Juan Manuel Roca – Een standbeeld voor Niemand

Nieuwe uitgaven van In de Knipscheer

door Joop Leibbrand

De Haarlemse uitgever In de Knipscheer werkt sinds jaar en dag aan de opbouw van een veelkleurig poëziefonds dat behalve aan het werk van Nederlandse dichters als Chawwa Wijnberg en Klaas de Jager onderdak biedt aan poëzie van Spaans-Amerikaanse, Surinaamse, Antilliaanse en zelfs Molukse origine.

Van Henry Habibe, die tot dusver zijn poëzie in het Papiaments publiceerde, verscheen, met een lovend voorwoord van Frank Martinus Arion, Vulkanisch samenzijn, zijn eerste direct in het Nederlands geschreven bundel. Al is het qua omvang een bescheiden werkje (één cyclus van zeventien gedichten), uit thematiek en tekstbehandeling spreekt de ambitie op een unieke wijze vorm te willen geven aan een doorleefde ervaring, in dit geval de verwerking van een verbroken liefdesrelatie. De intensiteit waarmee dat gebeurt is on-Nederlands en kan gemakkelijk worden afgedaan als pathetisch, ook al door het kosmische kader waarbinnen de gedichten geplaatst worden. De eerste regels van de bundel luiden ‘Het tuimelen langs de melkweg / kwam tot stilstand’ en dat zet een proces in werking waarin de ik-figuur de geliefde tot godinnenproporties opblaast en zichzelf geen grote emotie ontzegt: ‘hartstocht, hemelse smart, / mijn dromen sierlijk doorklievend, / zó ben je…’ De geliefde is alles tegelijk: witte roos, regenboog, een golvende zee, maan en sterren, maar ook vlinder en gazel – natuur en bovennatuur ineen, en de ik geeft er zich aan over, wil zich er totaal in verliezen.

Rond en bollig
de maan
toen je mijn droom
betrad

Hunkerend
naar een tropisch
bloedbruiloft
kuste je mijn cellen

Uit mijn ribben schoten
de vleugels
van een grote vampier

Met de dood op mijn tong
doorkliefde ik jouw wezen
en de maan baarde sterren
uiteenspattend als vuurpijl

Het zou geen moeite kosten deze poëzie te ridiculiseren, maar de gezwollenheid van de taal bezit een warmbloedige oprechtheid die je toch voor Habibe gewonnen geeft:

[…]
Had jij me niet
de kus van de maan aangereikt
hadden je dichte ogen
het geluk niet in mij gekerfd
was jij niet via mijn poriën
mijn ziel binnengeslopen
dan was ik vanavond niet
met jou de hele wereld afgereisd

Henry Habibe (Aruba, 1940) studeerde Spaanse taal- en letterkunde in Nijmegen en Leiden, waar hij in1985 promoveerde op een studie over het sociaal engagement in Afro-Cubaanse en Porto Ricaanse poëzie. Van 1983 tot 1990 was hij verbonden aan het Instituto Lingwístiko Antiyano op Curaçao. Habibe is lid van de adviesraad van de Werkgroep Caraïbische Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
Als dichter heeft heeft hij drie bundels in het Papiaments op zijn naam staan: Aurora (1968), Keresentenchi (1980) en Yiu di Tera (1985).

Henry Habibe – Vulkanisch samenzijn
2008; 32 blz. € 12,50
ISBN 978-90-6265-6363

*****

Raj Mohan schreef de dertig gedichten uit zijn bundel Bapauti / Erfenis oorspronkelijk in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse en Nederlandse Hindostanen. Duizenden Noord-Indiase dorpelingen kwamen rond 1900 in Suriname als contractarbeider werken, bleven daar na afloop van hun contract en kwamen generaties later naar Nederland, zodat deze groep inmiddels wordt bepaald door drie verschillende culturen. Dit is Mohans ‘erfenis’:

erfenis

de schaduw van mijn voorouders
heb ik met zorg verzonken
in het stromende water
van Banáras
langs een oude badplaats
in de schoot van Moeder Ganges

slijk van Suriname
vastgekleefd aan mijn voetzolen
laat nog steeds sporen achter
op de glanzende straattegels
van Holland

bij elke stap

Nederland is het nieuwe thuisland, maar wie zijn wortels elders heeft, ervaart niet anders dan een fundamentele vervreemding. Het gevoel ontheemd te zijn en geïsoleerd te staan, wordt krachtig verwoord in ‘gewoonte’:

