Gedichten

Nooit stil

Als een zebrapad dat van geen ophouden weet

een uitnodiging zonder datum of plaats alsof wanneer
hij stilstaat ik ook stil zal staan maar hij staat nooit stil

een grote omtrekkende beweging een stad zonder centrum
een opeenhoping van centra een verzamelpunt voor rukwinden

een genadeloze machine van mogelijkheden een voetganger
omringd door stoeptegels stoplichten op groen wachtende auto’s

voorrangverlenende fietskoeriers en nergens een bankje
om eens genoeglijk op in te storten alsof er kortom

iets moois aan staat te komen en iedereen gewoon de goede kant
op moet we zullen winnen als we maar willen en vooral alsof

ik iets voor hem in petto heb een zinnige vraag
een verhelderend antwoord het begin van een zin.

In het ochtendlicht

Stel als eerste vast dat lucht een afzonderlijke substantie is en je daast al
in je schrikvel. Er blijkt altijd iets groter dan het allergrootste, elk deeltje

bestaat uit deeltjes, dat ik het over jou heb en niet over mezelf
heeft meer met afspraken dan met onze gesteldheid te maken

nergens lijk ik tegenwoordig nog veilig, daar waar ik me schuilhoud
nog het minst, word jij vaak herkend door wildvreemden, trouwens

alsof ik er te lang geen bloed meer toeliet voelt mijn huid, kan het zijn
dat ik me als een pleister van je lostrek, van mezelf, vast te stellen valt:

ik blijf afhankelijk van mijn vermogen rechtop te lopen, ons vermogen
woorden te vormen, als een paardebloem de laatste dagen, als een bel
onder water, een vlinder in de wind, kruimel op de rok, worden we

denk je ooit meer dan deeltjes van deeltjes, jij en ik en alles eromheen:
als je een emmer ondersteboven in het water duwt, stroomt het water
er niet in. Hoor je me nog? Daar gaan mijn parachuutjes al.

Overal slapen de mensen

Neergevallen waar ze vroeger stonden
het voorhoofd tegen de arm gedrukt
het gezicht naar de grond, rustig ademend.

Boven de aarde, onder warme dekens
onder stevige daken, op goed geluk in
elkaar gekropen, in zichzelf gedraaid

terwijl de wereld zich opent als een hand
terwijl vingers andere vingers zoeken
andere vingers andere vingers en de vissen

wiegen de zee tot rust en de schepen hun vracht
en de radio de vader en als een zachte doek
de vader de moeder, de lampjes de nacht.

Waarom waak je. Waarom moet
iemand waken, iemand aanwezig zijn.

Uit: Kranen open, 2009, Uitgeverij Prometheus

Geplaatst in Gedichten.