘performance’ al opgesloten, de toon, de muziek. Ik vind het een rotwoord, performance, het ruikt naar de jaren zestig.

Wanneer is iets muziek en wanneer is iets poëzie?
Een gedicht kun je doorgaans wel zingen, maar daarmee is niet gezegd dat je een lied kunt lezen. Mulisch heeft al opgemerkt dat het geen zin heeft een drol op te eten in de verwachting een mooi brood te schijten.

U bent ook fotograaf. Heeft poëzie in uw ogen eerder een verwantschap met het beeld of het ritme?
Ik heb mijn camera de laatste jaren niet meer aangeraakt, met het oogmerk een ‘kunstfoto’ te maken. Toch noem ik mij nog wel kunstenaar. Je kunt de eenzame uitvaart bijvoorbeeld ook als een sociale sculptuur opvatten, als een langzaam kunstwerk ‘waarbij iedere dode een nieuw hoofdstuk schrijft in het grote boek van de vergetelheid’, hoort daar dan achter te staan. Veel gedichten vertrekken uit iets wat je hebt gezien, en je in dat zien heeft aangeraakt, dat als een mentale foto in je hoofd is opgeslagen. Een goede zin heeft altijd ritme, anders is het geen goede zin. Begrijp me goed, dat hoeft geen dreun te zijn, je mag best een syncope slaan.

Vaak zie je bij dichters dat ze zich in meerdere disciplines bekwamen. Maar bijna nooit zie je deze eigenschappen in een persoon zo in elkaar overvloeien als bij u. Kunt u dit onderschrijven en eventueel verklaren?
Het gaat allemaal vanzelf. Er is geen plan, er ligt geen wilsbeschikking aan ten grondslag. Het gebeurt maar zo’n beetje. Op een gegeven moment merk je, goh, ik heb het afgelopen jaar eigenlijk voornamelijk gedichten geschreven, en daarmee opgetreden. Al doe ik natuurlijk altijd een hoop dingen overal tussendoor, omdat ‘de schoorsteen moet roken’. Ik laat me leiden door wat zich aandient, en wat daar dan weer uit voortkomt. De weg wijst zichzelf. Ik ben een vrijgevestigd kunstenaar, ik mag alles doen wat me interessant lijkt en – niet onbelangrijk – wat ik voor elkaar kan krijgen. Als ik vandaag zin heb om een paar eenvoudige vragen van een heel lang antwoord te voorzien, dan maak ik een heel lang antwoord, ook al komt daar de naam van iemand anders onder te staan.

Wanneer kunnen we iets verwachten van het initiatief Duizenddichters?
Ik weet het niet. Ik heb duizenddichters al in 2003 bedacht, min of meer als teweerstelling tegen de verongelijkte Fortuyn-hype, de stem van het ontevreden volk, wilde een – alweer! – ‘mentale foto’ maken van wat dat ‘volk’ daadwerkelijk beweegt, maar dan dieper geboord. Ik heb het in Amsterdam geprobeerd op te zetten, nadat Crossing Border terugverhuisde naar Den Haag. Later hebben we het in Utrecht voorgesteld, en afgelopen jaar weer in Amsterdam, nu in samenwerking met het Weerwoordfestival en Paradiso. We kregen telkens wel veel, maar niet genoeg geld bij elkaar. Het is natuurlijk ook een idioot kostbaar en logistiek ingewikkeld project. Riskant. Zoiets heeft alleen zin als het heel goed gedaan wordt. Ik heb het er voorlopig even mee gehad. Misschien is het momentum voor zo’n festival al voorbij. Maar zeg nooit nooit: er ligt een aardig bedrag aan toegezegde fondsen klaar, er is een doortimmerd marketingplan, het blijft een mogelijkheid. De website www.duizenddichters.nl bewaren we gewoon. Het schijnt dat een of andere oliesheik vergelijkbare plannnen heeft. Het kan zomaar gebeuren.

