Armando – Gedichten 2009

Het einde nadert

door Joop Leibbrand

Tien jaar na de Verzamelde gedichten is er voor het eerst een bundel nieuwe gedichten van de op 18 september 2009 tachtig jaar geworden Armando. In de afgelopen periode verschenen er wel veel proza-uitgaven: verzameld proza in 2003 onder de titel Schoonheid is niet pluis, ultrakorte verhalen in De haperende schepping (2003), Nee (2008), Het wel en wee (2005), Gedoe (2006), Soms (2007) en Eindelijk (2009). In 2009 verschenen ook nog de bundel Dierenpraat en andere dierverhalen en onder de titel Berlijn een keuze door Trudie Favié uit de vermaarde Berlijn-observaties. Goed dat die ooit in NRC Handelsblad verschenen stukken voor hedendaagse lezers weer verkrijgbaar zijn.

In het oorspronkelijke, in 1982 verschenen Berlijn stelde Armando, die zich misschien toen al oud en in zeker opzicht een overleefde voelde, zich als volgt aan de lezer voor:

‘Voor de onwetenden, de veel te velen: Armando begon in de eerste helft van de zeventiger jaren reeksen schilderijen en tekeningen te maken, die hij “schuldig landschap” noemde. Een schuldig landschap noemde hij een landschap dat heeft zien gebeuren, want in landschappen, in de schone natuur, vinden vaak de afgrijselijkste opvoeringen plaats. Veldslagen. Sluipmoorden. Man tegen man. Aanleg en onderhoud van de kampementen. Barakken. Plekken ter kwelling van weerloze schepsels.
Voornoemd landschap heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, is zelfs zo schaamteloos geweest om gewoon door te groeien, het is een schande, ik raak er niet over uitgesproken. De confrontatie natuur-cultuur is een onbarmhartig gebeuren, gaat met pijn gepaard, geloof dat maar.
Jaja, ik weet wel, het is zinloos om de natuur schuldig te noemen, maar kunst is ook zinloos, daarom is kunst zo onontbeerlijk. En gewetenloos. Sinngebung des Sinnlosen.’

Al weet Armando als geen ander dat ‘het leven voor een groot deel uit het maken van onjuiste opmerkingen [bestaat]’, hij cultiveert de waarheid dat mensen niet van de geschiedenis leren, ‘ze kijken wel uit’. ‘U bent goed op de hoogte’, spreekt hij zichzelf toe. ‘Ja, jammer.’

Gedichten 2009 bevat precies honderd gedichten. Ze tellen gemiddeld acht regels, verdeeld in twee of drie strofen met één, hoogstens twee woorden (lidwoord plus zelfstandig naamwoord) als titel. Het titelwoord is bijna altijd een tamelijk willekeurig gekozen woord uit het gedicht, in ruim een derde van de gedichten afkomstig uit de laatste regel, opvallend vaak is het zelfs het laatste woord.
Kernwoorden in deze poëzie zijn licht, verschrikking, einde, dood, voorbij, verdwijnen, het kwaad, strijd, woede, afgrond, schuld, wanhoop, argwaan. Ze bepalen de sfeer, die er consistent een is van vergeefsheid, van ‘zonder genade’ zijn, van een ondefinieerbare bedreiging die ergens beraamd wordt en die slechts hulpeloos, maar met een vervreemdende monterheid kan worden afgewacht.

Het eerste gedicht van de bundel zet meteen de toon:

Licht

Terwijl het licht zich probeert te
ontvouwen, is de stad opstandig,
de verschrikking heeft zichzelf overleefd,
het einde nadert de onderdanen,
nadert de onontkoombaarheid.

Het grillige licht wil bezitten,
wil veinzen,
maar het licht is machteloos,
het licht is ontmanteld.

Het einde nadert, onontkoombaar gaat in niet aflatende verschrikking de wereld op zwart en de machteloze ‘onderdanen’ zullen slachtoffer zijn. Van wie? De verantwoordelijken, de schuldigen, kunnen in het wereldbeeld van Armando alleen de ‘machthebbers’ zijn, want “Feindbeobachtung – ‘doe ik dat ook niet elders, doe ik dat niet altijd?'”

Wie snel naar het eind van de bundel bladert om te zien of Armando daadwerkelijk het einde van het aardse menselijk bestaan voorziet, wordt in het slotgedicht enigszins gerustgesteld:

Voorzichtig

Ze liepen voorzichtig,
en lieten het landschap binnenkomen,
ze merkten dat hun tred bewonderd werd.