gewoonte

het zal wel wennen, zegt iedereen
maar niemand zegt wanneer

kou, vreselijke kou
en rook uit de mond
alsof er ergens in mijn lichaam
een brand woedt
geen enkel blad aan de bomen
al het water hard als steen
als je naar buiten kijkt
is het leven dood

het zal wel wennen, zegt iedereen
maar niemand zegt wanneer

Bapauti / Erfenis is een gevarieerde bundel. Mohan schrijft over ‘zware’ onderwerpen als immigratie en de contractarbeid op de suikerrietplantages, incest en vrouwenonderdrukking binnen de Hindostaanse en Indiase samenleving, maar ook over jeugdherinneringen, liefde en ouderdom. Hij doet dat beheerst en helder en soms verrassend teder, zoals in ‘moeder’:

moeder

kom moeder
laten we samen
je oude verdriet
met offerbloemen
van gisteren
vastknopen

deze toewijden
aan de boezem van de zee

en kijken
of ook zij die pijn
zolang kunnen verdragen

Voor Nederlandse lezers heeft de tweetaligheid van de bundel geen meerwaarde, omdat het Sarnámi, volstrekt ondoordringbaar is. Voor de Hindostanen in Nederland en Suriname geldt dat uiteraard niet, en die zullen graag instemmen met wat Mohan expliciet over hun taal schrijft:

mijn taal

[…]
waarom lig je toch ziek o, taal
waarom ween je in het donker
ze spotten met je voor de grap
en stappen nog steeds over je heen

roep je volk in de arena
wees niet bevreesd, ik sta achter je
open je boek met je levensverhaal
was weg het roet van je gelaat
druk aan je borst liederen en gedichten
laat je mond liefdesgezangen horen
dan zal er een dag oprijzen Sarnámi
en jouw volk jou op zijn hoofd
zal dragen

Overtuigend, ondanks dat ongrammaticale slot.
Raj Mohan (Suriname, 1962) studeerde muziek in Amsterdam en in Mumbai in de school van Ravi Shankar en maakt al decennia naam als zanger/muzikant en componist van zijn op deze traditie geïnspireerde cross-over muziek. Hij treedt afwisselend op met zijn bands Vistar, Raj Mohan Ensemble en Shai’rana. Bapauti / Erfenis is een literaire uitwerking van Mohans cd Kantráki / Contract Labourer.
Mohan maakte de Nederlandse vertaling van zijn poëzie samen met de Surinaamse dichter Shrinivasi.

Raj Mohan – Bapauti / Erfenis
2008; 80 blz.; € 16,90
ISBN 978-90-6265-599-1

*****

Op’ a batra / Open die fles van John Leefmans is eveneens een tweetalige bundel, en ook hier is het Nederlands een eigen vertaling, en wel uit het Sranan. Het moet beschouwd worden als een bewuste poging tot ‘verheffing en verdieping’ van een taal die bij de tweede generatie immigranten in Nederland dreigt te verworden tot een plat Bijlmer-Bargoens. Dat Leefmans wat dat betreft een missie heeft, blijkt al meteen uit het programmatische openingsgedicht, dat een opdracht aan de lezer is:

open die fles

Open die fles, doe die fles open;
doe haar open en laat de geest vrij
als stoom, als water er uit lopen;
op je schouder zit ik er bij.

[…]

Was je tot gedichten nooit eerder doorgedrongen,
dan lees ik met je mee, voor deze enkele keer.
Heeft je hart nooit nog als ‘n dronkenman gezongen,
maak kennis met het spook dat de harten drinken leert.

Open de fles en laat hem eruit:
hij zal op jouw schouder zitten.

In Op’ a batra / Open die fles staan haiku’s, balladen, een ode aan e.e.cummings en poëzie waarin La Fontaine, Guy Béart, François Villon, T. S. Elliot, Lewis Carroll en de Japanner Issa doorklinken. De onmiskenbaar Surinaamse gedichten zijn ongetwijfeld de beste; het lezen ervan is ondergedompeld worden in een vaak overweldigend taalbad, zodanig dat slappe en wat gemakzuchtige passages er niet toe schijnen te doen. De lezer moet zich op een stroom laten meevoeren en als die af en toe wat brak voortkabbelt, is dat alleen maar om vervolgens des te heviger te bruisen.