Wat wilt u met dit project bereiken en gaat u dat bewerkstelligen?
Het concept is simpel: 1 podium, 18 uur lang, 1000 dichters, ieder 1 rijschoolminuut spreektijd. Dat lijkt kort, maar het op rustige toon uitspreken van een sonnet vergt zo’n veertig seconden. Die dichters worden van elkaar gescheiden door 1000 beeldende, theatrale en muzikale interventies van enkele seconden. Waar je bij een regulier festival doorgaans uit een groot aanbod tegelijkertijd moet kiezen, heeft de dichter hier voor die ene minuut de volledige aandacht van het volledige publiek. Wat je ermee bereikt: je toont er de levende kracht van de poëzie mee aan, je relativeert het deelnemende ego in een nadrukkelijk niet-hiërarchische omgeving, je houdt er een boek aan over met van iedere deelnemende dichter een gedicht: een soort omgekeerde Komrij. Je hoeft geen groot dichter te zijn om tenminste één goed gedicht te schrijven. Wanneer ben je eigenlijk een dichter? Er zijn zo’n zevenhonderd optredende danwel publicerende dichters in Nederland, daarvan zou toch zeker de helft moeten meewerken, gebroederlijk en gezusterlijk naast een fractie van de miljoen ladedichters die ons land rijk schijnt te zijn. It’s all in the mix. Maar ook: een hilarische kakafonie, een Gesamtkunstwerk scheppen van een wereld waarin iedereen wil worden gehoord, waar niemand meer luistert. Daartegenover je houding bepalen: tussen het eindeloos gekakel precies jouw ding weten neer te zetten, die uitdaging. Massaliteit, anonimiteit, identiteit, precies de kernbegrippen die ik overhoud als ik samengevat iets over mijn kunst moet zeggen.
Overigens ben ik nu met een voorlopig nog geheim project bezig dat nog veel meer reuring gaat bewerkstelligen. Wacht maar af.

In maart verschijnt de roman De Gastspeler. In hoeverre beïnvloedt uw dichterschap u bij het schrijven van proza?
Prozaschrijven werkt als proces bij mij de andere kant op dan het schrijven van poëzie. Waar een gedicht de neiging heeft te krimpen, woekert proza verschrikkelijk uit. Zeven keer opnieuw begint de wat schuwe, wereldvreemde verteller, zo’n man die overal een mening over heeft, een mening die eigenlijk nergens op gebaseerd is, te kletsen. Die man loopt helemaal leeg en verdrinkt daarin, moet telkens amechtig opnieuw beginnen. In die zin is het boek een stijloefening in de geest van Queneau, een nihilistische anti-roman. De bijna naamloze hoofdpersoon kijkt naar De Gouden Kooi en probeert zich te verhouden met zijn onmiddellijke omgeving. Een Malte Laurids Brigge voor de éénentwintigste eeuw. Maar het is vooral een boek om ontzettend mee te lachen. Er staat een afzichtelijke hoop baarlijke nonsens in. Het lijkt me duidelijk het werk van een dichter. Ik zal er niet stil van kunnen gaan leven, vermoedelijk. Op het weblog op mijn website kunt u overigens lezen, in een bericht gedateerd 13 december, hoe ik dat zou doen, stil leven.

Wanneer kunnen we weer een nieuwe dichtbundel van u verwachten?
Begin januari lever ik de roman in, daarop aansluitend hoop ik de nagelaten gedichten van Aard Jan Quaak te bezorgen, wiens postume bundel dan in september 2009 moet verschijnen, dan rekenen we voor mijn volgende bundel, Victoria, die voor driekwart klaar is, op eind 2009, begin 2010. Voor wie niet zolang kan wachten: in het januarinummer van De Gids staan alvast een paar gedichten uit de komende bundel, en ook Het Liegend Konijn zal een keuze uit de bundel voorpubliceren. En dan krijgt u er hier, alsof het allemaal nog niet genoeg is, nog eens drie aangeboden.

Geplaatst in Interviews.