Meanderen binnen zinnen

Thomas Möhlmann was organisator bij Perdu en medeoprichter van het poëzietijdschrift Zanzibar en de website Literair Nederland. Hij is dichter, beleidsmedewerker poëzie van het Nederlands Letterenfonds en hoofdredacteur van het poëzietijdschrift Awater. Zijn debuut De vloeibare jongen werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Lucy B. & C.W. van der Hoogt-prijs. In het najaar van 2009 verscheen zijn tweede bundel, Kranen open, die genomineerd is voor de Jo Peters Poëzieprijs 2010.

Is het zebrapad in het eerste gedicht een verwijzing naar het omslag van De vloeibare jongen?
Nee, of althans geen bewuste, maar nu je het zegt… Dat kan natuurlijk geen toeval zijn!

Is er een verband tussen de titels De vloeibare jongen en Kranen open?
Dat lijkt me wel. Kranen open is in elk geval zowel een vervolg op als een streep onder De vloeibare jongen.

Wat is het verschil tussen deze bundels?
Ik hoop dat ze op meer dan één punt van elkaar verschillen, maar een belangrijk verschil is volgens mij bijvoorbeeld dat Kranen open een directere bundel is. De vloeibare jongen bouwde een wereld op en bevolkte die met personages, in Kranen open hebben die personages gezelschap gekregen van een duidelijker aanwezige ‘ik’. Ik heb het daar wat uitgebreider over in een interview op lezen.tv.

Veel gedichten beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt. Welk voordeel biedt deze vorm jou?
Ik weet niet zeker of ik jouw vraag goed begrijp, maar volgens mij beginnen de beste zinnen in het algemeen met een hoofdletter en eindigen ze met een punt. Veel van de gedichten zijn inderdaad te lezen als één lange, over regels en strofen verdeelde zin. Ik geloof dat ze daardoor aan vaart en directheid winnen, terwijl het tegelijkertijd mogelijk is om binnen de loop van één zin uitgebreider te meanderen dan in meerdere  kortere zinnen zou kunnen.

De vloeibare jongen begint met een gedicht dat je kunt lezen als een gebruiksaanwijzing. Kunnen we het eerste gedicht van Kranen open op dezelfde wijze lezen?
Ja, allebei de openingsgedichten zijn heel goed als poëticale gedichten te lezen, en inderdaad ook als praktische handleidingen voor het lezen van de bundel die erop volgt, en als beschrijvingen, als waarschuwingen, liefdesverklaringen, levensopvattingen. En als simpele verhaaltjes.

Was het moeilijk om een tweede bundel te schrijven nadat je debuut zo goed was ontvangen?
Nee, niet moeilijker dan wanneer er negatief of lauwtjes op mijn debuut was gereageerd. Ik geloof dat het me er juist eerder van overtuigde dat ik blijkbaar toch niet helemaal gek was, of anders in elk geval niet in mijn eentje.

Hou zou je je eigen stijl typeren?
Liever überhaupt niet, omdat er van zo’n zelftypering nogal een beperktheid en een beperking uitgaat.

Wanneer ben je begonnen met het schrijven van poëzie?
Ik vond het op de basisschool altijd al wel heel leuk om poesiealbumversjes te bedenken. Op de middelbare school begon ik teksten voor bandjes te schrijven, eerst in het Engels, later in het Nederlands, nog wat later zonder gitaar-bas-drum-zang en weer wat later met een soort literaire pretentie. Erg zwartromantisch aanvankelijk, vol met dood, weemoed, weltschmerz, drift en clichés, maar gaandeweg ging het wel ergens op lijken. Maar pas toen ik me echt ging interesseren in andere dichters en ik dankzij hun werk ontdekte dat er nog zoveel méér dan ik dacht al gedaan was, en dat er tegelijk nog zoveel méér dan ik had gedacht nog mogelijk was, pas toen ben ik dingen gaan schrijven die ik nu nog steeds sterk kan vinden.

Ik las in een interview dat je op een elitaire school zat, terwijl je een hanenkam had. Wat is er nog over van de punker in jou?
Een hanenkam in Baarn is toch een relatief soort punk. Van dat relatieve is nog een hoop over.

Wat wil je als hoofdredacteur van Awater bereiken met dit tijdschrift?
Dat een zo groot en breed mogelijke groep – potentieel – in poëzie geïnteresseerden zo goed mogelijk geënthousiasmeerd, geïnformeerd en geprikkeld wordt. Dat is de kern. Vervolgens zijn er nog tamelijk veel ‘subdoelen’, zoals de verschraling van de poëziekritiek in dag- en weekbladen ondervangen, ruimte bieden voor de introductie van dichters uit het buitenland, en voeding leveren voor het aanscherpen van het debat en het denken over poëzie.

Wat maakt Awater uniek?
Binnen Nederland alleen al dat het een papieren tijdschrift is dat zich 100 procent op poëzie richt. Het onderscheidt zich bovendien van veel literaire tijdschriften doordat het meer een magazine dan een chique periodiek is, en dat het weliswaar behoorlijk toegankelijk is en wil zijn, maar tegelijkertijd toch wel degelijk wat vlees op de botten heeft.

Als redacteur van Awater zul je het nodige talent lezen. Van welke dichters verwacht je veel?
Bedoel je van dichters die pas onlangs of nog helemaal niet debuteerden? Van Lieke Marsman bijvoorbeeld, en van Jurre van den Berg, en van Joost Baars. Maar ik verwacht ook nog erg veel van een enorme hoop dichters die al wat meer publiceerden.

Je kunt leven van de poëzie en aanverwante zaken, neem ik aan. Was dit je streven of ben je erin gerold?
Toen ik eenmaal bedacht had dat ik er toch geen planoloog, politicus, acteur, beeldend kunstenaar of professor bij wilde worden, werd het wel een streven om alleen te leven van lezen en schrijven en het opzetten en organiseren van mooie literaire projecten. Ik beschouw het als een groot voorrecht dat dat vooralsnog gelukt is en lukt.

Wat zou je ooit nog willen doen op het gebied van poëzie?
Het belangrijkste is dat ik na de laatste bundel nog een nieuwe bundel zou willen schrijven, en daarna nog een, en daarna nog een, en nog een, enzovoort. Daarnaast zijn er wat dingen die ik nu doe en simpelweg hoop nog lang te kunnen blijven doen, zoals werken voor het Nederlands Letterenfonds, voorheen NLPVF – dat laat zich kort samenvatten als het stimuleren van de aandacht voor en publicatie van Nederlandse poëzie in vertaling in het buitenland. En meewerken aan belangrijke sites als Poetry International Web en Lyrikline, aan zo’n mooi blad als Awater, en poëziebloemlezingen samenstellen, poëzieprogramma’s organiseren. Verder lijkt het me prachtig om met een stel dichters eens een echt sterke avondvullende poëzieshow te maken en daarmee als groep langs theaters te gaan. En volgend jaar hoop ik een gezamenlijk geschreven bundel met bevriend dichter Jan-Willem Anker te publiceren.

Geplaatst in Interviews.