zoeken is vinden; vinden is dragen

In de tijden van zuurstokken en peredrups,
toen ik niet wist hoe kokosmelk komt in de kokosnoot;
toen ik de koffiemama alleen beklom om mijn vlieger te bevrijden;
toen wij onze eigen bananen plachten te planten;
de tijd toen grote mensen lachten dat de grote mispel lekker smaakt;
toen grote mannen zeiden dat zou komen de goede tijd,
wanneer zij het land zouden hebben bevrijd;

in die tijd wenste ik hooguit een bakkeljauwschotel;
een gebakken banaan misschien, hoe gespikkeld ook;
iets op mijn rijst, hoe sober ook misschien.

Maar toen de tijd gekomen was, aten wij tot vervelens
bittere komkommer; er was alleen rauwe bittere tomaat,
bittere cassave, en rauw, rauw bitterkruid.

[…]

Sterk zijn de vele liefdesgedichten, die soms vrolijk, soms ‘ondeugend’ zijn (van erotiek is geen sprake) en vaak een weemoedige ondertoon hebben, vooral als het jeugdherinneringen betreft. Het vijf bladzijden tellende ‘liefdeslied’ over het onoverkomelijke verschil tussen wie licht en wie donker van huid is, wel of niet blootsvoets gaat, aan deze of de andere kant van de rivier woont, is een van de hoogtepunten van de bundel. Regelmatig toont Leefmans ook zijn geëngageerde kant ‘om al die berichten uit Sranan die het hart doorboren’, ‘om ieder verhaal uit Sranan dat de ziel verwondt’, ‘door al het nieuws van ‘t land dat ons afbreekt tot de grond.’ Vandaar:

zou jij je beledigd voelen?

Zou jij je beledigd voelen als ik zeg dat we dommeriken zijn?
Maar hoeveel jaren hebben onze leiders niet geroffeld op de trommen,
kakelend dat de aap zou springen, zou rennen , zou vliegen,
als hij eerst maar vrij zou zijn. maar toen hij eenmaal vrij was,
leek hij meer een luiaard: hij bleef liggen waar hij lag.
(Dacht hij dat God niet alleen de zon, maar ook het eten gaf?)
Als ik ons dom noem, zul jij dan beledigd zijn?

De aanklacht tegen deze laakbare, domme mentaliteit gaat zeven strofen door, maar Leefmans weet dat hij helaas grotendeels voor dovemansoren spreekt. Hij eindigt dan ook met ‘Wel, als je het erg vind[t], je bloost, bent gepikeerd, / dan zeg ik niets vriend; dat wij dom zijn heb ik nimmer beweerd.’

John Leefmans (1933) verliet Suriname op 15-jarige leeftijd. Hij maakte carrière als Nederlands diplomaat (hij was o.a. consul-generaal in Chili en ambassadeur in Ecuador en in diverse staten in het Caraïbisch gebied en in Afrika) en woont sinds 1995 weer definitief in Nederland. Hij is secretaris van het Surinaamse Forum, voorzitter van de stichting Surinaams Muziek Collectief en lid van de redactieraad van OSO, tijdschrift van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek.
In 1981 verscheen zijn eerste dichtbundel Intro onder het pseudoniem Jo Löffel. In 2001 kwam onder eigen naam Retro uit. Hij nam in 2000 deel aan Poetry International en vertaalde poëzie van onder meer Jules Deelder in het Sranan. John Leefmans was een van de dichters die bijdroeg aan de herdenkingsuitgave Verbonden door vrijheid t.g.v. de onthulling van het Nationaal Monument Slavernijverleden op 1 juli 2002. Werk uit Retro werd gekozen in De honderd beste gedichten van 2001 en werd opgenomen in de 2004-editie van ‘de dikke Komrij’.