Heel voorzichtig gingen ze door de deuren,
langs het lusteloze strand, bezichtigden de bomen,
ze dachten dat de struiken ontvlambaar waren
en de hemel onder handbereik.

Zie, ze houden zich voorzichtig vast.

Hoe aarzelend ook – voorzichtiger kan de ziener, de ‘profeet’, niet zijn – lijkt het te duiden op de mogelijkheid van een nieuw begin. Maar kennelijk moest de mens eerst in zijn wereld een volslagen vreemde worden…
Dat Armando ondertussen zelf een vreemde is, een buitenstaander, een toeschouwer, is wel duidelijk, en paradoxaal genoeg is hij dat vooral in zijn geëngageerdheid, zoals in

Van verre

Wee degenen die de lantaarns doven,
die het kwaad verslinden,
het machteloze juk verbreiden,
zie, ze naderen,
fier, verheven,
ze werden niet herkend.

Ik zag ze, ik zie ze van verre,
ze worden niet herkend.

Of zoals in

Voorbarig

Ik hoorde ze joelen,
ze dansten en lachten,
het roversnest werd geplunderd,
men gluurt naar voornemens,
schimmel en een glimp:
het is voorbarig en voorbij.

Al mijdt Armando het gebruik van de ik-vorm niet, vaker ligt het perspectief bij ze, men, iemand, de man, hij, het. Als de betrokkenheid op wat met een groot woord het wereldlot genoemd kan worden, te sterk is, blijkt afstand nemen vaak noodzakelijk. De ernst wordt er slechts overtuigender door:

Nooit meer

Nergens is de lente.
Onverschrokken de helden van weleer.
Nooit meer. Nooit meer.

Geen geestverwanten, geen drempel van de oogst.
Je denkt toch niet dat sneeuw nog smelt.
Met z’n hoevelen waren ze.

Het omineuze karakter van de slotregel is huiveringwekkend, actuele angst zet zich vast.
Veel gedichten lijken niet meer dan aanzetten, maar nooit heb je een idee hoe het dan met de tekst verder zou moeten. In het ogenschijnlijk voorlopige zijn ze dus wel degelijk af. De tweede strofe van ‘Vechtlustig’ is daarvan een mooi voorbeeld: ‘Nooit vergeten/ dat de aarde woedend was en dat/ de mens geen uitweg wist.’
Schrijven over wat hij waarneemt, is voor Armando niet gemakkelijk, maar hij heeft een sterke drijfveer:

Woedend

Waarschijnlijk is het de wanhoop
die de woede teweegbrengt.
De wanhoop is woedend
en wanhopig.

Sterker nog is het gevoel een opdracht te moeten vervullen. Niet omdat hij uitverkoren zou zijn, eerder omdat hij ziet – misschien wel als enige ziet – en daarin verdoemd is. In ‘Beklemming’ zegt hij het zo: ‘Men spreekt, men trekt de aandacht,/ men deinst terug, men offert zich op.

Denk niet dat somberheid troef is. De bundel bevat ook verrassend veel natuurgedichten, zoals ‘De wolken’: ‘[…]// De wolken spreken tot het stil wordt,/ vertrekken als het wit is.// Ze gedragen zich kortaf, ze komen onverwachts,// hijgend naar de horizon,/ ze glijden langs de stenen./ Het stormt.’

En veel gedichten zijn verhalend. Armando weet soms in een paar regels een roman, of toch tenminste een kort verhaal of een bedrijf uit een toneelstuk te vertellen, zoals in het suggestieve

De moeder

Spreekt de treurende vrouw,
de vader dood,
mijn zoon mijn man,
er wordt gehuild dat de dood in mannenkleren
en dat de moeder een trotse vrouw,
dat ze op een voetstuk stond.

Men hoort de jammerklachten, men lacht
tot de tranen droog zijn.

‘Kunstenaars brengen produkten voort waar vooreerst niemand behoefte aan heeft. Daarom is kunst zo belangrijk. Daarom is kunst zo overbodig’, schreef hij in Machthebbers (1983). Met duidelijke instemming citeerde hij daarin Nietzsche: ‘Wir haben die Kunst, damit wir nicht an der Wahrheit zugrunde gehen. Kunst ist die einzige Rechtfertigung des Lebens.’

Armando’s beeldend werk is onbetaalbaar. Dat dit voor zijn Gedichten 2009 eveneens geldt, laat zich voor een bescheiden bedrag vaststellen.

Geplaatst in Recensies.