De vrijheid van de losgebroken hond

Hans van Willigenburg is journalist, tekstschrijver, docent, radiopresentator en dichter. Hij schreef artikelen voor onder meer De Volkskrant en De Groene Amsterdammer. Hollands Maandblad, Maatstaf, Krakatau en De Brakke Hond publiceerden verhalen en gedichten. In 2008 debuteerde hij als dichter met Objectief verzuipen. Onlangs verscheen zijn tweede dichtbundel, De functie van Finland.

Foto: Willem de Roon

 

Objectief verzuipen en De functie van Finland. Waarom heeft u voor deze titels gekozen?
Ik zou er zelf nieuwsgierig van worden. Ze zijn tot op zekere hoogte ‘leeg’, maar dat is juist goed. Niets erger, wat mij betreft, dan een titel die zwanger is van betekenis, en die alle gedichten in een bundel poogt uit te drukken. Voor mijn gevoel zit in beide titels een flinke dosis humor. Je proeft: dit is een dichter die speelt, niet eentje die ‘het zijn’ gaat betasten, of zoiets. Die lichtheid, die humor vind ik belangrijk…

Waarom bent u poëzie gaan schrijven?
Daar heb ik bij de presentatie van mijn eerste bundel min of meer officieel verantwoording over afgelegd. Met een speech waarin ik het schrijven van een artikel vergeleek met het timmeren van een hondenhok. En het schrijven van poëzie als de vrijheid van de losgebroken hond. Het leuke is: sinds ik rondren in de poëzie, heeft het timmeren van een hondenhok weer aan aantrekkelijkheid gewonnen. Ik zie poëzie als het even prachtige als geheimzinnige halfbroertje of -zusje van andere kunstvormen en disciplines: muziek, filosofie, theologie, beeldende kunst, film, journalistiek. Voor veel poëzieliefhebbers is dit vloeken in de kerk. Jammer dan. Met poëzie als autonome kunstvorm heb ik weinig of niets.

Wat kunt u in de poëzie kwijt dat u niet kwijt kunt in de journalistiek?
Journalistiek klampt zich – steeds wanhopiger, lijkt het wel – vast aan logica, aan ethiek, aan een vorm van schijnrationaliteit. Dat loslaten, vind ik – ik  zei het al -– ‘bevrijdend’. Waar je de intuïtie in de journalistiek steevast inkapselt met redeneringen, voorbeelden en citaten, kun je haar in poëzie in al haar naaktheid tonen. Ook al realiseer ik me dat de redeneringen, voorbeelden en citaten via de achterdeur weer mijn poëzie binnendringen. Dat laat ik ruimhartig toe. De angst dat het daardoor te veel op journalistiek gaat lijken, ken ik niet. Misschien ligt daar een zwak punt. Zou kunnen.

Welk effect hoopt u dat uw poëzie heeft?
Een lezer mag mijn poëzie gewoon consumeren. Graag zelfs! Ik heb geen boodschap of loutering of inzicht dat ik nodig met de lezer wil delen. Het effect dat ik nastreef is dus vooral: dat lezers mijn werk met genoegen lezen. Verder zou ik het ‘cool’ vinden als mensen via mijn gedichten ontdekken dat poëzie geen morsdode steen is, maar een soort dynamische luchtstroom die achter onverwachte hoekjes van de realiteit kruipt.

Waarom houdt u een weblog bij?
Omdat ik daar plezier aan beleef. En omdat het een interessante mengvorm is van objectieve journalistiek en subjectieve opinie. Als poëzie een halfbroertje of halfzusje is, dan is het weblog een halfhalf-broertje of zusje. Genetisch een vreselijke bastaard, dus. Lékker!

Op uw weblog stond een oproep om de poëzie van onze Sylvie Marie te lezen. Wat trekt u aan in haar poëzie?
Ik vind  haar poëzie exotisch. Vreemd. Maar kennelijk op een manier die toch herkenbaar voor mij is en me aanspreekt. Ik heb het op mijn weblog omschreven als poëzie die gevoelsmatig voorafgaat aan de wereld, de reële wereld. Sylvie Marie lijkt zicht te hebben op de emoties achter de emoties. En heeft het talent dat voorwereldlijke web van emoties in prachtige, meestal kale beelden vorm te geven. Misschien moet ik gewoon zeggen: ik ben steenjaloers!

Welke poëzie vindt u dat er gelezen moet worden?
Als ik dan tóch mag pushen: lees meer oppervlakkige poëzie, mensen! Neem Nico Dijkshoorn. Af en toe geniaal. Oppervlakkigheid is misschien wel de zwaarst onderschatte emotie in de poëzie. Daar moet ik eigenlijk eens een vlammend pamflet aan wijden.

Is er ook poëzie die niet gelezen moet worden?
Natuurlijk niet. Dat ik bepaalde poëzie stom, saai en vervelend vind, kan ik tijdens mijn beste dagen, op mijn weblog bijvoorbeeld, op een inspirerende en amusante manier uitleggen. Maar dan nog hoeft niemand zich daar iets van aan te trekken. Liever niet.

Hoe belangrijk is taal voor u?
Steeds belangrijker. In mijn beginjaren als journalist gebruikte ik de taal met de verfijning van een vorkheftruck. Nu ervaar ik steeds scherper dat elk woord een eigen kant op wil, en geef ik daar met graagte aan toe.

Heeft het feit dat u Rotterdammer bent invloed op uw poëzie?
Rotterdam is mijn decor. Ik heb er mijn kantoor. Het onaffe karakter van de stad spreekt me aan. Het gevoel dat om de hoek een andere werkelijkheid kan beginnen, is spannend. Maar ook deze sensatie is weer nauw verbonden met mijn journalistieke ambacht. Voor de goede orde: van geboorte ben ik Utrechter. En mijn huidige woning staat vlak buiten Rotterdam.

Welke invloed hebben de nieuwe media op uw poëzie?
Ik zou nu dolgraag losbarsten in een geleerde verhandeling over crossmediale invloeden op mijn poëzie, maar zo’n oplichter ben ik niet. Als ik kijk naar dichters die mij inspireren – Bukowski, Milosz, Pessoa, Tellegen, Duinker, Wijnberg, om er een paar te noemen – dan denk ik dat hun poëzie een eigenheid heeft, een volstrekt authentiek stempel, waar interactieve media alleen maar afbreuk aan kunnen doen. Ach, hoe vreselijk suf dat ik moet eindigen met de constatering dat ik in dat opzicht een ‘romantische traditionalist’ ben. Het zij zo.

Geplaatst in Interviews.