John Leefmans – Op’a batra / Open die fles
2009; 120 blz.; € 18,50
ISBN 978-90-6265-637-0

*****

De Colombiaan Juan Manuel Roca (Medellín, 1946) was een van de dichters aan wie Poetry International 2008 aandacht besteedde en eerder al publiceerde De Brakke Hond (nr. 95, 2007) zeven gedichten van hem. Het was te beschouwen als een introductie van de bundel Een standbeeld voor Niemand, de vertaling door Stefaan van den Bremt van het in 2006 verschenen Las hipótesis de Nadie, waarvoor Roca de Colombiaanse staatsprijs voor poëzie kreeg toegekend.
Volgens Van den Bremt is dichter, essayist, schrijver en journalist Roca in eigen land uitgegroeid tot een nieuwe nationale beroemdheid. Hij is een van de meest gebloemleesde dichters van Colombia, grossiert in prijzen en ontving in 1997 een eredoctoraat in de literatuur aan de Universidad del Valle. In alle informatie die over hem te vinden is, wordt telkens benadrukt dat hij behoort tot de ‘generación del desarraigo’, de ‘ontgoochelde’ generatie Colombiaanse dichters die debuteerden in de jaren zeventig van de vorige eeuw toen het sociale en politieke klimaat in Colombia in toenemende mate werd bepaald door het niets ontziende geweld van de drugsmaffia en linkse guerrillabewegingen. Het bracht Roca ertoe zich af te keren van pure, in feite nietszeggende woordkunst en zich te richten op een sterk humanitaire beschouwing van mens en wereld, in een voortdurende poging de essentie van leven, van bestaan te verwoorden.
De titel van de bundel en de titels die de drie afdelingen meekrijgen – ‘Hypothesen omtrent Niemand’, ‘Dagboek van een ruïnebouwer,’ ‘Gaten in het water’ – , wijzen op wat Roca als die kern ziet: leegte, afwezigheid, voorbijgaan, dus juist het ontbreken van een vaste kern. Vandaar: ‘Het ene grote thema van mijn poëzie is: de tijd.’

Hypothesen omtrent Niemand

Het kan de wind zijn.
Het onbeschreven blad. Kan zijn.
Het kan degene zijn die gaandeweg
Door de regen wordt weggeveegd.
Nu moet ik aan een blinde denken
In Freiburg toen het zachtjes schemerde.
Hij liep alleen door de sneeuw
Met een verzaligde glimlach
En een stok zo wit als sneeuwvlokken.
Hij liep langs me en zag me niet:
Ik was zijn Niemand,
Een spook in dat helwitte rijk.
Het kan gebeuren dat wij
Niemands blinden zijn.
Niemand is misschien de wind
[…]
Het kan degene zijn die nooit geweest is,
Degene die nooit zal zijn,
Degene die het moe geworden is te zijn geweest.
[…]

Dat je zou worden wie je bent in de confrontatie met, in het gezien worden door de ander, wordt bij Roca een balanceren op de grens tussen bestaan en niet bestaan. Wie noch de ander ziet en noch door de ander gezien wordt, zingt zo zijn eigen stille wijsje:

A capella

Hij zingt langzame wijsjes
Met klokken
Zonder klepel
En trommels
Van karton.

De deuren
Gaan open en toe.
Misschien komt
Het applaus van de wind,
Zijn zwijgzame getuige.

Je komt en je gaat, blijft onopgemerkt, geen spoor laat je na, niet eens een rimpeling in de tijd. Als lezer van deze poëzie moet je de gedisponeerdheid hebben met die sombere levensvisie in te stemmen, maar er ook de onderhuidse opgewekte levensmoed in te ervaren. Onderschat nooit de levenswil van pessimisten, want de bezinning op ‘de stof’ waaruit afwezigheid bestaat, vereist een sterke presentie: ‘Ik ben een kathedraal waar gelovigen binnenstromen / En in alle hoeken huist de god der leegten.’ Alles gaat voorbij, wie ooit veelbelovend was, boetseert nu ‘de volumes van het niets’, de dichter, ‘een man van het woord’ weet: ‘Van het woord ijs rest niet eens het woord water.’ Maar juist met dat besef laat zich een gedicht schrijven als ‘De vaarwelrock’:

En zullen al die dansers op de dansvloer
Sterven? Yeah!
En zullen de barbaren die niet toekomen
Aan het gedicht van de Griek, sterven? Oh, yeah!
[…]
En alle dichters de opgeblazen kikkers de zuivere
De verliefde de plechtstatige de luizige
Alle aanstellerige en hovaardige dichters,
Zullen ze sterven? Yeah! Driewerf yeah!

Een standbeeld voor Niemand is een standbeeld voor Roca, voor de vertaler, voor de poëzie. Een bundel waar je heerlijk van opknapt.

Juan Manuel Roca – Een standbeeld voor Niemand
2008; 104 blz.; € 18,80
ISBN 978-90-6265-632-5

 

Geplaatst in Recensies.